Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4442

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
UTR- 20 _ 817 en UTR 20_3081
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Binnen welke termijn moet de AP een klacht afhandelen in de zin van artikel 77 van de AVG?

Trefwoorden: AVG, klacht, verzoek om handhaving, redelijke termijn, artikel 77 en 78 van de Avg, overweging 141 bij de AVG

Samenvatting

Eiser heeft een klacht ingediend bij verweerder, omdat een handelsinformatiebureau zijn persoonsgegevens zonder toestemming verwerkt. Eiser wil gebruikmaken van zijn recht op vergetelheid. Deze klacht is gebaseerd op artikel 77 van de AVG en moet worden gezien als een verzoek om handhaving. Eiser heeft vervolgens een beroep niet-tijdig bij de rechtbank ingesteld, omdat volgens hem niet tijdig tot een afronding van de klacht is gekomen. De rechtbank heeft in deze uitspraak vastgesteld wat de verplichtingen zijn van verweerder bij de afhandeling van een klacht als bedoeld in artikel 77 van de AVG. Hierbij heeft de rechtbank artikel 78 van de AVG toegepast en daarbij de uitleg in overweging 141 van de AVG en de parlementaire geschiedenis van de UAVG betrokken. De rechtbank komt tot de conclusie dat de AP verplicht is om:

- eiser binnen drie maanden ófwel een bericht van de voortgang te sturen ófwel zijn klacht geheel af te handelen.

Als de klacht niet binnen drie maanden is afgerond moet de AP:

- de klacht binnen een redelijke termijn afhandelen;

- en eiser tussentijds binnen een redelijke termijn op de hoogte houden van de voortgang en informeren of er onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit is vereist.

De rechtbank heeft het beroep van eiser aan de hand van die vereisten beoordeeld en geconcludeerd dat nog geen sprake is van niet-tijdig beslissen. Van doorslaggevend belang is dat de afhandeling van de klacht van eiser onderdeel uitmaakt van een groot en complex onderzoek naar datahandel en dat dit onderzoek ook gaat over landsgrensoverschrijdende verwerkingen van persoonsgegevens. Verweerder heeft eiser verder voldoende op de hoogte gehouden van de afhandeling van zijn klacht. De inhoud en frequentie van de voortgangsberichten zijn in orde. Het beroep niet-tijdig is daarom niet-ontvankelijk en er zijn geen dwangsommen verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/122 met annotatie van Feenstra, L.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/817 en UTR 20/3081

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Brouwers),

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

(gemachtigden: mr. E. Nardelli en mr. O.S Nijveld).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn klacht.

Deze uitspraak gaat ook over het beroep dat eiser op 25 augustus 2020 heeft ingediend tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2020, waarin verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 februari 2020 ongegrond heeft verklaard. In het besluit van 4 februari 2020 heeft verweerder vastgesteld dat er geen dwangsommen voor het niet-tijdig beslissen zijn verbeurd.

Verweerder heeft twee verweerschriften ingediend. De rechtbank heeft de beroepen gevoegd behandeld.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

  1. Eiser heeft een klacht ingediend tegen [naam] . [naam] is een handelsinformatiebureau dat gegevens van consumenten verzamelt om deze beschikbaar te stellen aan opdrachtgevers met het doel hun financiële risico’s te beperken. Eiser heeft, toen hij een contract wilde sluiten met een energieleverancier, ontdekt dat [naam] zijn persoonsgegevens verwerkt. Eiser vindt deze verwerking onrechtmatig en wil gebruikmaken van zijn recht op vergetelheid. [naam] wil daaraan meewerken, maar dan moet eiser zijn identiteitsbewijs opsturen en dat wil hij niet. Eiser heeft [naam] een alternatief geboden: hij wil langskomen bij [naam] met zijn identiteitsbewijs. [naam] weigert dit, want het bedrijf stelt niet te zijn ingericht op zo’n werkwijze. Eiser heeft daarom op 21 januari 2019 een klacht zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bij verweerder ingediend. In de klacht stelt eiser dat [naam] onterecht persoonsgegevens verwerkt en dat [naam] ten onrechte geen uitvoering geeft aan eisers recht op vergetelheid. Verweerder moet [naam] een passende sanctie opleggen, vindt eiser. Omdat verweerder nog niet op de klacht heeft beslist en eiser vindt dat dat wel had gemoeten, heeft eiser op 21 februari 2020 een beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend. Eiser wenst ook een beoordeling van het besluit waarin verweerder heeft geweigerd om hem dwangsommen te betalen voor het niet-tijdig beslissen. Volgens eiser is verweerder daartoe namelijk wel gehouden. Eiser heeft daarom een afzonderlijk beroepschrift ingediend tegen het besluit van 16 juli 2020.
    Welke beslistermijn moet verweerder aanhouden bij de afhandeling van een klacht?

  2. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage. Die bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

  3. De rechtbank stelt vast dat de klacht van eiser moet worden aangemerkt als een verzoek om handhaving in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is de bedoeling geweest van de wetgever, zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG).1

4. De vraag is nu binnen welke termijn verweerder op de klacht van eiser moet beslissen. Verweerder verwijst naar artikel 78, tweede lid, van de AVG en stelt zich op het standpunt dat dit artikel een wettelijke beslistermijn bevat zoals is bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Op verweerder rust op grond van artikel 78, tweede lid, van de AVG de plicht om eiser binnen drie maanden in kennis te stellen van de voortgang óf van de afhandeling van zijn klacht.

5. Eiser ziet dat anders. Volgens hem bevat artikel 78, tweede lid, van de AVG geen harde wettelijke beslistermijn, zoals bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Er staat immers niet in dat artikel tot wanneer verweerder uiterlijk zou kunnen beslissen op de klacht. Het ontbreken van zo’n wettelijke beslistermijn maakt op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dat de klacht binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag moet zijn afgerond. Een redelijke termijn is volgens het tweede lid van dat artikel een termijn van acht weken. Dit betekent dus dat de klacht van eiser acht weken na ontvangst daarvan door verweerder had moeten zijn afgehandeld. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

6. Eiser krijgt geen gelijk. Artikel 78 van de AVG bevat namelijk wel een beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13 van de Awb. Dit heeft de wetgever uitdrukkelijk zo bedoeld, gelet op de toelichting op de UAVG. Zowel de memorie van toelichting bij de UAVG,2 als de nota van toelichting bij de UAVG,3 vermeldt dat artikel 78 van de AVG een termijn is als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Dat in artikel 78 van de AVG geen duidelijke einddatum voor het beslissen is genoemd, maakt dit niet anders. De reden waarom er geen einddatum kan worden bepaald voor de afhandeling van een klacht zoals deze, is dat het onderzoek naar zo’n klacht zeer tijdrovend kan zijn. Het kan leiden tot grootschalige en complexe onderzoeken. Als een klacht bovendien gaat over een landsgrensoverschrijdende verwerking van gegevens, moet verweerder zijn optreden afstemmen met de toezichthouders uit andere landen die betrokken zijn bij deze gegevensverwerking. Voordat een besluit kan worden genomen, moet een ontwerp van dat besluit eerst worden voorgelegd aan alle betrokken toezichthouders. De toezichthouders moeten overeenstemming bereiken en kunnen, als dat niet lukt, een geschil nog voorleggen aan het Europees Comité voor gegevensbescherming. Verweerder kan op de duur van de afhandeling van de klacht in zulke gevallen zelf weinig tot geen invloed uitoefenen. Dit maakt dat een einddatum voor de afhandeling van de klacht niet is te geven en dat dit door de wetgever ook niet is beoogd.

7. Waar verweerder op grond van artikel 78 van de AVG wél aan is gehouden, is dat hij binnen een termijn van drie maanden óf een bericht van de voortgang aan eiser stuurt óf de klacht binnen die termijn afhandelt. De overwegingen van de AVG, die uitleg geven aan de wetsartikelen, vermelden onder 141 bovendien dat verweerder eiser binnen een redelijke termijn in kennis moet stellen van de voortgang en het resultaat van de klacht.
Wat een redelijke termijn is hangt naar het oordeel van de rechtbank af van de concrete situatie. Verder staat in overweging 141 dat als de zaak verder onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit vereist, de betrokkene tussentijdse informatie moet worden verstrekt.

8. Samenvattend is verweerder dus verplicht om:
- eiser binnen drie maanden ófwel een bericht van de voortgang te sturen ófwel zijn klacht geheel af te handelen.
Als de klacht niet binnen drie maanden is afgerond moet verweerder:
- de klacht binnen een redelijke termijn afhandelen;
- en eiser tussentijds binnen een redelijke termijn op de hoogte houden van de voortgang en informeren of er onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit is vereist.
De rechtbank zal hierna bespreken of verweerder in dit geval aan deze vereisten heeft voldaan.
Heeft verweerder eiser binnen drie maanden bericht over de voortgang of de klacht geheel afgehandeld?

9. Het is een feit dat verweerder de klacht niet binnen drie maanden heeft afgehandeld, zodat in dit geval moet worden beoordeeld of verweerder eiser binnen drie maanden over de voortgang heeft bericht. Verweerder stelt dat hieraan is voldaan en verwijst naar het e‑mailbericht van 20 maart 2019, dat volgens hem een voortgangsbericht is. Eiser vindt dat deze e-mail niet kan worden aangemerkt als een voortgangsbericht zoals bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de AVG, omdat in dit bericht volgens hem alleen maar wordt verzocht om aanvullende stukken.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Daarbij stelt de rechtbank allereerst vast dat een voortgangsbericht als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de AVG vormvrij is. In de AVG zijn geen eisen gesteld waaraan zo’n bericht moet voldoen. Weliswaar vermeldt het e-mailbericht van 20 maart 2019, anders dan bijvoorbeeld de brieven van 5 september en 10 december 2019, niet expliciet dat het om een voortgangsbericht gaat, maar dat neemt niet weg dat eiser met dit e-mailbericht feitelijk op de hoogte is gesteld van de voortgang. In het e‑mailbericht is namelijk aan eiser meegedeeld dat verweerder zal onderzoeken wat hij kan doen om de klacht te behandelen, waarmee duidelijk is dat de klacht daadwerkelijk in behandeling is genomen. Ook vermeldt het bericht dat de klacht gaat over de internationale verwerking van persoonsgegevens en dat dit van invloed is op de afhandeling van de klacht. Verder staat er dat de klacht van eiser mogelijk wordt afgehandeld in samenwerking met andere Europese toezichthouders, waardoor de afhandeling daarvan enige tijd kan gaan duren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser met dit e-mailbericht binnen drie maanden na indiening van de klacht in overeenstemming met artikel 78, tweede lid, van de AVG en overweging 141 bij de AVG op de hoogte gesteld van de voortgang.
Heeft verweerder de redelijke termijn in acht genomen bij de afhandeling van de klacht van eiser?

11. Bij het indienen van de gedingstukken heeft verweerder stukken gevoegd die gaan over het onderzoek dat hij uitvoert naar aanleiding van de klacht van eiser. Hij heeft de rechtbank verzocht om beperkte kennisneming van deze stukken. Bij beslissing van 22 april 2020 heeft de rechtbank beslist dat er zwaarwegende redenen zijn om eiser geen kennis te laten nemen van die stukken. Eiser heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om de stukken waarvan de geheimhouding is toegestaan bij de beoordeling van zijn beroepen te betrekken.

12. Verweerder heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt over de duur van het onderzoek naar de klacht aanvankelijk verwezen naar deze zogenoemde 8:29-stukken. Op 10 september 2020 heeft hij echter een voortgangsbericht aan eiser gestuurd met daarin gedeeltelijk dezelfde informatie, die vanaf dat moment wel gedeeld kan worden. Tijdens de zitting heeft verweerder een verdere toelichting gegeven op de duur van het onderzoek. Uit de 8:29-stukken, het voortgangsbericht van 10 september 2020 en de toelichting van verweerder tijdens de zitting blijkt het volgende.
Niet alleen eiser heeft bij verweerder geklaagd over [naam] , maar er zijn meer klachten over dit bedrijf ontvangen. Verweerder heeft deze klachten gebundeld. Deze klachten vallen in het focusgebied ‘Datahandel’ van verweerder. Verweerder heeft zich voorgenomen om de komende jaren extra aandacht te geven aan klachten over datahandel. Daarom wordt er nu onderzoek gedaan naar een aantal handelsinformatiebureaus, waaronder [naam] . Verweerder heeft verder uiteengezet dat een onderzoek naar een handelsinformatiebureau, zoals [naam] , vanwege de omvang, de complexiteit van de verwerkingen en de beoordeling daarvan een langdurig traject is. Onderdeel van het onderzoek is een onderzoek ter plaatse op het kantoor van [naam] . Dit onderzoek is vanwege de Covid-19-maatregelen, anders dan normaal het geval is, vooraf aangekondigd en heeft plaatsgevonden in de week van 14 september 2020. Het onderzoek ter plaatse heeft drie dagen in beslag genomen en is, vanwege de afwezigheid van bepaalde werknemers bij [naam] , nog steeds niet afgerond. Na het onderzoek ter plaatse worden de onderzoeksgegevens verwerkt. Dit kan leiden tot nader onderzoek. Daarna zal er hoor en wederhoor moeten plaatsvinden met [naam] . Als er een overtreding wordt geconstateerd, zal verweerder daarna een rapport opstellen en een handhavingstraject starten. Verweerder heeft verder toegelicht dat het onderzoek naar [naam] een internationale component heeft, waarbij hij afhankelijk is van de terugkoppeling van toezichthouders uit andere lidstaten van de Europese Unie. Tot slot heeft verweerder nog vermeld dat, vanwege de landelijke ‘lockdown’ als gevolg van de Covid-19 pandemie, het onderzoek te plaatse later is uitgevoerd dan anders het geval zou zijn geweest.

13. De rechtbank vindt dat verweerder met deze toelichting voldoende heeft uitgelegd waarom op het moment van eisers ingebrekestelling, maar ook nu, nog niet op de klacht van eiser is beslist. Het gaat hier om een omvangrijk onderzoek, dat niet alleen gaat over eisers klacht, maar ook over klachten van andere mensen. Verweerder heeft in voldoende mate uiteengezet dat de afhandeling van eisers klacht beantwoording vergt van juridisch complexe vragen die landsgrenzen overstijgen en, nog los van vertraging door maatregelen in verband met de Covid-19-maatregelen, een langdurig traject is. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn die wordt genoemd in overweging 141 van de AVG om op de klacht van eiser te beslissen nog niet is overschreden.

14. Eiser heeft tijdens de zitting gesteld dat hij helemaal niet wilde dat zijn klacht werd meegenomen in een grootschalig onderzoek. Het gaat volgens hem maar om een simpele klacht, die verweerder ook los van het grootschalige onderzoek had kunnen en ook moeten afdoen. Volgens eiser had verweerder alleen maar hoeven ingaan op zijn recht op inzage. Door dit na te laten is volgens eiser de redelijke termijn wel overschreden.

15. Eiser krijgt hierin geen gelijk. Uit de bewoording van de klacht van eiser van 21 januari 2019 blijkt dat het primaire standpunt van eiser is dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig door [naam] worden verwerkt en dat hij gebruik wil maken van zijn recht op vergetelheid, waarbij hij geen kopie van zijn paspoort wil opsturen. Verweerder heeft dit weliswaar zo opgevat dat eiser zowel klaagt over de onterechte gegevensverwerking als over de uitoefening van zijn recht op inzage, maar dat volgt niet uit de klacht zelf. Het gaat eiser erom dat [naam] zijn persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt en dat dat moet stoppen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat voor de vaststelling of de gegevensverwerking van [naam] onrechtmatig is, nu juist dit grootschalige onderzoek dient en dat de klacht van eiser daarom niet valt af te splitsen van dit onderzoek.
Heeft verweerder eiser voldoende op de hoogte gehouden van de voortgang?

16. Na eerder genoemd e-mailbericht van 20 maart 2019 heeft verweerder eiser op 14 mei 2019 meegedeeld dat zijn klacht zal worden behandeld door een andere afdeling dan voorheen. Hij merkt deze mededeling aan als een voortgangsbericht. Op 5 september 2019 en op 10 december 2019 heeft verweerder eiser brieven gestuurd met daarin expliciet vermeld dat het om een voortgangsbericht gaat. De brieven van 5 september en 10 december 2019 zijn inhoudelijk gelijk. Verweerder heeft in deze brieven toegelicht dat er op 15 mei 2019 vragen zijn gesteld aan [naam] en dat deze vragen op 19 juni 2019 zijn beantwoord. Verweerder deelt verder mee dat hij meer tijd nodig heeft om een besluit te nemen, omdat hij bezig is met de beoordeling van de vragen van [naam] en nader onderzoek doet naar aanleiding van deze antwoorden. Nadat eiser zijn beroep niet-tijdig heeft ingediend, heeft verweerder nog drie voortgangsberichten gestuurd, namelijk op 9 maart 2020 en op 1 september en 10 september 2020. In het bericht van 10 september 2020 heeft verweerder meer informatie gegeven over de omvang van het onderzoek naar [naam] en de tot dan toe genomen stappen.

17. Uit de AVG volgt geen verplichting voor verweerder om iedere drie maanden een voortgangsbericht te sturen. Verweerder moet eiser wel met enige regelmaat (binnen een redelijke termijn als bedoeld in overweging 141 van de AVG) op de hoogte stellen van de voortgang. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat hier ook heeft gedaan. De rechtbank vindt overigens niet dat het bericht van 14 mei 2019, waarin eiser is bericht dat het dossier door een andere afdeling zou worden behandeld, is aan te merken als een voortgangsbericht. Uit deze brief blijkt namelijk niet dat de overdracht naar een andere afdeling een opschaling van de behandeling van eisers klacht betekent, zoals verweerder heeft toegelicht. Maar de daaropvolgende berichten van 5 september 2019 en 10 december 2019 zijn wel aan te merken als voortgangsberichten. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij niet méér details kon prijsgeven over het onderzoek omdat, als meer bekend zou worden over het onderzoek en [naam] daarvan op de hoogte zou raken, [naam] op dat onderzoek zou kunnen anticiperen. Dit onderzoeksrisico heeft verweerder willen vermijden en de rechtbank vindt dit gerechtvaardigd. In de voortgangsberichten van 5 september 2019 en 10 december 2019 heeft verweerder wel gemeld wat er tot dan toe feitelijk was gedaan om de klacht van eiser af te handelen en heeft hij ook laten weten dat er nog steeds aan de afhandeling van de klacht van eiser werd gewerkt. Dit is in deze situatie voldoende specifiek. Dat deze berichten, net als het bericht van 9 maart 2020, verder inhoudelijk gelijk zijn en daarin niets meer is vermeld over buitenlands onderzoek, doet daaraan niet af. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij niet meer kon prijsgeven over het onderzoek, maar dat hij wel duidelijk heeft willen maken dat er achter de schermen aan de afhandeling van de klacht van eiser werd gewerkt.
De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat eiser verweerder op 20 januari 2020 in gebreke stelde verder ook geen sprake was van een situatie waarin eiser onwetend was over de voortgang. Het laatste voortgangsbericht dateerde immers van 10 december 2019, waarmee ook de frequentie van de berichtgeving in orde is.
Wat betekent dit voor de beroepen van eiser?

18. Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de AVG omdat hij eiser binnen drie maanden op de hoogte heeft gesteld van de voortgang van de behandeling van zijn klacht. Daarbij is genoemd dat de klacht mogelijk wordt afgehandeld in samenwerking met andere Europese toezichthouders. Ook heeft verweerder eiser nadien tussentijds steeds binnen een redelijke termijn voldoende geïnformeerd en is op dit moment de redelijke termijn om te beslissen op de klacht niet overschreden. Dit houdt in dat de ingebrekestelling van 20 januari 2020 prematuur - dat wil zeggen, te vroeg - is ingediend. Als een ingebrekestelling prematuur is ingesteld, is het daaropvolgende beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Dat is hier dus het geval.
Omdat verweerder nog niet te laat is met beslissen op de klacht van eiser, zijn er ook geen dwangsommen verbeurd en is verweerder dus geen dwangsommen verschuldigd aan eiser. Het beroep tegen het besluit van 16 juli 2020 is dan ook ongegrond.
Heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten?

19. Bij een niet-ontvankelijk en een ongegrond beroep, ligt het niet voor de hand dat eiser zijn proceskosten vergoed krijgt. Hij heeft immers geen gelijk gekregen van de rechtbank. De rechtbank heeft in dit geval echter wel onderzocht of er aanleiding bestaat om de proceskosten van eiser te vergoeden. Dit zou het geval kunnen zijn als de frequentie en inhoud van de voortgangsberichten te wensen overliet. Immers, hoewel de AVG geen harde beslistermijn biedt, is met de mogelijkheid van het instellen van een beroep niet-tijdig beslissen een rechtsingang geboden om door de rechter te laten toetsen of verweerder voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 78, tweede lid, van de AVG en of hij handelt met inachtneming van overweging 141 van de AVG. Eiser kan totdat de klacht is afgehandeld steeds zo’n beroep niet-tijdig indienen. Eiser kan zelf niet beoordelen of de klacht met inachtneming van de regelgeving wordt behandeld en kan dit alleen door de rechter laten toetsen. Dit komt mede omdat deze de inhoud van de voortgangsberichten onder andere kan beoordelen in het licht van de inhoud van de geheime stukken. Zoals hiervoor is overwogen vindt de rechtbank de voortgangsberichten wat betreft inhoud en frequentie voldoende. Daarom hoeft verweerder de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
- het beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2020 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en
mr. M. Eversteijn, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2020.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:13 van de Awb

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Artikel 4:14

1. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.

3 Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.


Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Artikel 8:29

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
[…]

3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.


Algemene Verordeningen Gegevensbescherming
Overwegingen

(141) Iedere betrokkene dient het recht te hebben om een klacht in te dienen bij één enkele toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, en een doeltreffende voorziening in rechte in te 4.5.2016 L 119/25 Publicatieblad van de Europese Unie NL stellen overeenkomstig artikel 47 van het Handvest indien hij meent dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van deze verordening of indien de toezichthoudende autoriteit niet optreedt naar aanleiding van een klacht, een klacht gedeeltelijk of geheel verwerpt of afwijst, of indien deze niet optreedt wanneer zulk optreden noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van de betrokkene. Het onderzoek dat naar aanleiding van een klacht wordt uitgevoerd, gaat niet verder dan in het specifieke geval passend is en kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De toezichthoudende autoriteit dient de betrokkene binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van de voortgang en het resultaat van de klacht. Indien de zaak verder onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit vereist, dient de betrokkene tussentijdse informatie te worden verstrekt. Elke toezichthoudende autoriteit dient maatregelen te treffen om het indienen van klachten te faciliteren, zoals het ter beschikking stellen van een klachtenformulier dat tevens elektronisch kan worden ingevuld, zonder dat andere communicatiemiddelen worden uitgesloten.

Artikel 77
1.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevensinbreuk maakt op deze verordening.
2.De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel 78.

Artikel 78
1.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
2.Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende klacht.
3.Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.
[…].

1 TK II 2017-2018, 34851, nr. 3 pag. 27

2 TK II 2017-2018, 34851, nr. 3 pag. 27 en 28

3 TK II 2017–2018, 34 851, nr. 7 pag. 26