Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4726

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
C/16/493662 / HA ZA 20-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident, Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de tegen de Cypriotische wederpartij ingestelde vorderingen ogv artt. 17-19 Brussel Ibis-Vo en van de tegen haar bestuurders ingestelde vorderingen ogv art. 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/493662 / HA ZA 20-4

Vonnis in incident van 28 oktober 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna: [eiser] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M. Dekkers te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde sub 1] ,

tevens handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] , Cyprus,

hierna: [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] , Cyprus,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats 3] , Cyprus,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats 3] , Cyprus,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 3] , Cyprus,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[gedaagde sub 6] LIMITED,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Cyprus,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

hierna samen: [gedaagde sub 1] c.s.,

advocaat mr. P. Katz te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen met producties 1 tot en met 14,

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 7,

- de incidentele conclusie van antwoord met producties 15 tot en met 18,

- de akte uitlating producties van [gedaagde sub 1] c.s.,

- de rolbeslissing van de rechtbank tot het wijzen van vonnis in het incident,

- het verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. om de beslissing aan te houden,

- de reactie daarop van [eiser] ,

- de nadere reactie van [gedaagde sub 1] c.s.,

- het verzoek van [eiser] om deze nadere reactie buiten beschouwing te laten.

2 De feiten in het incident

2.1.

[gedaagde sub 1] biedt via een online platform handel aan in diverse financiële producten, waaronder Contracts for Differences (CfD’s). [gedaagde sub 1] handelde tot voor kort ook onder de naam [handelsnaam] . Gedaagden 2 tot en met 6 zijn de bestuurders van [gedaagde sub 1] .

2.2.

[eiser] heeft zich op 25 april 2019 via een Nederlandstalige website van [gedaagde sub 1] geregistreerd als klant van [gedaagde sub 1] . Met het aangemaakte account had [eiser] toegang tot het online handelsplatform van [gedaagde sub 1] en kon hij ten behoeve van zijn beleggingen via iDEAL geld overmaken naar een klantrekening bij [gedaagde sub 1] . Dezelfde dag heeft [eiser] de vereiste minimuminleg van € 1.000,00 overgeboekt.

2.3.

Op 30 april 2019 heeft [eiser] een formulier ingediend houdende een verzoek om als professionele klant te worden behandeld. Vervolgens heeft hij een “professional account” gekregen.

2.4.

[eiser] heeft in de periode van 25 april 2019 tot en met 13 mei 2019 in totaal een bedrag van € 420.000,00 op een klantrekening bij [gedaagde sub 1] gestort. Van deze inleg is hij een bedrag van € 417.631,34 kwijtgeraakt.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank:

I voor recht verklaart dat alle rechtshandelingen tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] nietig zijn, althans dat deze buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze vernietigt en voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] ,

I [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om € 417.631,34 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 mei 2019,

III [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt in de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen - kort gezegd - het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat uit onderzoek naar de handelspraktijken van [gedaagde sub 1] is gebleken dat haar werkwijze lijkt op de werkwijze van boilerrooms: frauduleuze beleggingsondernemingen die onder valse voorwendselen en met listige kunstgrepen potentiële particuliere beleggers geld afhandig maken. [eiser] gaat er daarom vanuit dat met de door [gedaagde sub 1] online gecreëerde handelstool geen reële producten zijn verkocht en er dus sprake is van bedrog en oplichting (beleggingsfraude). Als er wel reële producten zijn verkocht, dan geldt dat deze verkoop in strijd is met het wettelijke verbod op de verkoop van binaire opties en CfD’s met hoge hefbomen aan niet-professionele beleggers. Verder stelt [eiser] dat hij door [gedaagde sub 1] op verschillende manieren is misleid, bewust onjuist en onvolledig is geïnformeerd en in strijd met zijn belangen is geadviseerd, zodat hij door toedoen van [gedaagde sub 1] heeft gedwaald bij het doen van de investeringen. Gelet op dit alles zijn de rechtshandelingen tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] nietig c.q. vernietigbaar. Daarbij heeft [gedaagde sub 1] oneerlijke, althans agressieve handelspraktijken verricht, niet voldaan aan haar zorgplicht en in strijd gehandeld met hetgeen maatschappelijk betamelijk is en dat is onrechtmatig jegens [eiser] . Volgens [eiser] hebben de bestuurders van [gedaagde sub 1] door deze activiteiten van [gedaagde sub 1] te ontplooien, althans in stand te houden en daarmee in strijd te handelen met de wet dusdanig onzorgvuldig gehandeld dat hen dit persoonlijk valt te verwijten en zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade. [eiser] heeft de met [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst vernietigd. Hij vordert terugbetaling van € 417.631,34 aan inleg, omdat dit als gevolg van de nietigheid, althans de vernietiging van de rechtshandelingen, onverschuldigd door hem is betaald en zijn schade ook op dat bedrag kan worden begroot.

4 Het geschil in het incident

4.1.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart ten aanzien van alle door [eiser] ingestelde vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

[gedaagde sub 1] c.s. legt - kort gezegd - aan haar vorderingen ten grondslag dat in de met [eiser] gesloten overeenkomst een forum- en rechtskeuzebeding is opgenomen dat luidt:

“39. GOVERNING LAW AND JURISDICTION

  • -

    This Agreement, and all non-contractual claims or disputes between us, are governed by and shall be construed in accordance with the laws of the Republic of Cyprus.

  • -

    Cyprus courts shall have exclusive jurisdiction to settle any dispute arising out of or in connection with this Agreement.”

Gelet op het bepaalde in artikel 25 Brussel Ibis-Vo1 is op grond daarvan de Cypriotische rechter exclusief bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] niet als consument gehandeld, zodat hij zich niet kan beroepen op de consumentenbescherming van afdeling 4 van de Brussel Ibis-Vo (artikelen 17 tot en met 19) en hij dus niet kan kiezen voor de Nederlandse rechter. Verder voert [gedaagde sub 1] c.s. aan dat de Cypriotische rechter ook bevoegd is op grond van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo, omdat het vermeende schadebrengende feit zich heeft voorgedaan op Cyprus.

4.3.

[eiser] voert hiertegen verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

De rechtbank zal eerst beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van de tegen [gedaagde sub 1] ingestelde vorderingen aan de hand van de toepasselijke Brussel Ibis-Vo.

5.2.

Partijen twisten over de vraag of het door [gedaagde sub 1] c.s. aangehaalde forumkeuzebeding onderdeel uitmaakt van de tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven gelet op het navolgende.

5.3.

Het gaat in dit bevoegdheidsincident in de kern om de vraag of [eiser] een beroep toekomt op artikel 17 e.v. van Brussel Ibis-Vo, zoals hij stelt en [gedaagde sub 1] c.s. betwist. Als dat zo is, dan is de Nederlandse rechter op grond van artikel 18 lid 1 Brussel Ibis-Vo in beginsel bevoegd om van de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde sub 1] kennis te nemen.

5.4.

Artikel 17 lid 1 Brussel Ibis-Vo is van toepassing wanneer voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden dat:

  • -

    één van de contractanten een consument is, die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd,

  • -

    er daadwerkelijk een overeenkomst is gesloten tussen deze consument en een bedrijfs- of beroepsmatig handelende persoon, en

  • -

    deze overeenkomst onder één van de in artikel 17 lid 1 onder a), b) en c) bedoelde categorieën valt.

5.5.

Tussen partijen is alleen in geschil of aan de eerste voorwaarde is voldaan, dus of [eiser] aangemerkt kan worden als “consument” in de zin van deze bepaling. Over dit begrip heeft het HvJEU diverse arresten gewezen (laatstelijk HvJ EU 2 april 2020, AU/Reliantco, C-500/18), waarin het volgende is bepaald:

  • -

    het begrip “consument” moet restrictief worden uitgelegd op basis van de positie die de betrokken persoon in een bepaalde overeenkomst inneemt in verband met de aard en het doel van deze overeenkomst, en niet op basis van de subjectieve situatie van die persoon,

  • -

    alleen overeenkomsten die een individu los en onafhankelijk van enige bedrijfs- of beroepsmatige activiteit of doelstelling sluit met als enige doel te voldoen aan de eigen particuliere consumptiebehoeften, vallen onder de beschermende regeling van artikelen 17 tot en met 19 Brussel Ibis-Vo,

  • -

    deze bijzondere bescherming is niet gerechtvaardigd wanneer een overeenkomst wordt gesloten omwille van een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit; dat is niet anders wanneer deze activiteit voor de toekomst is gepland,

  • -

    dit betekent dat deze regeling enkel van toepassing is indien de overeenkomst tussen de partijen is gesloten voor een niet bedrijfs- of beroepsmatig gebruik van het goed of de dienst in kwestie,

  • -

    niet relevant is of de consument zich op een specifieke manier gedraagt,

  • -

    bij financiële dienstverleningsovereenkomsten betekent dit dat niet relevant is wat de waarde is van de verrichte transacties, de omvang van de risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van een persoon op het gebied van financiële instrumenten of zijn actieve gedrag bij dergelijke transacties, noch of de consument een groot aantal transacties heeft verricht in een relatief kort tijdsbestek of dat hij grote bedragen in die transacties heeft geïnvesteerd,

  • -

    evenmin is relevant of de betreffende persoon een “niet-professionele belegger” is in de zin van artikel 4 lid 1 onder 12 van de EU-Richtlijn MIFID I2.

5.6.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde sub 1] heeft gesloten in verband met toekomstige beroepsmatige activiteiten als professionele belegger. [eiser] heeft op eigen initiatief contact gezocht met [gedaagde sub 1] om te kunnen handelen in CfD’s. Op 25 april 2019 heeft [eiser] bij zijn registratie als klant van [gedaagde sub 1] aangegeven dat hij meer dan drie jaar ervaring heeft met het doen van investeringen op de financiële markt, dat zijn laatste trade op dat moment minder dan drie maanden oud was, dat het gemiddelde volume van zijn laatste 40 trades tussen de € 10.000,00 en

€ 30.000,00 bedroeg en dat hij jaarlijks € 50.000,00 tot € 100.000,00 wilde gaan investeren in “volative financial assets”, oftewel zeer risicovolle investeringen (productie 3 [gedaagde sub 1] c.s.). Op 30 april 2019 heeft hij het formulier “BECOME AN ELECTIVE PROFESSIONAL CLIENT” ingediend met bevestigende verklaring (producties 4 en 5 [gedaagde sub 1] c.s.), waarmee zijn intentie om aangemerkt te worden als professional is gegeven. [gedaagde sub 1] heeft [eiser] daartoe niet onder druk gezet. Uit het formulier en de verstrekte stukken blijkt dat [eiser] voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als professionele belegger als bedoeld in de EU-Richtlijn MIFID II3. [eiser] heeft namelijk bevestigd dat hij aan de volgende criteria voldoet: “You have opened at least 10 trades quaterly in the last year with leveraged trade size of at least $3,000 in stocks/Crypto and/or $12,500 in Forex/Commodities (with us or any other broker)” en “You have net worth AND/OR a portfolio equivalent or exceeding €500,000 including cash deposits and financial instruments.” [eiser] is dus door [gedaagde sub 1] terecht aangemerkt als professionele cliënt. Het zijn van professionele belegger in de zin van Richtlijn MIFID II sluit volgens [gedaagde sub 1] c.s. uit dat er sprake is van een consument in de zin van artikel 18 Brussel Ibis-Vo. Het woord professional impliceert immers dat deze persoon handelt vanuit zijn of haar professie en dat staat haaks op het zijn van consument. De omstandigheid dat [eiser] heeft aangegeven als professional te handelen moet dan ook als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de positie van [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst, aldus [gedaagde sub 1] c.s.

5.7.

[eiser] betwist dat hij vanuit professioneel oogpunt heeft gehandeld en dat hij als professioneel belegger in de zin van Richtlijn MIFID II kan worden aangemerkt. [eiser] stelt dat hij na het zien van reclames van [gedaagde sub 1] een account heeft aangemaakt op de website van [gedaagde sub 1] . Hij is de overeenkomst aangegaan omdat hij als gepensioneerde zijn pensioen wilde vergroten door te investeren in financiële producten met behulp van een adviseur. Hij heeft dus gehandeld in hoedanigheid van consument. Het initiatief om [eiser] als professionele belegger te classificeren kwam van [gedaagde sub 1] . Haar medewerkers hebben hem onjuist geïnformeerd en hem onder valse voorwendselen met gebruikmaking van psychologische trucs ertoe aangezet om zich als professionele cliënt te laten registreren. [eiser] voldeed ook niet aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als professionele belegger. Hij had weliswaar ervaring met beleggen en de waarde van zijn beleggingsportefeuille was meer dan € 50.000,00, maar hij had nooit gehandeld in CfD’s of binaire opties en hij had geen relevante werkervaring in de financiële sector.

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank is vooralsnog, in het kader van dit incident, voldoende komen vast te staan dat [eiser] in zijn relatie tot [gedaagde sub 1] kan worden aangemerkt als consument in de zin van artikel 17 Brussel Ibis-Vo. Daarvoor is het volgende redengevend. [eiser] heeft naar zijn zeggen in april 2019 een aflevering bekeken van het televisieprogramma “De Wereld Draait Door” (DWDD), waarin een gast vertelde over de mogelijkheden om geld te verdienen met behulp van een computerprogramma dat via een algoritme handelt in aandelen of valuta’s. Op 25 april 2019 is [eiser] vervolgens via een link op de website van DWDD op een website van [gedaagde sub 1] terechtgekomen (productie 4 [eiser] ). [eiser] heeft een account aangemaakt en is daarmee gaan handelen. Hij was destijds 71 jaar oud en gepensioneerd. De te beleggen gelden zijn gestort vanaf een privé-bankrekening van [eiser] . Dit geld was afkomstig uit spaarvermogen en beleggingen. Volgens [eiser] streefde hij geen zakelijk doel na met de beleggingen, maar een particulier doel, te weten het verhogen van zijn pensioenvermogen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat [eiser] de overeenkomst heeft gesloten in verband met (al dan niet toekomstige) beroepsmatige activiteiten als professioneel belegger. Dat [eiser] korte tijd later een professioneel account bij [gedaagde sub 1] heeft verkregen, maakt niet dat hij ineens is gaan handelen in de uitoefening van een bedrijf of beroep (vgl. ECLI:NL:GHARL:2020:5062).

5.9.

De verklaring in het formulier dat [eiser] als professioneel belegger behandeld wilde worden (als bedoeld in Richtlijn MIFID II) is ook niet relevant bij de beoordeling of een natuurlijk persoon aangemerkt moet worden als consument in de zin van artikel 17 Brussel Ibis-Vo. Deze verordeningen hebben verschillende draagwijdtes en doelstellingen (vgl. HvJEU 3 oktober 2019, Petrúchova, C-208/18). Bij Richtlijn MIFID II gaat het (net als bij voorganger MIFID-I) onder meer om de bescherming van de belegger, terwijl het bij de Brussel Ibis-Vo gaat om het bepalen van de bevoegde rechter. Er gelden ook andere voorwaarden voor het zijn van “professionele belegger” dan voor het zijn van “consument”:

  • -

    een “professionele belegger” is een belegger die als professionele cliënt wordt aangemerkt of op verzoek als professionele cliënt kan worden behandeld in de zin van bijlage II van Richtlijn MIFID I (artikel 4 lid 1 Richtlijn MIFID II). De toekenning van de hoedanigheid van “professionele cliënt” veronderstelt dat nagegaan is of de betrokkene voldoet aan ten minste twee van drie criteria: i) dat hij tijdens de vier voorafgaande kwartalen gemiddeld tien transacties van significante omvang per kwartaal heeft verricht, ii) dat de omvang van zijn portefeuille financiële instrumenten groter is dan € 500.000,00 en iii) dat hij gedurende ten minste een jaar een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend in de financiële sector,

  • -

    voor het zijn van “consument” is het objectieve doel van de overeenkomst voor de betrokkene doorslaggevend, namelijk of dat doel is beroeps- of bedrijfsmatig gebruik, dan wel consumptief gebruik. De aard en omvang van de verrichte transacties is daarbij niet van belang, evenmin als de omvang van de portefeuille. Alleen het uitoefenen van een beroep in de financiële sector zou relevant kunnen zijn.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om, zoals [gedaagde sub 1] c.s. wil, een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU over de verhouding tussen Richtlijn MIFID II en de Brussel Ibis-Vo, omdat het antwoord op die vraag voldoende duidelijk volgt uit het hiervoor vermelde arrest van het HvJEU in de zaak Petrúchova.

5.10.

Op basis van de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden moet er dan ook vanuit worden gegaan dat de met [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst door [eiser] is aangegaan los van enig beroep of bedrijf en voor consumptieve doeleinden. Dit betekent dat de forumkeuze voor de Cypriotische rechter waar [gedaagde sub 1] c.s. zich op beroept, die volgens haar gesloten is vóór het ontstaan van het geschil, niet geldig is op grond van artikel 19 Brussel Ibis-Vo. Deze rechtbank is dus op grond van artikel 18 lid 1 Brussel Ibis-Vo bevoegd om van de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde sub 1] kennis te nemen als rechter van de woonplaats van de consument. Het beroep dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft gedaan op artikel 31 lid 2 Brussel Ibis-Vo (op de grond dat inmiddels door haar een procedure op Cyprus tegen [eiser] is aangespannen) faalt. Dat artikellid is immers op grond van artikel 31 lid 4 Brussel Ibis-Vo hier niet van toepassing, gelet op het vorenstaande oordeel. Het verzoek om aanhouding van dit vonnis, dat op dat beroep is gebaseerd, wordt daarom afgewezen.

5.11.

Dan komt de rechtbank toe aan de beoordeling of zij bevoegd is kennis te nemen van de tegen de bestuurders van [gedaagde sub 1] ingestelde vorderingen. Die beoordeling komt neer op beantwoording van de vraag of zij die bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo, zoals [eiser] stelt en [gedaagde sub 1] c.s. betwist.

5.12.

Artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo bevat een bijzondere bevoegdheidsregel op grond waarvan ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad (ook) bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU heeft deze bepaling zowel betrekking op de plaats waar het schadeveroorzakende handelen heeft plaatsgevonden (‘Handlungsort’) als op de plaats waar de schade is ingetreden (‘Erfolgsort’) en moet deze bepaling strikt en autonoom worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden vooralsnog, in het kader van dit incident, worden aangenomen dat de door [eiser] gestelde - als gevolg van het onrechtmatige handelen geleden - schade in Nederland is ingetreden, zodat de rechtbank op die grond bevoegdheid toekomt. Dit zal hierna worden toegelicht.

5.13.

[eiser] heeft ter onderbouwing van het gestelde onrechtmatige handelen van de bestuurders van [gedaagde sub 1] onder meer het volgende aangevoerd. Uit onderzoek is [eiser] gebleken dat [gedaagde sub 1] een façade heeft opgezet met de bedoeling om particulieren onder valse voorwendselen geld afhandig te maken (producties 9, 10 en 11 [eiser] ). Vanaf het moment dat [eiser] een account heeft aangemaakt is er op zeer frequente basis telefonisch en per e-mail contact met hem opgenomen door medewerkers van [gedaagde sub 1] (producties 6 en 7 [eiser] ). Zij hebben hem onder druk gezet om geld in te leggen voor de speculatie in wisselkoersen, waarmee hij volgens hen veel geld zou kunnen verdienen. Tussen 2 mei 2019 en 10 mei 2019 heeft [eiser] ruim € 300.000,00 overgemaakt (productie 8 [eiser] ) en op hun advies geïnvesteerd in (naar [eiser] veronderstelde) de speculatie op wisselkoersen via de online tool. Die inleg is direct verloren gegaan. [eiser] heeft toen te kennen gegeven dat hij wilde stoppen. Er is opnieuw druk op hem uitgeoefend, waarna hij in de dagen daarna nog circa € 100.000,00 heeft overgemaakt. Ook die inleg is direct verloren gegaan. Daarna werd [eiser] nog veelvuldig gecontacteerd, maar dat heeft hij afgehouden. De website en het platform zijn inmiddels opgeheven en [gedaagde sub 1] is onder een andere handelsnaam verder gegaan met haar activiteiten (producties 15 en 16 [eiser] ). Er zijn bovendien aanwijzingen dat zij vanuit Israël opereert. Dit alles is kenmerkend voor een boilerroom. [eiser] gaat er daarom vanuit dat met de door [gedaagde sub 1] online gecreëerde handelstool geen reële beleggingsproducten zijn verkocht en er dus sprake is van bedrog en oplichting. Aangezien de bestuurders van [gedaagde sub 1] het beleid van het bedrijf bepalen en daarmee de activiteiten en de wijze waarop zij zich naar buiten toe presenteert, hebben zij er op aangestuurd dat of wisten zij of behoorden zij te weten dat [gedaagde sub 1] consumenten door middel van agressieve verkooptechnieken en misleidende mededelingen onder druk zet en manipuleert om geld over te boeken, zogenaamd voor de investering in financiële producten. Door deze activiteiten van [gedaagde sub 1] te ontplooien, althans in stand te houden en daarmee in strijd te handelen met de wet hebben de bestuurders dusdanig onzorgvuldig gehandeld dat hen dit persoonlijk valt te verwijten, aldus [eiser] .

5.14.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft hier tegenover gesteld dat [eiser] niet heeft onderbouwd welk schadebrengende feit zich precies in Nederland heeft voorgedaan. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat er sprake is geweest van oneerlijke en agressieve handelspraktijken en van boilerroompraktijken. Zij heeft haar handelsnaam niet gewijzigd om haar oude handelsplatform te verhullen en zij handelt ook niet vanuit Israël. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. ontbreekt het aan concrete onderbouwing van deze stellingen. [gedaagde sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat de handelingen die tot de aantasting van het vermogen van [eiser] hebben geleid uitsluitend op Cyprus hebben plaatsgevonden. De winsten en verliezen van [eiser] werden ook feitelijk behaald en geleden op Cyprus. Het enige aanknopingspunt met Nederland is dat [eiser] de gevolgen van die verliezen duidt als zuivere vermogensschade op zijn Nederlandse bankrekening, maar dat is op zichzelf niet bepalend voor de vraag waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

5.15.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende omstandigheden aangevoerd en onderbouwd om in het kader van dit incident vooralsnog de slotsom te rechtvaardigen dat op grond van het gestelde onrechtmatige handelen van de bestuurders van [gedaagde sub 1] en het met betrekking tot de gestelde schade aangevoerde ‘Erfolgsort’ de Nederlandse rechter bevoegd is van de tegen de bestuurders ingestelde vorderingen kennis te nemen. Daartoe telt het volgende. [eiser] heeft een gebruikersaccount aangemaakt via een Nederlandstalige website van [gedaagde sub 1] en is vervolgens veelvuldig gecontacteerd door medewerkers van [gedaagde sub 1] (vele tientallen malen, waarvan in de periode van 2 mei 2019 tot en met 10 mei 2019 52 maal). Zij hebben hem naar zijn zeggen onjuist en onvolledig geïnformeerd en met trucs en druk overgehaald om zijn inleg steeds te verhogen en daarmee te speculeren in wisselkoersen. Vast staat, als niet weersproken, dat [eiser] in een zeer kort tijdsbestek van slechts tweeënhalve week in totaal meer dan € 400.000,00 heeft overgemaakt en dat hij dat geld in die periode direct heeft verloren. Ook staat vast dat [gedaagde sub 1] deze website nadien heeft opgeheven en haar activiteiten onder een andere handelsnaam heeft voorgezet. Dit alles stemt overeen met de werkwijze van boilerrooms. [gedaagde sub 1] c.s. ontkent weliswaar dat daarvan sprake is, maar heeft niet toegelicht en met enig bewijsstuk onderbouwd dat er wel reële transacties met het door [eiser] ingelegde geld zijn verricht. Dit had, tegenover de gespecificeerde stellingen van [eiser] , wel op haar weg gelegen. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde sub 1] c.s. het gestelde onrechtmatige handelen door en de schadeplichtigheid van de bestuurders van [gedaagde sub 1] onvoldoende betwist, zodat de rechtbank er vooralsnog vanuit gaat dat daarvan sprake is. Dit brengt mee dat de plaats waar de rechtstreekse (aanvankelijke of initiële) schade is ingetreden als gevolg van het schadeveroorzakend handelen, in Nederland kan worden gelokaliseerd. Er moet namelijk vooralsnog vanuit worden gegaan dat er met de door [eiser] ingelegde gelden geen reële beleggingsproducten zijn verhandeld, maar slechts schijntransacties zijn verricht. Dit betekent dat de schade die [eiser] als gevolg van het handelen van [gedaagde sub 1] c.s. zegt te hebben geleden, de vermindering van zijn vermogen ad in totaal€ 417.631,34, direct en blijvend op zijn bankrekening in Nederland is ontstaan op het moment dat hij de betreffende gelden heeft overgemaakt. De rechtbank acht zich gelet op het vorenstaande dan ook bevoegd om van de vorderingen tegen de bestuurders van [gedaagde sub 1] kennis te nemen.

5.16.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot vandaag begroot op € 543,00,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 december 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020.4

1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

2 Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad.

3 Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerdersvan alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010.

4type: ID/4198coll: RS/4234