Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4746

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
16/706954-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een koerier van waardevolle pakketten (mobiele telefoons). De koerier zou een pakket afleveren bij een woning. Aldaar is hij door twee gemaskerde mannen de woning ingesleurd en is er een pistool tegen zijn hoofd gedrukt. Vervolgens is er tape om het hoofd van de koerier gewikkeld, zijn er handboeien aangelegd en is hij in een inbouwkast geduwd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne voor een periode van ruim drie jaar en negen maanden en had hij cocaïne voorhanden. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/706954-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 juni 2019, 10 juli 2019, 22 april 2020, 7 oktober 2020 en

4 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. van der Zee, van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam, en van hetgeen de benadeelde partij de heer [slachtoffer] en zijn raadsman mr. J.J.G.M. Buijs, advocaat te Vught, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair

op 30 januari 2016 te Almere zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op een koerier waarbij onder meer 20 mobiele telefoons zijn weggenomen;

feit 1 subsidiair

op 30 januari 2016 te Almere medeplichtig was aan een overval met geweld op een koerier waarbij onder meer 20 mobiele telefoons zijn weggenomen;

feit 2

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 oktober 2016 te Almere zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne;

feit 3

op 17 oktober 2016 te Almere 6,4 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit van feit 1 en feit 2 .

Ten aanzien van feit 1 heeft zij het volgende aangevoerd. De betrokkenheid van verdachte bij de gewapende overval wordt met name gebaseerd op de telefoongesprekken die hij tussen 17 juni 2015 en 28 juni 2015 had met de heer [A] . Verdachte zou met [A] de modus operandi, die overeenkomsten vertoont met de gewapende overval, hebben besproken. Het dossier bevat echter geen bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte één van de drie daders is die de gewapende overval op 30 januari 2016 hebben gepleegd en daarmee aanwezig was op de plaats delict. Daar komt bij dat verdachte enige betrokkenheid stellig ontkent.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair 1

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] :

‘De diefstal met geweld heeft plaatsgevonden op 30 januari 2016 te Almere. Ik ben al 8 jaar werkzaam bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).2 Vandaag had ik een witte Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] meegekregen. De werkwijze is dat ik 10 minuten van te voren bel dat ik er binnen 10 minuten ben. Ik belde naar het opgegeven nummer van [adres] . Op het pakket stond de naam [B] .3 Achterin mijn auto stonden alle pakketjes die ik nog moest bezorgen. Ik had een koffer bij mij. In de koffer zat een scanapparaat, een pinautomaat, een mini PC en een tablet.

Ik klopte aan en heel kort daarop kwam een man naar beneden lopen. Ik zei dat ik zijn ID-kaart nodig had. Hij vroeg of ik mee wilde naar boven en ik zei dat dat niet kon omdat ik mijn auto in de gaten moest houden. De man zei vervolgens dat hij zijn spullen ging halen. De man moest nog 203,23 betalen.

Deze man zag er als volgt uit:

- licht getinte huidskleur, ik denk van Marokkaanse afkomst. Ik zal hem dader 1 noemen.

De jongen ging vervolgens perceelnummer [nummer] binnen. Vervolgens zag ik dat er twee gemaskerde mannen naar buiten kwamen. Dader 1 ging naar binnen en zij kwamen naar buiten. Ik zag dat de gemaskerde mannen ook capuchons over hun hoofd droegen.4 Er werd een pistool op mijn voorhoofd gedrukt. Er werd tegen mij gezegd dat ik moest liggen. Ik kwam op de grond terecht en kreeg een knie in mijn rug. Ik lag op mijn buik. Vervolgens werd ik door beide mannen omhoog getrokken en ik werd meegesleurd naar boven. Ik werd ondertussen gefouilleerd en de autosleutel werd uit mijn broekzak weggenomen. De mannen hielden mij vast en trokken mij mee. Ik werd via de trap meegesleurd naar de eerste verdieping. De persoon met het vuurwapen richtte het vuurwapen op mijn hoofd. Het werd zelfs tegen mijn hoofd gehouden. Ik moest van de mannen mijn mond houden en anders zou ik worden neergeschoten. Mijn hoofd werd vervolgens naar achteren getrokken. Vervolgens voelde ik dat er bruine tape meerdere keren rondom mijn hoofd werd geplakt. Mijn handen werden vervolgens geboeid met handboeien. Ik lag inmiddels op de grond en er werd een knie in mijn rug gezet. Ik werd aan mijn armen en nek omhoog getrokken en werd een inbouwkast ingeduwd. Er werd geroepen “liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren”. Ik zag dat de kastdeur dicht werd gedaan. Er werd gezegd dat ik stil moest zijn.5 Ik zag dat de koffer en het pakketje weg waren. Ik zag dat de auto was weggenomen. In de auto lagen mijn telefoon, mijn tas en mijn huissleutels. Achterin het voertuig lagen de pakketten die nog bezorgd moesten worden.’6

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

‘Op 30 januari 2016 reden wij op de Zandwierde te Almere-Haven. Ter hoogte van de [straat] nummer [nummer] zagen wij een witte Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] staan.’7

Emailbericht van [bedrijf] van 30 januari 2016 met gegevens van de 20 weggenomen telefoons.8

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

‘Wij zagen dat het een wit Volkswagen bestelbusje betrof voorzien met kenteken [kenteken] . Wij zagen dat de laadruimte, geheel leeg was.’9

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] met betrekking tot de zakelijke telefoon van [slachtoffer]:

‘In de telefoon zit een simkaart voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer] .’10

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7]:

‘Op 30 januari 2016 belde ik met [bedrijf] Ik sprak met [C] . Ik hoorde hem zeggen dat het telefoonnummer dat [slachtoffer] had gebeld voordat hij het pakketje afleverde op de [adres] te [woonplaats] [telefoonnummer] is. Hij vertelde dat de naam van de besteller [B] , geboren op [1978] is. Bij de bestelling is rekeningnummer [rekeningnummer] opgegeven. Op mijn vraag vertelde [C] dat de bestelling op 25 januari 2015 (de rechtbank leest: 2016) te 16:15 uur is binnengekomen.’11

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6]:

‘Blijkens gegevens van [bedrijf] werd de bestelling besteld middels het IP-adres [IP-adres] .’12

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6]:

‘Blijkens gegevens op het internet blijkt dat het IP-adres [IP-adres] behoort bij provider EDPnet.nl.’13

Proces-verbaal van gevorderde gegevens van [verbalisant 6]:

‘Op 29 februari 2016 zijn door het bedrijf EDPnet de gegevens verstrekt van het IP-adres [IP-adres] . Blijkens deze gegevens is eerder genoemd IP-adres sinds
7 september 2015 in gebruik bij Smartphonecity, [adres] te [woonplaats] .’14

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6]:

‘Op 30 januari 2016 te 09:57 uur wordt er middels telefoonnummer [telefoonnummer] gebeld naar [telefoonnummer] . Het gesprek duurt 69 seconden.’15

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] :

‘De identificerende gegevens van bankrekeningnummer [rekeningnummer] opgevraagd. Ik ontving de gegevens van ABN Amro van het eerdere genoemde bankrekeningnummer. [B] , [adres] , geboortedatum [1978] ’.16

Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2016:

‘V: We hebben begrepen dat je de bijnaam [bijnaam] hebt?

A: Ja sommige mensen noemen me zo.

V: Van welke telefoonnummers maak jij gebruik?

A: Mijn nummer is [telefoonnummer] . Ik heb nog een nummer.

V: Uit onderzoek komt naar voren dat jij gebruik maakt van [telefoonnummer] . Hoe lang gebruik jij dit telefoonnummer?

A: Ik heb dit nummer al een tijdje.’17

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6]:

‘In het onderzoek 13Kloes is het telefoonnummer [telefoonnummer] onderschept. Dit telefoonnummer was in gebruik bij [A] . [A] heeft contact met een nog onbekend gebleven persoon die gebruik maakt van meerdere telefoonnummers. Namelijk [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . Uit onderzoek in de telefoon van [A] is gebleken dat de telefoonnummers gekoppeld staan aan de naam “ [bijnaam] ” en “ [bijnaam] ”.’18

Overzicht van gesprekken met betrekking tot het nummer [telefoonnummer] in het onderzoek 13KLOES:

‘Dit gesprek, gevoerd in het Surinaams is op 17 juni 2015 vertaald door een tolk(00180) naar het Nederlands.

[A] bn nnman8679.

NN-man: ik ben opzoek naar een auto.

[A] : oke, maar voor welk werk.

[A] : hoeveel koppen geeft het (een kop= duizend).

NN-man: zeg maar drie dubbeltje als alles eruit is wat eruit moet.

NN-man: alleen maar een man nog, als je de auto regelt…

NN-man: twee mannen zijn er al, alleen een drieman missie.

[A] : heb je een driver nodig?

NN-man: als de auto er is dan is het geen probleem. Ik zal zelf rijden.

NN-man: je weet dat soort dingen toch. Dus is over laden, hoge tempo.

NN-man: dit is half in huis. De mannen zullen. Ik heb al één geregeld. Je kent dat model tovch. Als de man binnen komt dan wordt hij gewurgd en vastgepakt.

[A] : oke, is een bestelling

NN-man: ja

[A] : waarom neem je niet een ander adres? Is een adres dat je nodig hebt of niet?

NN-man: ja dat heb ik al. Ik heb wat gecreëerd. Ik heb een mooie plek gezien waar ik het kan regelen. 19

NN-man: maar je moet rekenen als de man de bel drukt dan moet de man binnen getrokken worden en gewurgd (in bedwang houden) worden. Dat zal haar in paniek brengen. Daarom heb ik een soort model geregeld waar er gebeld kan worden en de mannen trekken hem daar, andere mannen rijden weg of halen het eruit.

NN-man: we gaan de man wurgen.

[A] : eigenlijk heb je geen auto nodig. Je kan met de auto van de man wegrijden toch.

NN-man: daar had ik het over met mijn broertje, maar de manier waarop hij het wou doen is als de man aangekomen is en de auto voor de deur heeft geparkeerd, dan wil hij alvast een auto daar zetten en als de man wordt vastgehouden dan willen ze alles overzetten.

NN-man: feitelijk moeten we de man vast houden, één of twee mannen rijden weg met de auto van de man, ergens naartoe.

NN-man: we hebben dit met twee mannen besproken, maar de derde man is er nog niet. Ik ben er zelf ook in en het moet goed gaan.

[A] : ik kan je zeggen dat je geen auto nodig hebt. Je kan met het werk van de man weggaan. Je moet rekenen dat de mannen het werk(auto) op de GPS zullen zetten.

NN-man: dat denk ik ook hoor. Die auto’s zijn vervelend. Daarom had de man gezegd dat het ter plekke weggehaald moet worden. Als de man binnen komt is wurgen en de sleutel van de man afnemen.

[A] : je kan ook de sleutel nemen en het werk(auto) ergens anders brengen om de lading eruit te halen.

NN-man: ja, zo had ik het zelf gedacht. 20

NN-man: ik zal het rijden en weghalen. 21

Dit gesprek, gevoerd in het Surinaams is op 18 juni 2015 vertaald door een tolk(00180) naar het Nederlands.

[A] bv nnman8679.

NN-man: sowieso zal de man vol met biesjes zijn. De man heeft een volle auto. De man zit vol business. Als de man vroeg komt en de mannen zeggen ook hoe laat ze komen en je belt een kwartier eerder, dat hij eraan komt, de man zal vol zijn en dat is garantie.’ 22

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze telefoongesprekken tussen hem en [A] niet goed zijn vertaald. 23

Proces-verbaal van verhoor verdachte [B] van 1 oktober 2016:

‘V: Wie is foto 1?

A: Dat is [verdachte] . [verdachte] wordt ook wel eens [bijnaam] genoemd. [verdachte] was heel lang mijn drugsdealer. [verdachte] dealt al sinds 2011 cocaïne aan mij. Ik hoefde [verdachte] maar te bellen dat ik cocaïne nodig had en hij kwam het brengen. [verdachte] dealt aan huis maar ook op straat.

A: Zowel mijn identiteitskaart als mijn bankpas heeft [verdachte] wel eens van mij geleend. Dit moest ik als onderpand geven als ik drugs wilde en geen geld had.

A: Dit is meerdere keren gebeurd, ook voor 30 januari 2016.

V: We laten je een telefoongesprek horen van 24 mei 2016 tussen jou en een andere man. Tijdens het gesprek zeg jij dat de man met geld is geweest maar dat de gebelde ( [bijnaam] ) er niet was. Een andere man neemt het telefoongesprek over en zegt dat die man zijn bankpasje weer heeft meegenomen. We laten je een tweede gesprek horen van 1 juni 2016. Het gesprek is tussen jou en [bijnaam] . Tijdens het gesprek is [bijnaam] heel boos, hij brengt nu die man naar je huis en die gaat jou kapot slaan.24 Het pasje van jou is geblokkeerd en het pasje is niet goed. Jij zegt dat het niet kan. [bijnaam] probeert er geld vanaf te halen en toen moest er contact worden opgenomen. Jij zegt dat [bijnaam] zijn geld wel krijgt.

O: De opgenomen gesprekken zijn afgespeeld.

V: Wie is deze man?
A: Dat is [verdachte] . Ik ben die andere man. Deze telefoongesprekken gaan over mijn bankpas die [verdachte] had. Ik had de bankpasjes toen weer als onderpand meegegeven. Ik had drugs gekocht bij [verdachte] , cocaïne. Omdat ik niet kon betalen heeft [verdachte] mijn bankpas genomen.’25

Foto 1: ( [verdachte] )’26

Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2016:

‘V. Tijdens de tapgesprekken die we eerder hebben laten lezen zeg jij dat je een adresje moet regelen. Het pand op de [adres] te [woonplaats] stond al een tijdje leeg. Uit gevraagde gegevens blijkt dat er met jouw telefoonnummer contact is met het telefoonnummer van onderbuurman [contact] .

A: Ja, die ken ik vanuit de buurt ja.’27

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] :

‘Uit opgevraagde telecomgegevens blijkt dat er vanaf 31 januari 2016 inzicht is in de tegencontacten van [verdachte] . Daaruit blijkt dat er contact is met [contact] , welke verblijft op de [adres] te [woonplaats] . Dit betreft een woning in hetzelfde portiek als de plaats delict. Toegang tot het portiek kan alleen vanuit een aldaar gelegen woning of middels een sleutel.’28

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] :

‘In de periode van de bestelling (25 januari 2016) was er dagelijks telefonisch contact tussen het telefoonnummer van [B] en [bijnaam] (van 17 januari t/m/ 25 januari 2016)

Op 25 januari 2016 te 15:45 uur (datum bestelling) heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden van 571 seconden tussen [telefoonnummer] ( [bijnaam] ) en telefoonnummer [telefoonnummer] (prepaid). Telefoonnummer [telefoonnummer] straalt dan aan op de zendmastpaal [adres] te [woonplaats] . Om 16:15 uur heeft de bestelling plaatsgevonden en dit vond plaats in belhuis Phonehousecity op de [adres] te [woonplaats] . De zendmastpaal [adres] te [woonplaats] en Phonehousecity liggen nabij elkaar (<500 meter).

Uit onderzoek blijkt dat telefoonnummer [telefoonnummer] op verschillende dagen en tijdstippen dezelfde zendmastpaal aanstraalt als telefoonnummer [telefoonnummer] (het telefoonnummer waarmee de bestelling is gedaan en waarmee de koerier contact had).

Datum

Tijd

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

30 januari 2016

08:50

[adres] [woonplaats]

30 januari 2016

09:04

[adres] [woonplaats]

Op 30 januari 2016 heeft het volgende telefoonverkeer tussen telefoonnummer [telefoonnummer] en telefoonnummer [telefoonnummer] plaatsgevonden.

Soort

Tijd

Duur

Zendmastpaal [telefoonnummer]

Gesprek

08:50

16

[adres] [woonplaats]

SMS

09:56

[straat] [woonplaats]

Gesprek

10:01

49

[straat] [woonplaats]

Gesprek

10:19

6

[straat] [woonplaats]29

Uit de netwerkmeting blijkt dat de zendmastpaal [straat] [woonplaats] een zendmastpaal is bij de plaats delict.30

Uit de historische gegevens blijkt dat telefoonnummer [telefoonnummer] op

30 januari 2016 op de volgende zendmastpalen aanstraalt.

Soort

Tijd

Duur

Zendmastpaal

Tegencontact

Gesprek

04:04

164

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

07:15

116

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

08:03

22

[adres] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

08:37

21

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

08:50

16

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

SMS

09:56

0

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:01

49

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:01

49

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:01

49

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:19

6

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:19

6

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer]

Gesprek

10:19

6

[straat] te [woonplaats]

[telefoonnummer] ’31

Bewijsoverwegingen feit 1 primair

De gewapende overval

Op basis van de aangifte van [slachtoffer] en de bevindingen die de politie ter plaatse heeft gedaan, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op 30 januari 2016 een bestelling, op naam van [B] , wilde bezorgen bij de [adres] te [woonplaats] . Nadat [slachtoffer] aanbelde bij deze woning, werd opengedaan door een man, die hem vroeg mee naar boven te gaan. Toen [slachtoffer] dat weigerde omdat hij zijn auto in de gaten wilde houden, nam de man de trap naar boven en ging perceelnummer [nummer] binnen. Vanuit dat pand kwamen ineens twee gemaskerde mannen naar buiten rennen. [slachtoffer] werd door hen naar boven gesleurd. Eén van de mannen hield een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer] . De twee mannen hebben bruine tape om het hoofd van [slachtoffer] gewikkeld en handboeien aangelegd. [slachtoffer] werd vervolgens een inbouwkast ingeduwd waarna geroepen werd “liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren”. Toen de politie ter plaatse kwam, is in de woning aan de [adres] de koffer die [slachtoffer] bij zich had geopend aangetroffen. Iets verderop heeft de politie de Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] , dat was de auto van [slachtoffer] , leeg aangetroffen. Gelet daarop en op de bestellijst van de werkgever ( [bedrijf] ) van [slachtoffer] , stelt de rechtbank vast dat alle 20 telefoons die [slachtoffer] nog ging bezorgen toen zijn weggenomen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de hierboven door de rechtbank vastgestelde gewapende overval in vereniging heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.

Modus operandi gesprek [A] juni 2015

In de eerste plaats acht de rechtbank van belang dat verdachte in juni 2015 de modus operandi op detailniveau met [A] heeft besproken. Verdachte is in die gesprekken de persoon die die modus operandi voorstelt, waarbij specifieke deelonderwerpen en praktische aspecten worden besproken. De rechtbank acht hierbij onder meer van belang dat verdachte spreekt over een ‘model’ waarbij het gaat om een ‘driemansmissie’, een ‘bestelling’ en ‘als de man op de bel drukt dan moet de man binnen getrokken worden en gewurgd (in bedwang houden)’. Tevens spreekt verdachte over ‘als de man wordt vastgehouden dan willen ze alles overzetten’. Verdachte vertelt dat hij hiervoor al een adres heeft gevonden. Er wordt zelfs benoemd dat het ‘half in huis’ is.

Een en ander komt vrijwel exact overeen met wat er op 30 januari 2016 in Almere heeft plaats gevonden.

Het gesprek heeft plaats gevonden in de Surinaamse taal. Het gesprek is vertaald op papier gezet en opgenomen in het dossier. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich het gesprek niet kan herinneren maar wel dat de vertaling van dit gesprek niet goed is. Kennelijk is verdachte dus ook bekend met de oorspronkelijke Surinaamse tekst. Ten overstaan van de rechter-commissaris, bij gelegenheid van zijn voorgeleiding d.d. 20 oktober 2016, verklaarde verdachte nog [A] helemaal niet te kennen. Verdachte heeft noch bij de politie, noch op de zitting uitleg gegeven over de inhoud van dit gesprek. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte al in de zomer van 2015 het gedetailleerde plan had opgevat en besproken om een overval als de onderhavige op een koerier te plegen. Dat er een aantal maanden tussen het bespreken van het plan en de uitvoering zit maakt dit element niet minder belastend, temeer nu verdachte in het geheel niet aangeeft hoe zijn gesprek met [A] anders zou moeten worden uitgelegd.

Portiek [adres] te [woonplaats] – contact [contact]

[adres] te [woonplaats] betreft het adres dat is opgegeven bij de bestelling en waar de overval (deels) is gepleegd. Die op dat moment leegstaande woning bevindt zich in hetzelfde portiek als de woning van [contact] (nummer [nummer] ). De deur tot het portiek kan alleen vanuit een aldaar gelegen woning of met een sleutel worden geopend. Verdachte heeft verklaard dat hij [contact] kent en uit telecomgegevens blijkt dat verdachte en [contact] kort na de overval contact hebben met elkaar. Hier valt uit af te leiden dat verdachte mogelijk toegang had tot de woning aan de [straat] .

Voorts acht de rechtbank het contact van verdachte met [B] van belang.

Gegevens bestelling – [B]

Uit de gegevens die [bedrijf] heeft verstrekt volgt dat de bestelling die [slachtoffer] kwam bezorgen, op 25 januari 2016 gedaan is op naam van [B] . Hierbij is het bankrekeningnummer van [B] opgegeven. [B] heeft verklaard dat hij niets weet van de betreffende bestelling, dat verdachte zijn drugsdealer is en dat hij in dat kader – ook vóór

30 januari 2016 – wel eens zijn bankpas heeft afgegeven aan verdachte. Verdachte gebruikte de bankpas dan als onderpand als [B] niet direct de drugs kon betalen. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, nu uit het dossier blijkt dat dit een werkwijze van verdachte is waarover meerdere getuigen verklaren (onder andere [getuige 1] en [getuige 2] ). De rechtbank verwijst hierbij naar de getuigenverklaringen die bij feit 2 zijn opgenomen.

Op basis van voornoemde stelt de rechtbank vast dat verdachte contact had met [B] en beschikte over zijn bankpas en zijn rekeningnummer.

Gegevens bestelling – telefoonnummer [telefoonnummer]

Op basis van door [bedrijf] verstrekte gegevens staat vast dat het telefoonnummer [telefoonnummer] opgegeven is bij de betreffende bestelling. Uit de historische gegevens blijkt dat [slachtoffer] op 30 januari 2020 om 09:57 uur heeft gebeld naar dat telefoonnummer om door te geven dat hij binnen 10 minuten bij de [adres] te [woonplaats] zou zijn.

Nagenoeg dezelfde locatie – telefoonnummer [telefoonnummer] en Phonehousecity

Op basis van het onderzoek naar het IP-adres waarmee de betreffende bestelling is gedaan, stelt de rechtbank vast dat de bestelling geplaatst is op 25 januari 2016 om 16:15 uur vanuit belhuis Phonehouscity, aan de [adres] te [woonplaats] . Een half uur daarvoor, om 15:45 uur, heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen het telefoonnummer van verdachte, [telefoonnummer] , en telefoonnummer [telefoonnummer] . Het telefoonnummer [telefoonnummer] straalt dan de zendmastpaal [adres] te [woonplaats] aan. De afstand tussen de zendmastpaal [adres] en Phonehousecity is minder dan 500 meter. Uit vorenstaande maakt de rechtbank op dat verdachte een half uur voordat de betreffende bestelling is geplaatst contact heeft gehad met een telefoonnummer dat vlakbij de locatie was waar vanuit de betreffende bestelling is geplaatst.

Telefoonnummer [telefoonnummer] op dezelfde locaties als [telefoonnummer]

De rechtbank acht voorts van belang dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op de datum van de bestelling en de datum van de overval, meerdere keren, telkens min of meer gelijktijdig dezelfde zendmastpaal aanstraalt als het telefoonnummer [telefoonnummer] , het nummer waarmee de bestelling is geplaatst en dat door [slachtoffer] is gebeld om te zeggen dat hij er aan kwam.

Contact verdachte en [telefoonnummer]

De rechtbank neemt in haar oordeel voorts mee dat verdachte (met zijn telefoonnummer [telefoonnummer] ) op verschillende dagen en tijdstippen rondom de overval contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Zo ook op 30 januari 2016 rond het tijdstip van de overval, namelijk op de tijdstippen 08:50 uur, 10:01 uur en 10:19 uur. Om 09:56 uur wordt er een sms-bericht verstuurd tussen beide telefoonnummers, terwijl het telefoonnummer [telefoonnummer] tijdens die contacten aanstraalt op de zendmastpaal [straat] te Almere, de zendmastpaal nabij de [adres] te [woonplaats] .

Conclusie

Gelet op het gesprek tussen verdachte en [A] in juni 2015, de contacten die verdachte heeft met [contact] en [B] , en de beschikbaarheid over diens gegevens, zoals hierboven uiteengezet en gelet op de verbanden tussen het telefoonnummer waarmee de bestelling is geplaatst ( [telefoonnummer] ), het telefoonnummer [telefoonnummer] en het telefoonnummer van verdachte ( [telefoonnummer] ), alles in samenhang met elkaar bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in nauwe en volledige samenwerking met anderen de overval op [slachtoffer] op 30 januari 2016 te Almere heeft gepleegd. Over dat medeplegen het volgende.

Medeplegen

Niet is komen vast te staan wie de mededaders van verdachte zijn. Ook kan uit het dossier niet onomstotelijk worden vastgesteld wie het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik heeft gehad in de dagen voor en tijdens de overval. Wel staat vast dat verdachte een initiërende rol heeft gehad bij de overval; hij heeft het plan van aanpak maanden daarvoor al besproken met [A] . Tijdens dat gesprek heeft verdachte gezegd dat hij wel een adres wist waar de overval zou kunnen plaatsvinden. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat verdachte de dag na de overval telefonisch contact heeft met [contact] , wiens woning het trapportaal deelt met de woning van de overval. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte het adres waarop de overval zou plaatsvinden, heeft bepaald. Verdachte had de beschikking over de (bank)gegeven van [B] , die zijn gebruikt voor het plaatsen van de bestelling. Uit de historische telefoongegevens blijkt tot slot dat verdachte rondom het tijdstip van de bestelling en rondom de overval zelf, in contact stond met de vermoedelijke uitvoerders van zijn plan. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte een belangrijke en sturende rol heeft gehad bij zowel de voorbereiding als de uitvoering van de overval en dat hij daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de andere (onbekend gebleven) overvallers.

Partiële vrijspraak

Uit het dossier volgt dat de koffer met daarin een scanapparaat, een pinautomaat en een mini-pc door de politie in de woning aan de [adres] in [woonplaats] is aangetroffen, zodat daaruit volgt dat deze goederen door verdachte en zijn mededaders niet zijn weggenomen. Dat die goederen als gevolg van toegepast geweld in die woning zijn beland is op zich niet voldoende om van wegnemen te kunnen spreken, aangezien aangever die goederen bij zich droeg. Van dat deel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Proces verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2016:

‘V: Van welke telefoonnummers maak jij gebruik?

A: Mijn nummer is [telefoonnummer] . Ik heb nog een nummer.

V: Uit onderzoek komt naar voren dat jij gebruik maakt van [telefoonnummer] . Hoe lang gebruik jij dit telefoonnummer?

A: Ik heb dit nummer al een tijdje.’32

Uitwerking tapgesprekken als bijlagen bij proces verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] :

Beller: [telefoonnummer] Datum: 24-05-2016 Gebelde: [telefoonnummer]

Beller wil graag nu voor een tientje. Gebelde kot niet nu. Hij wil eerst eten en komt later. Gebelde komt naar beller.33

Beller: [telefoonnummer] Datum: 24-05-2016 Gebelde: [telefoonnummer]

Naam: papa9436 Naam: zoon4117

Beller zegt dat de man met geld is geweest, maar dat hij er niet was. Een andere man neemt de telefoon over en zegt dat die man zijn bankpasje weer heeft meegenomen. Hij kan morgen op het werk langskomen en het ophalen. Dan gaat gebelde hard praten en zegt “papa, als je morgen niet betaalt, heb je een probleem”. 34

Beller: [telefoonnummer] Datum: 04-06-2016 Gebelde: [telefoonnummer]

Naam: [B]

Beller vraagt of [B] voor hem kan pakken, bellen. Hij heeft veel en [B] kan 25 gram krijgen als hij wil. 35

Beller: [telefoonnummer] Datum: 19-06-2016 Gebelde: [telefoonnummer]

[D] zegt dat hij wat lekkers heeft.

[bijnaam] vraagt wat hij heeft.

[D] zegt dat hij dat niet over de telefoon kan zeggen.

[bijnaam] vraagt hoeveel hij heeft.

[D] zegt 7-8 gram.

[bijnaam] zegt dat hij gaat bellen.

[D] vraagt of [bijnaam] komt.

[bijnaam] komt straks kijken. 36

[telefoonnummer] zegt : hoeveel wil je verkopen?

[D] zegt: 140-5 puur

[telefoonnummer] zegt dat hij dat te duur vindt en vraagt of [D] meer heeft.

[D] zegt “ja”.

[telefoonnummer] zegt dat hij [D] straks gaat bellen.’ 37

Proces verbaal van verhoor verdachte [B] van 1 oktober 2016:

‘V: Wie is foto 1?

A: Dat is [verdachte] . [verdachte] wordt ook wel eens [bijnaam] genoemd. [verdachte] was heel lang mijn drugsdealer. [verdachte] dealt al sinds 2011 cocaïne aan mij. Ik hoefde [verdachte] maar te bellen dat ik cocaïne nodig had en hij kwam het brengen. [verdachte] dealt aan huis maar ook op straat.

V: We laten je een telefoongesprek horen van 24 mei 2016 tussen jou en een andere man. Tijdens het gesprek zeg jij dat de man met geld is geweest maar dat de gebelde ( [bijnaam] ) er niet was. Een andere man neemt het telefoongesprek over en zegt dat die man zijn bankpasje weer heeft meegenomen.38

O: De opgenomen gesprekken zijn afgespeeld.

V: Wie is deze man?
A: Dat is [verdachte] . Ik ben die andere man. Deze telefoongesprekken gaan over mijn bankpas die [verdachte] had. Ik had de bankpasjes toen weer als onderpand meegegeven. Ik had drugs gekocht bij [verdachte] , cocaïne. Omdat ik niet kon betalen heeft [verdachte] mijn bankpas genomen.’39

Foto 1: ( [verdachte] )’40

Proces-verbaal van bevindingen informatie met betrekking tot het dealen van drugs door [verdachte] van 13 oktober 2016:

‘Van een drietal telefoonnummers werden gesprekken opgenomen en uitgeluisterd vanaf de datum 12 september 2016. Deze telefoonnummers zijn in gebruik bij [verdachte] . De betreffende nummers zijn:

[telefoonnummer]

Opmerkelijk is dat er gesprekken, met het telefoonnummer [telefoonnummer] en [telefoonnummer], gevoerd worden waaruit blijkt dat [verdachte] meerdere malen korte afspraken/ontmoetingen regelt met zijn belcontacten. Zo worden er afspraken gemaakt op de openbare weg zoals onder andere bij een bushalte, Sporthal of in straten in Almere Haven. In deze gesprekken wordt veelal gevraagd naar hoeveelheden of vermoedelijk geld. Ambtshalve is bekend dat het hier gaat om dealers handelingen. In de gesprekken wordt [verdachte] ook wel [bijnaam] of [bijnaam] genoemd.41

Proces verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 17 oktober 2016:

‘O: Ik toonde 1 foto van de verdachte, [verdachte] . Ik hoorde [getuige 3] mij het volgende verklaren.

A: Dat is de drugsdealer die mij drugs verkoopt.’42

Proces verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 7 december 2016::

‘O: Ik toonde foto 1 van de bijlage van [verdachte] .

V: Wie is dit?

A: Ja [verdachte] .43

V: Voor hoeveel kocht je bij [verdachte] aan coke?

A: Meestal een tientje of twee tientjes.

V: Hoe lang koop je al coke bij [verdachte] ?

A: Een jaar of vijf denk ik.44

O: Jouw rijbewijs is aangetroffen in een woning op de [adres] te [woonplaats] .

V: Hoe zit dat?

A: Ik heb hem een keer mijn rijbewijs gegeven om voor op de Pof wat Coke te kopen.’45

Proces verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 december 2016:

‘O: Ik toonde een foto van de bijlage van [verdachte] .

V: Wie is dit?

A: [verdachte] , die ken ik wel.46

V: Waarom had [verdachte] jouw identiteisbewijs?

A: Ik had toen wat van hem geleend met mijn dronken hoofd.

V: Wat is er gebeurd met dit paspoort?

A: Het is als onderpand gegeven met mijn dronken hoofd.

V: Hoe lang koop je al bij [verdachte] ?

A: 2012-2013

V: Wanneer heb je voor het laatst bij [verdachte] of [verdachte] cocaïne gekocht?

A: Volgens mij van de zomer was dat.

V: Hoe bestelde je dan?

A: Ik belde hem.

V: Wat, hoe veel heb je vanaf 2012 tot heden bij [verdachte] of [verdachte] aan cocaïne gekocht?

A: 6-8 keer maal een grammetje per keer.’47

Proces verbaal van onderzoek inbeslaggenomen goederen van verbalisant [verbalisant 6] :

‘Op 17 oktober 2016 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning op de [adres] te [woonplaats] , betreffende de woning waar [verdachte] verbleef. Daarbij werd onder andere een doos met goederen aangetroffen.48 In de doos zaten een mesje en een weegschaal. Op het mesje zat een witkleurig poeder, gelijkend op cocaïne.’49

Bewijsoverwegingen feit 2

Uit de verklaring van [B] blijkt dat verdachte de dealer is van [B] en dat [B] verschillende keren cocaïne van verdachte heeft gekocht. [getuige 3] , [getuige 1] en [getuige 2] verklaren alle drie dat verdachte hen meermalen en gedurende een lange tijd cocaïne heeft verkocht. Op grond van hun verklaring acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten minste in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 16 oktober 2016 te Almere meermalen cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend en zijn raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 oktober 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 20 december, genummerd 201612201419, opgemaakt door politie Midden-Nederland districtsrecherche Flevoland, houdende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] , pagina 5198 van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, met onderzoeksnummer 2016032069, opgemaakt door Politie Midden-Nederland, districtsrecherche Flevoland, Roofteam, doorgenummerd 1 tot en met 11023;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een rapport Identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut van 16 november 2016, genummerd: 2016.07.22.151 (aanvraag 008), opgemaakt door A.B.M. van Esch-de Bruin, doorgenummerde pagina’s 5201 en 5202 van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, met onderzoeksnummer 2016032069, opgemaakt door Politie Midden-Nederland, districtsrecherche Flevoland, Roofteam, doorgenummerd 1 tot en met 11023.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 primair

op 30 januari 2016 te Almere tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een personenauto (merk: Volkswagen, type: Caddy, kenteken [kenteken] ) en

- 20 mobiele telefoons

geheel toebehorende aan [bedrijf] B.V. en

- een mobiele telefoon en

- een tas en

- huissleutels

geheel toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat mededaders

- gekleed met een masker/bivakmuts over hun hoofd en een capuchon over hun hoofd dragend die [slachtoffer] hebben gedwongen een (vrijwel leegstaand) appartement aan de [straat] te [woonplaats] binnen te gaan en

- een pistool op het voorhoofd van die [slachtoffer] hebben gedrukt en

- die [slachtoffer] hebben gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en een knietje in diens rug hebben gegeven en

- die [slachtoffer] bij de armen en schouders hebben gepakt en hem een verdieping omhoog hebben getrokken/gesleurd en

- die [slachtoffer] hebben gefouilleerd en

- een pistool op het hoofd van die [slachtoffer] hebben gericht en tegen zijn hoofd hebben gehouden en

- het hoofd van die [slachtoffer] naar achteren hebben getrokken en

- tape over het hoofd van die [slachtoffer] hebben gewikkeld en

- de handen van die [slachtoffer] hebben geboeid met handboeien en

- die [slachtoffer] aan zijn armen en nek omhoog hebben getrokken en hem een (inbouw)kast in hebben geduwd en de kast van de deur dicht hebben gedaan en

- terwijl die [slachtoffer] zich in die kast bevond, een pistool op die [slachtoffer] hebben gericht en

- die [slachtoffer] gezegd: “je moet je mond houden, anders word je neergeschoten” en “liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren” en “stil zijn”;

feit 2

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 oktober 2016 te Almere meermalen (telkens) opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3e van die wet;

feit 3

op 17 oktober 2016 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,4 gram materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3e van die wet.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met de redelijke termijn omdat alle drie de feiten uit 2016 zijn. Voorts dient rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het feit dat verdachte nadat hij -in verband met een andere straf- de gevangenis heeft verlaten, niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. Verdachte doet zijn best om aan een baan te komen. Hij heeft een gezin met een jong kind van 16 maanden. Tot slot merkt de raadsvrouw op dat er geen sprake is van recidive.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op [slachtoffer] . [slachtoffer] , die als koerier van waardevolle pakketten (namelijk mobiele telefoons) werkzaam was, is door twee gemaskerde mannen naar de eerste verdieping meegesleurd. Eén van de twee mannen heeft een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer] aangedrukt en toen hij op de grond werd gedrukt, kreeg [slachtoffer] een knie in zijn rug. Vervolgens hebben de twee mannen tape om het hoofd van [slachtoffer] gewikkeld, handboeien bij hem aangelegd en hem in een inbouwkast geduwd. Daarbij werd geroepen: “liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren”. De deur werd dicht gedaan en vervolgens tot drie keer toe geopend waarbij een pistool op hem werd gericht en werd gezegd dat hij stil moest zijn.

De door de heer [slachtoffer] ter zitting uitgesproken vraag, waarom de overvallers zo veel geweld moesten gebruiken - hij zou zijn sleutels hoe dan ook wel hebben afgegeven – is onbeantwoord gebleven.

Door zo te handelen, hebben verdachte en zijn mededaders een enorm angstaanjagende situatie gecreëerd voor [slachtoffer] , die nota bene gewoon bezig was zijn werk te doen. Hij kreeg onder meer een pistool op zich gericht en heeft voor zijn leven moeten vrezen. Zoals ter zitting is gebleken heeft de overval een enorme impact op het leven van de heer [slachtoffer] . Verdachte en zijn mededaders hebben zonder enig mededogen een medemens, in de woorden van het slachtoffer, “kapot gemaakt”. Hij kampt na al die jaren nog steeds met de psychische gevolgen van dit misdrijf. En dat enkel omdat verdachte en zijn mededaders op een snelle en gemakzuchtige manier aan wat geld wilden komen. Daarbij komt dat de overval op een geraffineerde, voorbesproken en doordachte manier is gepleegd.

Een dergelijke overval maakt niet alleen een grove inbreuk op het gevoel van veiligheid van het slachtoffer maar heeft doorgaans ook impact op mensen uit de wijk en de samenleving als geheel.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne voor een periode van ruim drie jaar en negen maanden. Verdachte had ook een hoeveelheid cocaïne voorhanden in de woning waar hij verbleef. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving, onder andere vanwege de criminaliteit die het gebruik van verdovende middelen veelal met zich brengt en het overlast gevende gedrag waaraan verslaafden zich vaak schuldig maken. Verdachte heeft dit, met de handel in cocaïne, voor een lange periode mede in stand gehouden en daarbij ook hier kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 26 augustus 2020 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in 2003, 2004 en 2005 is veroordeeld voor vermogensdelicten. Tevens blijkt uit het uittreksel dat verdachte op

3 januari 2018 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Nu deze straf is opgelegd nadat de bewezenverklaarde feiten -zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld- zijn gepleegd, houdt de rechtbank op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met deze veroordeling.

Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde misdrijven genomen.

De straf

Kijkend naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten is een gevangenisstraf de enige passende straf. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De overval

De rechtbank stelt vast dat er geen oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn, die toezien op een specifieke overval zoals die is bewezenverklaard. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij het oriëntatiepunt dat ziet op een overval op geldtransport. Het oriëntatiepunt dat ziet op een overval op geldtransport met ander geweld, niet zijnde licht geweld of bedreiging met geweld, gaat uit van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank de mate van professionaliteit van de voorbereiding en de uitvoering van de overval mee, evenals het feit dat dit in een samenwerkingsverband plaatsvond. Al in de zomer van 2015 heeft verdachte het plan opgevat, waarbij hij al uitvoerig overleg pleegt over details van de overval. In januari 2016 komt het tot een uitvoering van dit plan. Op 25 januari 2016 wordt de bestelling geplaatst en vijf dagen later vindt de overval plaats. Uit alle telecomgegevens is gebleken dat verdachte actief betrokken was bij de overval, zowel in de dagen ervoor als ook gedurende de overval.

Daarbij weegt de rechtbank mee dat de koerier in de val is gelokt en er vervolgens excessief (en nodeloos, in de zin dat de koerier zijn sleutels had willen afgeven) geweld tegen hem is gebruikt, waarbij met een vuurwapen (op het hoofd van het slachtoffer) en met de dood is gedreigd.

Tot slot neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid de ernst van het psychische letsel bij het slachtoffer mee. Het slachtoffer was in die zin kwetsbaar dat hij nietsvermoedend zijn werkzaamheden aan het uitvoeren was, die meebrengen dat hij bij mensen aan en soms in huis moet komen. Bij het slachtoffer is PTSS (post traumatische stress) gediagnostiseerd ten gevolge van de overval.

Gelet op bovenstaande omstandigheden gaat de rechtbank voor het onder 1 primair bewezenverklaarde feit uit van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Het dealen en aanwezig hebben van cocaïne

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor het (met enige regelmaat) dealen van harddrugs gedurende 6 tot 12 maanden uit van een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Gelet op de aanzienlijke periode waarin verdachte cocaïne heeft gedeald, namelijk drie jaren en ruim negen maanden, gaat de rechtbank voor de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Redelijke termijn

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft erg lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk behandeld kon worden. Verdachte heeft onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak. De rechtbank zal deze omstandigheid op navolgende wijze compenseren in de straf.

In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van zijn woning op 17 oktober 2016. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 17 oktober 2018, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet echter pas op

4 november 2020 uitspraak. De redelijke termijn is daarmee met ongeveer 24 maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding van de termijn die niet aan de verdediging te wijten is. De rechtbank houdt anderzijds rekening met het feit dat, vanwege het coronavirus en de daarmee samenhangende gevolgen voor het zittingsrooster van de rechtbank, de zaak in 2020 niet eerder op zitting kon worden gepland. De rechtbank noch het Openbaar Ministerie heeft daar invloed op gehad.

Conclusie ten aanzien van de straf

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot een hogere straf dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 32.181,31. Dit bedrag bestaat uit € 19.681,31 materiële schade en € 12.500,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het voorstelbaar dat [slachtoffer] ten gevolge van de overval niet meer heeft kunnen werken. Het verlies aan inkomen van 1 februari 2017 tot 1 februari 2018 komt volgens de officier van justitie dan ook voor vergoeding in aanmerking. Voor wat betreft het verlies aan inkomen vanaf de periode van 1 februari 2018 refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Mocht de beoordeling daarover te ingewikkeld worden voor deze strafprocedure, dan verzoekt de officier van justitie de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie acht de hoogte van de gevorderde immateriële schade passend en verzoekt om deze schade volledig toe te wijzen. Tot slot verzoekt de officier van justitie bij een toewijzing deze hoofdelijk op te leggen en de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van de vordering benadeelde partij bepleit, omdat zij vrijspraak heeft bepleit en (subsidiair) omdat, gelet op civielrechtelijke vraagstukken zoals het causaal verband tussen de schade en het strafbare feit, de vordering te complex is.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van de hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde gewapende overval rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

Reiskosten

Vaststaat dat [slachtoffer] verschillende behandelingen heeft ondergaan voor de gediagnostiseerde PTSS en regelmatig zijn bedrijfsarts heeft moeten bezoeken. De rechtbank acht de deels geschatte reiskosten die daarmee gemoeid zijn voor toewijzing vatbaar en zal het bedrag van € 344,50 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
4 februari 2016.

Verder staat vast dat [slachtoffer] het politiebureau te Almere twee maal heeft moeten bezoeken. Eén keer ten behoeve van een verhoor en één keer ten behoeve van een gezichtsherkenningstest. De rechtbank acht de reiskosten die daarmee gemoeid zijn voldoende onderbouwd en zal het bedrag van € 95,47 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2016 .

Parkeerkosten

De rechtbank zal de parkeerkosten van € 4,00 toewijzen, nu [slachtoffer] dit bedrag heeft betaald toen hij het politiebureau in Almere bezocht ten behoeve van de gezichtsherkenningstest. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

28 oktober 2016.

Ziektekosten

De ziektekosten ter hoogte van € 250,00 acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer] zal dan ook ter hoogte van dit bedrag in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. [slachtoffer] kan deze schadepost bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verlies arbeidsvermogen

De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat [slachtoffer] ten gevolge van de gewapende overval zijn werkzaamheden als koerier heeft moeten staken. Tot 1 februari 2017 heeft de werkgever van [slachtoffer] iedere maand zijn netto maandsalaris ter hoogte van

€ 1.620,89 uitbetaald. Per 1 februari 2017 is het salaris aangepast naar 70% van voornoemd maandsalaris. Dit betekent dat [slachtoffer] van 1 februari 2017 tot 1 februari 2018 per maand € 440,84 aan inkomensverlies heeft gehad. Dit komt neer op € 440,84 maal 12 maanden, is
€ 5.290,08. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2018.

Ten aanzien van het verlies aan inkomen dat [slachtoffer] na 1 februari 2018 heeft geleden, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft de raadsvrouw bepleit dat deze vordering thans nog niet kan worden beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de vraag of verdachte ook aansprakelijk is voor het verlies van inkomen dat [slachtoffer] na 1 februari 2018 heeft geleden, nadere onderbouwing behoeft nu informatie van – onder meer – het UWV over de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, ontbreekt. Aanhouding van de procedure ten einde [slachtoffer] daartoe in de gelegenheid te stellen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom wordt [slachtoffer] voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. [slachtoffer] kan deze schadepost bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Maaltijdvergoedingen

Het deel van de vordering bestaande uit het niet hebben gekregen van maaltijdvergoedingen van 1 februari 2016 tot 1 februari 2018 ter hoogte van € 2.880,00 komt volgens het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. [slachtoffer] heeft in die periode niet gewerkt waardoor hij geen extra kosten heeft hoeven maken voor maaltijden gedurende zijn werk. Dit bedrag zal dan ook worden afgewezen.

Immateriële schade

Voor vergoeding van geestelijk letsel is op grond van art. 6:106, eerste lid onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vaststelling dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd. Gelet op de door een GZ-psycholoog gediagnostiseerde PTSS (post traumatische stress) als gevolg van de onder 1 primair bewezenverklaarde gewapende overval stelt de rechtbank vast dat er sprake is van geestelijk letsel.

[slachtoffer] heeft in zijn vordering tot schadevergoeding toegelicht dat hij zich vanaf het begin van de overval zeer angstig en vernederd heeft gevoeld. Daarnaast heeft [slachtoffer] tot de dag van de zitting last van slapeloosheid, herbelevingen, onvermogen zich te ontspannen, prikkelbaarheid, snel geïrriteerd zijn, gespannenheid, angst- en paniekaanvallen met vaak schrikreacties, boosheid over wat hem is overkomen, soms huilbuien, lusteloosheid en concentratieproblemen. [slachtoffer] heeft vanaf 30 januari 2016 tot de dag van de zitting verschillende behandelingen gevolgd voor zijn psychische klachten en op de zitting heeft [slachtoffer] naar voren gebracht dat hij naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn nogmaals zal worden opgenomen voor een behandeling van de PTSS.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op € 12.500,00 (zegge twaalf duizend en vijf honderd euro) dient te worden vastgesteld.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij J.P. [slachtoffer] toewijzen tot een

bedrag van in totaal € 18.234,05 (zegge: achttien duizend twee honderd vierendertig euro en

vijf eurocent).

Hoofdelijk

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook hoofdelijk veroordelen tot betaling van het gehele bedrag.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van
€ 18.234,05 (zegge: achttien duizend twee honderd vierendertig euro en vijf eurocent) waarvan

  • -

    € 344,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2016;

  • -

    € 95,47 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2016;

  • -

    € 4,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016;

  • -

    € 5.290,08 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2018;

  • -

    € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2016;

tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 126 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .

Proceskosten

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

10 BEVEL GEVANGENNEMING

De rechtbank zal op de voet van artikel 65 lid 2 Wetboek van Strafvordering de gevangenneming van verdachte bevelen en licht dat als volgt toe.

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld (art 312 lid 2 ahf sub 2 Sr). De ernstige bezwaren volgen uit dit veroordelend vonnis.

Uit omstandigheden is gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert, namelijk veroordeling ter zake van een feit waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een zeer gewelddadige overval. De rechtbank onderkent dat er veel tijd heeft gezeten tussen de aanhouding van verdachte en zijn berechting en heeft daarmee blijkens het hiervoor vermelde strafvonnis in de strafmaat rekening gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank neemt het enkele tijdverloop of het gegeven dat de aanvankelijk gelaste voorlopige hechtenis op enig moment niet is verlengd, niet weg dat er thans sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde. De rechtsorde is immers geschokt door het feit en niet door de (identiteit van) de dader. Daar komt bij dat de ernstige bezwaren – die door de rechter-commissaris in het bevel bewaring, bij die stand van het onderzoek, nog bestempeld werden als ‘niet heel vet’ – thans worden ingevuld met onderhavige veroordeling en oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Nu de rechtbank de betrokkenheid van verdachte, als mededader bij dit zware misdrijf, heeft vastgesteld herleeft de geschokte rechtsorde ten aanzien van verdachte. Het zou voor de samenleving niet te begrijpen en niet aanvaardbaar zijn als een verdachte, van wie de betrokkenheid bij een feit als het onderhavige is vastgesteld, een (eventueel) verder verloop van het strafproces in vrijheid zou mogen afwachten. Dat zou tot maatschappelijke onrust kunnen leiden. Dit vereist de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte. Voorts doet aan een en ander niet af dat de invrijheidstelling van verdachte destijds mogelijk niet gepaard is gegaan met maatschappelijke onrust aangezien de invrijheidstelling destijds was gebaseerd op het ontbreken van (‘vette’) ernstige bezwaren terwijl er thans een veroordelend vonnis ligt.

Daarnaast dient er ernstig rekening mee worden gehouden, dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Verdachte is in het verleden eerder veroordeeld ter zake van onder meer een vermogens-, gewelds- en Opiumwetdelict, ook tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Na het onderhavige delict is verdachte nog veroordeeld ter zake van mensenhandel, ook tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft met zijn proceshouding geen inzicht gegeven in hoe hij tot dit delict is gekomen en heeft niet mee willen werken aan het opstellen van een reclasseringsrapportage. Gelet op onder meer het gesprek met [A] ontstaat het beeld van een verdachte die berekenend en nietsontziend te werk kan gaan. Verdachte heeft de rechtbank geen enkel handvat geboden om te veronderstellen dat dit gevaar met het verstrijken van een aantal jaren geweken is of op een verantwoorde manier kan worden ingetoomd.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36f, 47, 57, 63, 312 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Bevel gevangenneming:

- beveelt de gevangenneming van verdachte. Het bevel tot gevangenneming is apart geminuteerd;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 18.234,05 (zegge: achttien duizend twee honderd vierendertig euro en vijf eurocent) bestaande uit een vergoeding van € 5.734,05 aan materiële schade een vergoeding van € 12.500,00 aan immateriële schade;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] af voor een bedrag van
€2.880,00;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van het restant van zijn vordering van € 11.067,26 niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag van
€ 18.234,05 aan de benadeelde partij [slachtoffer] , waarvan

 € 344,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2016;

 € 95,47 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2016;

 € 4,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016;

 € 5.290,08 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2018;

 € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2016;

tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de Staat € 18.234,05 (zegge: achttien duizend twee honderd vierendertig euro en vijf eurocent) te betalen, waarvan

 € 344,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2016;

 € 95,47 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2016;

 € 4,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016;

 € 5.290,08 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2018;

 € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2016;

tot de dag van volledige betaling, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, bij geen betaling aan te vullen met 126 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij [slachtoffer] dan wel aan de Staat heeft/hebben vergoed;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en M.C. Danel rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 november 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1 primair

hij op of omstreeks 30 januari 2016 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een koffer met daarin een scanapparaat, een pinautomaat, een mini-PC en/of

- een personenauto (merk: Volkswagen, type: Caddy, kenteken [kenteken] ), en/of

- 20, althans een groot aantal, mobiele telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en

- een mobiele telefoon en/of

- een tas en/of

- huissieutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

- gekleed met een masker/bivakmuts over zijn/hun hoofd en/of een capuchon over zijn/hun hoofd dragend die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen een (vrijwel leegstaand) appartement aan de [straat] te [woonplaats] binnen te gaan en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, op het voorhoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en (vervolgens) een knietje in diens rug heeft/hebben gegeven en/of

- die [slachtoffer] bij de armen en/of schouders heeft/hebben gepakt en hem een verdieping omhoog heeft/hebben getrokken/gesleurd en/of gebracht en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gefouilleerd en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en tegen zijn hoofd heeft/hebben gehouden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] naar achteren heeft/hebben getrokken en/of

- tape over/om het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gewikkeld en/of

- de handen van die [slachtoffer] heeft/hebben geboeid met handboeien en/of

- die [slachtoffer] aan zijn armen en nek omhoog heeft/hebben getrokken en hem een (inbouw)kast in heeft/hebben geduwd en de kast van de deur dicht heeft/hebben gedaan en/of

- ( meermalen, althans eenmaal, terwijl die [slachtoffer] zich in een/die kast bevond) een pistool op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of

- die [slachtoffer] gezegd: “je moet je mond houden, anders word je neergeschoten” en/of ‘liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren” en/of “stil zijn”, althans woorden van een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

feit 1 subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer nog onbekend gebleven perso(o)nen op of omstreeks 30 januari 2016 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een koffer met daarin een scanapparaat, een pinautomaat, een mini-PC en/of

- een personenauto (merk: Volkswagen, type: Caddy, kenteken [kenteken] ) , en/of

- 20, althans een groot aantal, mobiele telefoons,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf] BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

en

- een mobiele telefoon en/of

- een tas en/of

- huissleutels,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere

deelnemers aan dat misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer nog onbekend gebleven perso(o)nen,

- gekleed met een masker/bivakmuts over zijn/hun hoofd en/of een capuchon over zijn/hun hoofd dragend die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen een (vrijwel leegstaand) appartement aan de [straat] te [woonplaats] binnen te gaan en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, op het voorhoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en (vervolgens) een knietje in diens rug heeft/hebben gegeven en/of

- die [slachtoffer] bij de armen en/of schouders heeft/hebben gepakt en hem een verdieping omhoog heeft/hebben getrokken/gesleurd en/of gebracht en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gefouilleerd en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en tegen zijn hoofd heeft/hebben gehouden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] naar achteren heeft/hebben getrokken en/of

- tape over/om het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gewikkeld en/of

- de handen van die [slachtoffer] heeft/hebben geboeid met handboeien en/of

- die [slachtoffer] aan zijn armen en nek omhoog heeft/hebben getrokken en hem een (inbouw)kast in heeft/hebben geduwd en de kast van de deur dicht heeft/hebben gedaan en/of

- ( meermalen, althans eenmaal, terwijl die [slachtoffer] zich in een/die kast bevond) een pistool op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of

- die [slachtoffer] gezegd: “je moet je mond houden, anders word je neergeschoten” en/of “liggen jij, ik schiet je kapot, niet verroeren” en/of “stil zijn”, althans woorden van een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks de periode 1 juni 2015 tot en met 30 januari 2016 te Almere en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- meermalen, in elk geval éénmaal, telefonisch contact te hebben met [contact] (bewoner van [adres] te [woonplaats] ) en/of aan voornoemde [contact] informatie heeft gevraagd en/of informatie van voornoemde [contact] informatie heeft gekregen omtrent die woning aan de [adres] en/of

- voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer andere (nog) onbekende pers(o)on(en) de adresgegevens [adres] heeft verschaft en/of

- voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer nog onbekend gebleven perso(o)n(en) informatie heeft verschaft over 6f de woning aan de [adres] werd bewoond en/of hoe voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer nog onbekend gebleven perso(o)n(en) zich de toegang tot die woning aan de [adres] zou(den) kunnen verschaffen en/of

- de naam [B] en de bankpas en/of de bankpasgegevens (rekeningnummer: [rekeningnummer] ) van voornoemde [B] ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer (nog) onbekend gebleven perso(o)n(en) (ten behoeve van de bestelling van één of meer telefoon(s) bij [bedrijf] B.V. en/of bedoeld om voornoemde [slachtoffer] , in elk geval een koerier/bezorger van [bedrijf] , naar voornoemde woning ( [adres] te [woonplaats] ) te doen komen);

feit 2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 oktober 2016 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3

hij op of omstreeks 17 oktober 2016 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, met onderzoeksnummer 2016032069, opgemaakt door Politie Midden-Nederland, districtsrecherche Flevoland, Roofteam, doorgenummerd 1 tot en met 11023. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 186.

3 Proces-verbaal van aangifte, pagina 187.

4 Proces-verbaal van aangifte, pagina 188.

5 Proces-verbaal van aangifte, pagina 189.

6 Proces-verbaal van aangifte, pagina 190.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 114.

8 Schriftelijke bescheid, inhoudende een e-mail van [bedrijf] op 30 januari 2016, pagina 117.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 130.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 127.

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 176.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 177.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 178.

14 Proces-verbaal van gevorderde gegevens , pagina 179.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 322.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 332.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 3146.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 641.

19 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 654.

20 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 655.

21 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 656.

22 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 657.

23 Proces-verbaal van de terechtzitting van 7 oktober 2020

24 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2434.

25 Proces-verbaal van verhoor , pagina 2435.

26 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2437.

27 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 3159.

28 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 3182.

29 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 683.

30 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 684.

31 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 685.

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 3146.

33 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 5015.

34 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 5018.

35 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 5037.

36 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 674.

37 Bijlage van het proces-verbaal van bevindingen, pagina 675.

38 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2434.

39 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2435.

40 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2437.

41 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 5077

42 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 5167.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 5214.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 5215.

45 Proces-verbaal van verhoor van getuige, pagina 5216.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 5205.

47 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 5207.

48 Proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen goederen, pagina 5231.

49 Proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen goederen, pagina 5232.