Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4737

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-10-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
8037900 UC EXPL 19-9952
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5:44 lid 2 BW Beschadiging van de vanaf het buurperceel doorgroeiende boomwortels door graafwerkzaamheden op het eigen perceel is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8037900 UC EXPL 19-9952 SM/1152

Vonnis van 7 oktober 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: DAS rechtsbijstand,

tegen:

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. Chr. D. de Vos.

1 De procedure.

1.1.

[eiser] heeft een vordering ingesteld tegen [gedaagde] met een dagvaarding met producties. [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord met producties ingediend. Aan partijen is meegedeeld dat de kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk verder wordt geprocedeerd in verband met de beperkte zittingscapaciteit als gevolg van de maatregelen om verspreiding van het coronavirus (COVID-19) tegen te gaan. Partijen hebben daarna met conclusies van repliek en dupliek op elkaars standpunt en nader ingediende stukken gereageerd. Bij de conclusie van repliek heeft [eiser] zijn eis vermeerderd

1.2.

De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn buren. Op 19 november 2016 heeft [gedaagde] vanwege de bouw van een fietsenstalling op haar perceel graafwerkzaamheden uitgevoerd tegen de erfgrens met het perceel van [eiser] . Daarbij is over een lengte van 15 meter 60 cm afgegraven en op enkele plaatsen (waar de poeren van het bouwwerk kwamen te staan) op een diepte van 100 cm. Bij deze graafwerkzaamheden zijn de wortels van twee (valse) acacia’s die op het perceel van [eiser] staan beschadigd. [eiser] heeft [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aansprakelijk gesteld voor de schade aan de bomen die volgens hem als gevolg van deze wortelbeschadiging is ontstaan.

2.2.

In deze procedure vordert [eiser] (na vermeerdering van eis) dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan hem een schadevergoeding te betalen van € 20.550,25 (een hoofdsom van € 14.058,60 en een bedrag van € 6.491,65 aan expertisekosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom en een bedrag van € 1.367,74 voor buitengerechtelijke kosten.

2.3.

[gedaagde] heeft tegengesproken dat zij aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade. Zij erkent dat de wortels van de acacia’s bij de graafwerkzaamheden enigszins zijn beschadigd, maar volgens haar heeft dat geen (blijvende) schade aan deze bomen tot gevolg. Als dat wel zo zou zijn heeft [eiser] volgens haar onvoldoende maatregelen genomen om (blijvende) schade te voorkomen. Verder heeft zij de hoogte van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding en de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten betwist.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij de graafwerkzaamheden een deel van de wortels van de acacia’s is weggehakt. Bij de beoordeling of [gedaagde] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, is artikel 5:44 lid 2 BW van belang. In dat artikel staat dat de eigenaar van een erf waarop wortels van een boom die op het naburige erf staat doorschieten, deze wortels mag weghakken en zich toe-eigenen. Het is dus in beginsel niet onrechtmatig om de wortels van het buurperceel die onder het eigen erf doorgroeien weg te hakken en te verwijderen. Dat betekent ook dat het in beginsel niet onrechtmatig is als de vanaf het buurperceel groeiende wortels worden beschadigd door graafwerkzaamheden, zoals in dit geval is gebeurd. Het feit dat er schade is veroorzaakt betekent dus nog niet dat er onrechtmatig is gehandeld, en dat er een verplichting is om de schade te vergoeden. De perceeleigenaar mag echter geen misbruik maken van zijn bevoegdheid, door onevenredig grote schade aan de bomen te veroorzaken. Daarvan kan sprake zijn als de bomen ernstig zijn beschadigd en deze ernstige schade redelijkerwijs was te voorzien en te voorkomen.

3.2.

In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid (om te graven en daarbij wortels te verwijderen) door onevenredig grote schade te veroorzaken. In dat kader is tussen partijen in geschil of de bomen ernstig of zelfs onherstelbaar zijn beschadigd door wortelverlies ten gevolge van de graafwerkzaamheden op het perceel van [gedaagde] . Beide partijen hebben hun standpunten onderbouwd met deskundigenrapporten. [eiser] heeft advies gevraagd van [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) en [gedaagde] heeft advies gevraagd van [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ).

3.3.

Partijen maken elkaar over en weer het verwijt dat zij een eenzijdig een rapport hebben laten opstellen. Een rapport dat partijen gezamenlijk laten opstellen biedt over het algemeen het voordeel dat zij het eens zijn over de vraag wat onderzocht moet worden en welke vragen er aan de deskundige gesteld moeten worden. Dat wil echter niet zeggen dat een eenzijdig opgesteld rapport geen rol kan spelen bij de beoordeling van een geschil. In dit geval heeft de kantonrechter geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van een van beide deskundigen. Beiden zijn beëdigd boomtaxateur en in het bezit van het keurmerk European Tree Technician (ETT). Beide deskundige hebben duidelijk gemaakt dat zij onderzoek ter plaatse hebben gedaan. De kantonrechter gaat daarom ook voorbij aan het bezwaar van partijen over en weer dat de deskundige zich slechts baseert op schriftelijke en mondelinge informatie zonder eigen onderzoek te hebben gedaan. Voor het overige zijn er geen zwaarwegende bezwaren naar voren gebracht over de inhoud of de totstandkoming van de rapporten. De rapporten van beide deskundigen zijn daarom bij de beoordeling betrokken.

3.4.

[onderneming 1] heeft door middel van een stabiliteitsproef vastgesteld dat de stabiliteit van de bomen is verminderd. [onderneming 1] komt op basis van die proef tot de conclusie dat de wortels van de bomen ernstig en onherstelbaar zijn beschadigd. Daarbij is niet aangegeven of - en zo ja in hoeverre - de instabiliteit het gevaar van omwaaien van de bomen heeft vergroot. Volgens [onderneming 2] kan op grond van de stabiliteitsproef niet zonder meer worden vastgesteld dat ook de dikke stabiliteitswortels (die op grotere diepte wortelen) zijn beschadigd. Zij beschrijft de feitelijke situatie en de factoren die in de gegeven omstandigheden van invloed zijn op de beschadiging van de wortels en de mogelijkheid tot herstel. [onderneming 2] heeft een grondboring gedaan waaruit volgens haar blijkt dat de bomen wortelen tot een diepte van ongeveer 120 cm. Zij heeft opgemerkt dat de dikte van de afgerukte wortels beperkt is tot een dikte van maximaal vier cm. Zij baseert dit op een mededeling van [gedaagde] , maar vooral op de foto’s van de graafwerkzaamheden. Zij heeft er op gewezen dat de wortelaanzetten die onder een hoek van ca 45 graden de grond in gaan een aanwijzing zijn dat de zwaardere wortels van de boom zich dieper in de grond bevinden. Zij heeft erop gewezen dat de bomen aan de westzijde aan hun stamvoet voldoende doorwortelbare ruimte hebben en dat er de bestrating van de fietsenstalling een redelijke zuurstofuitwisseling mogelijk maakt, waardoor de wortels tot tenminste een meter onder de stalling kunnen doorgroeien. Verder heeft [onderneming 2] bij een inspectie van de bomen in augustus 2019 geconstateerd dat beide bomen een goede vitaliteit hebben. Zij wijst erop dat [gedaagde] haar advies heeft opgevolgd om humusrijke grond aan te brengen in de sleuf. De bomen staan volgens haar goed in het blad en er is geen aanwijzing in de top van de kroon dat de bomen aan het insterven of aan het verzwakken zijn door te zwaar wortelverlies.

3.5.

De omstandigheid dat de bomen drie zomers goed hebben doorstaan zonder dat er maatregelen zijn genomen, biedt steun aan de stelling van [onderneming 2] dat de dieper gelegen wortels niet zijn beschadigd. [onderneming 1] heeft ook niet tegengesproken dat de bomen er vitaal uitzien. Met de reactie dat een visuele waarneming niets zegt over de stabiliteit, gaat [onderneming 1] eraan voorbij dat [onderneming 2] niet heeft tegengesproken dat de stabiliteit van de bomen is verminderd, maar heeft onderzocht hoe de bomen er na drie seizoenen bijstaan. [onderneming 1] is ook niet ingegaan op het onderzoek van [onderneming 2] naar de (diepte van) de wortels en de mogelijkheden tot herstel. [onderneming 1] heeft herhaald dat de mate van beschadiging blijkt uit de stabiliteitsproef en in het algemeen aangegeven dat de beschadiging van de wortels mogelijk leidt tot inrotting van de wortels.

3.6.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat weliswaar duidelijk is dat de wortels van de bomen zijn beschadigd, maar dat niet is aangetoond dat de bomen door de graafwerkzaamheden aan de wortels zo ernstig zijn beschadigd dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] . Daarbij is ook van belang dat niet is toegelicht of onderbouwd dat [gedaagde] voorzorgsmaatregelen had kunnen treffen waarmee de schade aan de wortels zou zijn voorkomen en/of dat zij de werkzaamheden op een andere manier had kunnen uitvoeren.

3.7.

De conclusie is dat [gedaagde] geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om wortels van de bomen van [eiser] die onder haar perceel doorgroeiden weg te hakken. Omdat er geen sprake is van onrechtmatig handelen is er ook geen grond om [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding. De vorderingen worden afgewezen.

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00) voor salaris van haar gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 120 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

4.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020.