Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4542

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/529
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WOZ, vergelijkingsmethode, Vw maakt in beroepsfase aannemelijk dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-7-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/529

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: D.D. Mertens).

Procesverloop

In de beschikking van 28 februari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 377.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

In de uitspraak op bezwaar van 11 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning vastgesteld op € 330.000,-.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 17 augustus 2020.

Overwegingen

1.De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Eiser heeft in de bezwaarfase bij verweerder aangegeven dat zijn correspondentieadres ‘ [adres 2] te [plaats] , Frankrijk’ is. Eiser heeft dit onderbouwd en verweerder heeft dit niet weersproken. Desondanks is het bestreden besluit geadresseerd [adres 3] te [plaats] , Zweden’. Verweerder heeft eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit naar een verkeerd adres is gestuurd, niet weersproken. Eiser heeft verweerder op 7 januari 2020 gevraagd naar de stand van zaken van zijn bezwaarschrift, en heeft het bestreden besluit vervolgens bij e-mail van 15 januari 2020 van verweerder ontvangen. Deze bekendmaking bij e-mail van 15 januari 2020 heeft te gelden als een bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van beroep voor eiser begonnen op 16 januari 2020. Aangezien eiser op 29 januari 2020 beroep heeft ingediend, is het beroep ingesteld binnen 6 weken na de bekendmaking van het bestreden besluit en dus ontvankelijk.

2.De woning is een in 1980 gebouwde hoekwoning met een berging/schuur. De woning heeft een inhoud van ongeveer 435 m3 en ligt op een kavel van 281 m2.

3.De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.

4.Eiser bepleit in zijn beroepschrift van 21 januari 2020 een lagere waarde, namelijk
€ 306.880. Ter onderbouwing van deze waarde voert eiser aan dat de door verweerder gehanteerde referentiewoningen onvoldoende vergelijkbaar zijn met zijn woning, dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de indeling van zijn zolder en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met kwaliteit en onderhoud van zijn woning.

5. Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.

6.Verweerder heeft aan eiser voorgesteld om de vastgestelde waarde te verlagen naar
€ 306.000,-, onder meer omdat de woning van eiser nog in originele staat verkeert.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning van €306.000,- niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer gebruiks- en perceeloppervlakte Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.

8. Wat eiser in beroep bij brief van 3 juni 2020 aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Met de enkele verwijzing naar zijn gronden van bezwaar en eerdere correspondentie met verweerder, waarin eiser heeft aangegeven ‘dat er elementen zijn die nog onvoldoende in beschouwing zijn genomen’, heeft eiser niet geconcretiseerd waarom de eerder door hem voorgestane waarde van €306.880,- te hoog zou zijn.

9.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de in het bestreden besluit vastgestelde waarde niet te hoog is vastgesteld.

10 Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd.

11.De rechtbank zal de waarde van de woning op de waardepeildatum vaststellen op het door verweerder en het door eiser aanvankelijk voorgestane bedrag van € 306.000,- en zal bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert.

12.Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Hierbij heeft de

rechtbank in aanmerking genomen dat eiser noch in de bezwaarfase noch in de beroepsfase is bijgestaan door een rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de waarde van de woning vast op € 306.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier, op 29 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat