Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4444

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4689
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA standaard. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Krabben-Tmim),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 15 september 2020 plaatsgevonden via een

Skype-verbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als receptioniste/algemeen medewerker. Zij is in 2015 met haar achterhoofd op een ijsbaan gevallen. Zij heeft hierna gerevalideerd. In 2016 heeft zij zich ziek gemeld. Op 22 juni 2018 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Op verzoek van de primaire verzekeringsarts heeft psychiater Wetzer een expertise verricht. De primaire verzekeringsarts heeft, conform de conclusies van de psychiater, in de functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 12 maart 2019 beperkingen op sociaal functioneren opgenomen. De primaire arbeidskundige heeft eiseres voor 21,95% arbeidsongeschikt geacht. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt de FML zoals vastgesteld door de primaire verzekeringsarts juist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een aantal van de door de primaire arbeidskundige geduide functies laten vervallen maar heeft drie functies nog blijvend passend geacht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eiseres op grond van deze functies voor 21,08% arbeidsongeschikt geacht. Hierna heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Grondslag van het bestreden besluit

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres per

18 september 2018 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is (21,08%). Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.

3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiseres aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is.

Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

Medische beoordeling

4.1.

Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat verweerder haar lichamelijke beperkingen ten aanzien van arbeid heeft onderschat. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres stukken in het geding gebracht.

4.2.

De rechtbank ziet in de stukken die eiseres heeft ingediend en haar toelichting op de zitting geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is.

Revalidatie en fysiotherapie

Eiseres heeft de volgende stukken van de revalidatiekliniek in het geding gebracht: rapportages van de revalidatiearts van 3 maart 2017, 31 augustus 2017 en 20 oktober 2017; een revalidatieplan van 1 juni 2017; een eindverslag van de revalidatiearts van 21 augustus 2017 en een eindverslag van de ergotherapeut over de revalidatieperiode van 30 mei 2017 tot en met

24 augustus 2017. Verder heeft eiseres van de fysiotherapeut een eindrapportage van

13 juli 2017 en een ontslagformulier van 22 augustus 2017 ingediend.

De rechtbank volgt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 23 maart 2019 (de rechtbank begrijpt: 23 maart 2020) dat deze stukken geen nieuwe medische informatie bevatten en geen aanleiding geven om van standpunt te wijzigen. Verder zien deze stukken niet op de situatie per datum in geding, 18 september 2018, maar op een periode die ruim daarvóór ligt, namelijk in 2017.

Informatie over neurofatigue

De informatie die eiseres over neurofatigue heeft ingebracht, is te algemeen en gaat niet specifiek in op de situatie van eiseres. Dit stuk kan daarom niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen.

Huisarts

Verder heeft eiseres een brief van de huisarts van 10 maart 2020 ingebracht waarin wordt beschreven dat eiseres zich niet in staat voelt om te werken en dat zij zich niet serieus genomen voelt door verweerder. De inhoud van deze brief levert geen medisch objectiveerbare informatie op, op grond waarvan er bij eiseres meer beperkingen moeten worden aangenomen

Brief van eiseres en haar toelichting op de zitting

In haar brief van 28 oktober 2019 en haar toelichting op de zitting heeft eiseres ook aangegeven dat verweerder haar niet serieus heeft genomen en voorbij is gegaan aan haar klachten. Zoals onder 3. overwogen, is voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

De beroepsgrond slaagt niet.

Arbeidskundige beoordeling

5. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat zij niet in staat is de drie door de arbeidskundige bezwaar en beroep geduide functies te verrichten. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de beperkingen die verweerder bij eiseres heeft aangenomen en zoals die zijn vastgelegd in de FML van 12 maart 2019. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 oktober 2019 blijkt dat eiseres in staat wordt geacht de volgende functies te verrichten: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), archiefmedewerker (SBC-code 315132) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 372060). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in dit rapport voldoende gemotiveerd dat deze drie functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiseres zoals omschreven in de FML van 12 maart 2019. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres de geduide functies niet zou kunnen verrichten. Op grond van deze functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 september 2018 vastgesteld op 21,08%.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Gelet op al het voorgaande, heeft verweerder terecht de aanvraag van eiseres voor een

WIA-uitkering afgewezen, omdat zij per 18 september 2018 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

7.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 30 september 2020 gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in

aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.