Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4492

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
8159292 UC EXPL 19-12330
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verrekening (art. 6:163 BW) bij wijze van verweer slaagt niet. Hoofdaannemer is niet altijd aansprakelijk voor schade door de onderaannemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8159292 UC EXPL 19-12330 AS/31467

Vonnis van 23 september 2020

inzake

de vennootschap onder firma

[eiseres] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: M. Hennen, werkzaam bij Juristu Incassodiensten B.V.

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- het proces-verbaal van de rolzitting van 20 november 2019, waarbij [gedaagde] aanwezig is geweest en een brief met een nadere reactie heeft overgelegd,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de akte uitlating van [eiseres] in verband met de door [gedaagde] ingediende stukken bij conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[gedaagde] heeft met [eiseres] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten op grond waarvan [eiseres] in de periode januari tot maart 2019 diverse werkzaamheden aan een pand van [gedaagde] heeft verricht. Op de overeenkomst zijn de Algemene leverings- en betalingsvoorwaarden van [eiseres] V.O.F. (hierna: de Algemene Voorwaarden) van toepassing verklaard. [eiseres] stelt dat de Algemene Voorwaarden achter de opdrachtbevestiging zaten, die zij via de mail naar [gedaagde] heeft gestuurd. [gedaagde] betwist dat zij de Algemene Voorwaarden heeft ontvangen.

2.2.

Op 1 april 2019 heeft [eiseres] een factuur ter hoogte van € 3.704,63 naar [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft € 2.138,88 daarvan betaald. Er staat nog een bedrag van € 1.565,75 open. Ondanks diverse aanmaningen van [eiseres] , heeft [gedaagde] het restant niet betaald. [eiseres] heeft het openstaande bedrag vervolgens verhoogd met € 25,00 aan administratiekosten.

2.3.

[eiseres] vordert nu – kort samengevat en zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan haar te voldoen:

  1. € 1.590,75 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2019 of 4 november 2019 tot de dag van voldoening,

  2. € 238,61 of een door de kantonrechter te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten,

  3. € 907,50 ter zake juridische bijstand,

  4. e kosten van deze procedure en

  5. de nakosten.

2.4.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat de hoogte van de factuur onjuist is. [gedaagde] verwijst daarbij naar een e-mail van 5 mei 2019 van de heer [A] (hierna: [A] ), de bouwadviseur van [gedaagde] , die zowel naar [gedaagde] als naar [eiseres] is verstuurd. Daarin staat onder meer dat op de factuur van 1 april 2019 nog € 419,87 moet worden gecorrigeerd. In de tweede plaats houdt [gedaagde] [eiseres] verantwoordelijk voor de schade aan haar kookplaat. Op 26 februari 2019 heeft zij aan het einde van een werkdag geconstateerd dat er een kras op haar nieuwe kookplaat zat. Deze schade is volgens haar door [eiseres] , althans door haar onderaannemer (een elektricien) voor wie zij verantwoordelijk is, veroorzaakt. [gedaagde] heeft bij [bedrijfsnaam] , bij wie zij de kookplaat heeft gekocht, een offerte opgevraagd. Volgens [bedrijfsnaam] bedragen de herstelkosten € 1.145,80. [gedaagde] heeft bij brief van 22 juni 2019 [eiseres] laten weten dat zij de factuur heeft gecorrigeerd, de kosten voor het herstellen van de kookplaat heeft verrekend met het openstaande factuurbedrag en € 2.138,88 heeft betaald. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat het werk door [eiseres] niet af en opgeleverd is en dat er sprake is van diverse gebreken.

2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3 Wat vindt de kantonrechter ervan?

3.1.

Hetgeen [gedaagde] over oplevering en gebreken heeft aangevoerd, doen voor deze procedure niet ter zake. Dat onderkent [gedaagde] zelf ook. Dit laatste zal daarom hierna onbesproken blijven. De vragen die in deze procedure beantwoord moeten worden zijn:

1. Klopt de hoogte van de factuur van 1 april 2019?

2. Mag [gedaagde] de kosten voor het herstellen van de schade aan haar kookplaat verrekenen met de factuur van [eiseres] ?

Hoogte factuur

3.2.

Het verweer van [gedaagde] met betrekking tot de hoogte van de factuur slaagt omdat [eiseres] dat niet heeft weersproken. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uit gaat dat nog (€ 1.565,75 - € 419,87 =) € 1.145,88 van de factuur van 1 april 2019 openstaat.

Beroep op verrekening slaagt niet

3.3.

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] de inhoud van de factuur van 1 april 2019 verder niet heeft betwist. Dit betekent dat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. Het beroep van [gedaagde] op verrekening van haar vordering passeert de kantonrechter om de volgende redenen.

3.4.

Op grond van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder (in dit geval [gedaagde] ) op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering van de eiser voor toewijzing vatbaar is. De kantonrechter maakt hier gebruik van.

3.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] voldoende gemotiveerd gesteld dat de schade aan haar kookplaat door de onderaannemer van [eiseres] is verricht. Volgens [gedaagde] is de schade op 26 februari 2019 ontstaan, terwijl de verhuizing op 27 februari 2019 heeft plaatsgevonden. De stelling van [eiseres] dat naast haar ook verhuizers in het pand aanwezig waren, kan daarom niet worden gevolgd. Ook is niet weersproken gesteld dat een werknemer van de onderaannemer op het aanrecht heeft gestaan en zijn tas op de kookplaat had staan. Dit wordt ook door de heer [A] , die op 26 februari 2019 aanwezig was, bevestigd. Hij zegt in een e-mail naar [B] , een van de vennoten van [eiseres] , die hij op 7 mei 2020 naar [gedaagde] heeft doorgestuurd, het volgende:

Er zijn diverse mensen geweest die gezien hebben dat de elektricien op het aanrecht gelopen heeft om inbouwspots in het plafond te plaatsen. Hierbij is ook door diverse mensen geconstateerd dat zijn gereedschapskist op de glasplaat van het kooktoestel neergezet was. Ik was die dag ook bij [gedaagde] en heb gezien dat er door de elektricien vanaf het aanrecht spots gemonteerd werden in het plafond. Er is al snel gebleken dat de kookplaat beschadigd was door deze activiteiten en dat is ook aan jou gemeld.”

Gelet hierop kon [eiseres] niet volstaan met een blote ontkenning dat niet vast staat wie de schade heeft veroorzaakt.

3.6.

De vraag is of [eiseres] aangesproken kan worden op deze fout van de onderaannemer. [eiseres] heeft naar haar Algemene Voorwaarden verwezen en meent dat [gedaagde] op grond van artikel 6 lid 1 daarvan zich tot de onderaannemer moet wenden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de Algemene Voorwaarden vernietigbaar. [gedaagde] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de Algemene Voorwaarden voor of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld. [eiseres] heeft vervolgens verwezen naar een e-mail van 8 februari 2019 die zij naar de heer [A] (met een kopie naar [gedaagde] ) heeft verstuurd waarin staat dat hij de opdrachtbevestiging van [gedaagde] ontvangt. Uit die e-mail valt echter niet op te maken dat ook de Algemene Voorwaarden, eventueel als bijlage, zijn meegestuurd. Die e-mail onderbouwt het standpunt van [eiseres] dus niet. Dat betekent dat [eiseres] zich niet kan verschuilen achter artikel 6 lid 1 van de Algemene Voorwaarden en op basis van de wet moet worden beoordeeld of [eiseres] voor de schade aan de kookplaat aansprakelijk kan worden gehouden.

3.7.

Uitgangspunt is dat het hier niet gaat om schade die het gevolg is van een tekortkoming in de aannemingsovereenkomst. Als dat zo was zou [eiseres] verantwoordelijk zijn voor gebreken veroorzaakt door haar onderaannemer. Het gaat om schade die een werknemer van de onderaannemer van [eiseres] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden op grond van de aannemingsovereenkomst, heeft veroorzaakt aan het eigendom van [gedaagde] . De vraag of [eiseres] aansprakelijk kan worden gehouden voor die schade moet dus worden beoordeeld op basis van de bepalingen over onrechtmatige daad.

[eiseres] is op grond van artikel 6:171 BW in beginsel naast de onderaannemer aansprakelijk voor de schade die ontstaat door diens onrechtmatig handelen. Onder omstandigheden kan dit echter anders zijn. Dan is alleen de onderaannemer aansprakelijk. Van belang is bijvoorbeeld of de onderaannemer en [eiseres] als eenheid zijn aan te merken. Voor de beoordeling van die vraag is relevant of het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat de betreffende werknemer niet in dienst van [eiseres] was, maar bij iemand anders. Hierover twisten partijen. [eiseres] stelt dat er gedurende zes weken lang de bedrijfsauto met de bedrijfsnaam van de onderaannemer voor de deur van [gedaagde] heeft gestaan. Bovendien droeg de werknemer bedrijfskleding met de naam van de onderaannemer. [gedaagde] zegt dat het in eerste instantie bij haar onbekend was dat [eiseres] voor de elektrawerkzaamheden een onderaannemer had ingehuurd. Zij is volgens haar in de loop van het proces, kort voor de verhuizing er achter gekomen dat de onderaannemer niet voor [eiseres] werkte. Dit betekent dat er aanwijzingen zijn dat [gedaagde] , op het moment dat de schade ontstond, wist dat de werknemer die de schade heeft veroorzaakt niet voor

[eiseres] werkte en dat zij een ander aan moest spreken. Zij is daarop ook gewezen door [eiseres] toen [eiseres] door haar werd aangesproken. Dat maakt dat in deze procedure niet eenvoudig kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de gestelde schade kan verhalen op [eiseres] . Het verrekeningsverweer gaat daarom niet op.

Conclusie

3.8.

Het nog openstaande bedrag van € 1.145,88 van de factuur van 1 april 2019 zal worden toegewezen. In de door [eiseres] gevorderde hoofdsom zit ook € 25,00 aan administratiekosten inbegrepen. [eiseres] heeft echter niet onderbouwd wat de grondslag daarvoor is, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten

3.9.

De gevorderde wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen.

3.10.

[eiseres] maakt nog aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de aanmaningen die [eiseres] heeft overgelegd niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Zo blijkt niet dat aan [gedaagde] een betalingstermijn van veertien dagen, ingaande de dag na ontvangst van de brief is gegeven, en/of zij vooraf is gewaarschuwd over de hoogte van de incassokosten. (vgl. ook Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704)

Kosten juridisch bijstand

3.11.

[eiseres] vordert ook ‘kosten voor juridisch bijstand’ en verwijst naar een factuur van haar gemachtigde Juristu waarin € 907,50 in rekening is gebracht voor “Dagvaarding produceren”. Kosten voor het opstellen van de dagvaarding zijn begrepen in de veroordeling tot betaling van de proceskosten. Dat is het ‘salaris gemachtigde’ dat conform het liquidatietarief word bepaald en niet op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Aan de gemachtigde van [eiseres] , een beroepsmatig rechtshulpverlener, moet ook bekend zijn dat proceskosten normaliter op basis van het liquidatietarief worden vergoed. Gesteld noch gebleken is waarom [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de werkelijke kosten. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden afgewezen.

Proces- en nakosten

3.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,14

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten x tarief € 120,00)

Totaal € 811,14

3.13.

Als [eiseres] nog kosten moet maken om de beslissing uit te voeren, moet [gedaagde] die ook betalen. Die eventuele kosten worden hieronder vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.145,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2019 tot de voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , ter grootte van € 811,14;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] , als zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, om de na dit vonnis ontstane kosten te betalen, begroot op:

- € 60,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, als het vonnis door de deurwaarder is betekend, met de explootkosten die hiervoor in rekening zijn gebracht;

4.4.

verklaard dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.