Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4424

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buiten zitting; te laat bezwaar; verzending poststuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , Curacao , eiseres

(gemachtigde: I. Hilgeholt),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 14 april 2020 (het bestreden besluit). In dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 11 oktober 2019 (het primaire besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. In een zaak die valt onder Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals deze zaak, moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken na de datum waarop dat besluit is genomen of - als het besluit pas later bekend is gemaakt - binnen zes weken na de datum van bekendmaking (artikel 35 van de Awir). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 11 oktober 2019. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 22 november 2019 ingediend moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 31 januari 2020. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.

3. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat tijdig bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit, omdat haar gemachtigde op 18 november 2019 een pro-forma bezwaarschrift naar verweerder heeft verzonden. Het pro-forma bezwaarschrift is vervolgens op 29 januari 2020 nader gemotiveerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een factuur overgelegd voor de postservice die haar gemachtigde betaalt en twee getuigenverklaringen.

4. Verweerder stelt dat het bezwaar te laat is ingediend, omdat hij voor het eerst op 31 januari 2020 een bezwaarschrift heeft ontvangen. Het pro-forma bezwaarschrift van 15 november 2019 heeft verweerder niet ontvangen. De verklaring die eiseres geeft voor de termijnoverschrijding, dat er al eerder en tijdig bezwaar is gemaakt, is voor verweerder daarom niet acceptabel.

5. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Volgens vaste rechtspraak vindt terpostbezorging plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van een postbedrijf wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het aan een postbedrijf wordt aangeboden.1

6. Verweerder heeft voor het eerst op 31 januari 2020 een bezwaarschrift ontvangen. Dat is buiten de bezwaartermijn. Eiseres stelt dat zij eerder en binnen de bezwaartermijn, namelijk op 18 november 2019, pro-forma bezwaar heeft gemaakt. Aangezien verweerder aangeeft geen eerder pro-forma bezwaarschrift te hebben ontvangen, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Daarin is zij niet geslaagd.

Eiseres heeft met de overgelegde stukken namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het pro-forma bezwaarschrift daadwerkelijk op 18 november 2019 ter post is bezorgd. Op de factuur staan kosten die zijn gemaakt voor postzegels en uit de getuigenverklaringen valt op te maken dat het pro-forma bezwaarschrift is gefrankeerd en is aangeboden aan het postorderbedrijf. Aan deze stukken kan echter niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan toekent, omdat hier niet met een voor de rechtbank verifieerbaar bewijs uit blijkt dat het pro-forma bezwaarschrift daadwerkelijk ter post is bezorgd. Wanneer een poststuk niet aangetekend wordt verzonden, neemt de verzender het risico dat niet aannemelijk gemaakt kan worden dat het poststuk tijdig is verzonden.

Daarnaast is niet gebleken dat eiseres binnen de termijn het bezwaarschrift op een andere, voor de rechtbank verifieerbare, wijze heeft doen toekomen, bijvoorbeeld per fax of door feitelijke afgifte bij verweerder. Dit risico moet voor rekening van eiseres blijven. Verder is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift een fatale termijn van openbare orde. Dat betekent dat de duur van die termijn niet kan worden gewijzigd en dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moet worden als het te laat is ingediend zonder dat daar een geldige reden voor is. In dit geval is van een geldige reden voor het te laat indienen van het bezwaar niet gebleken en daarom heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2019 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond (artikel 8:54 van de Awb).

8. Eiseres krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra rechter, in aanwezigheid van R.P. Stehouwer, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:157) en van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1552).