Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4381

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
NL19.19736NL19.19736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging van vennootschap onder firma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer: NL19.19736

Vonnis van 9 april 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] , hierna te noemen [eiser sub 1]
wonende te [woonplaats 1] ,
2. vennootschap onder firma (vof)
[eiseres sub 2] , hierna te noemen de VOF
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisers van de vordering,
verweerders op de tegenvordering,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat mr. D.A. Siddiqui te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerder op de vordering,
eiser van de tegenvordering,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. P. de Haan te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 17 december 2019

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 27 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten (in aanvulling op de feiten opgenomen in het vonnis van 17 december 2019)

2.1.

Vanaf zijn toetreding in de VOF heeft [verweerder] werkzaamheden in de supermarkt verricht, waarvoor hij een financiële vergoeding kreeg.

2.2.

In oktober/november 2017 heeft [eiser sub 1] een formulier doen toekomen aan [verweerder] , waarmee [verweerder] zich uit kon schrijven als vennoot bij de Kamer van Koophandel.

3 De vordering

3.1.

[eiser sub 1] c.s. vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

-voor recht verklaart dat de VOF per 1 september 2017 is opgezegd;

-voor recht verklaart dat [verweerder] sinds 1 september 2017 niet meer feitelijk betrokken is geweest in de supermarkt en sindsdien ook niets meer te maken had met de VOF of verzocht heeft om betrokken te blijven, waaruit de opzegging kon worden afgeleid;

[verweerder] veroordeelt om medewerking te verlenen bij de beëindiging van de VOF op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag/dagdeel dat [verweerder] hieraan niet voldoet;

- [verweerder] veroordeelt om zichzelf als vennoot uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag/dagdeel dat [eiser sub 1] hieraan niet voldoet;

-de VOF per omgaande, dan wel op door een door de rechtbank te bepalen termijn, ontbindt op grond van gewichtige redenen;

-voor recht verklaart dat [verweerder] geen recht heeft op de winst uit de VOF, althans op een bepaald percentage van de winst;

de onderneming aan [eiser sub 1] c.s. toebedeelt;

- [verweerder] veroordeelt in de kosten en nakosten van het geding, met inbegrip van het salaris advocaat.

3.2.

[eiser sub 1] c.s. grondt zijn vordering op het volgende.

Toen [eiser sub 1] vaststelde dat [verweerder] al dan niet met zijn echtgenote of vriendin de supermarkt bestal heeft [eiser sub 1] in september 2017

[verweerder] de toegang tot de supermarkt ontzegd, zodat [verweerder] vanaf dat moment ook geen werkzaamheden voor de supermarkt meer verricht heeft. In oktober/november 2017 heeft [eiser sub 1] een formulier aan [verweerder] doen toekomen, waarmee laatstgenoemde zich bij de Kamer van Koophandel als vennoot uit de VOF moest uitschrijven. Dat heeft [verweerder] echter niet gedaan. [eiser sub 1] heeft de VOF opgezegd en zo daar geen sprake van is dient rechterlijke ontbinding van de VOF te volgen.

[verweerder] heeft geen geld, maar slechts arbeid ingebracht in de VOF. Voor die arbeid kreeg hij een vergoeding van € 500,00 per week.

4 Het verweer op de vordering

4.1.

[verweerder] vindt dat de rechtbank de VOF [eiseres sub 2] niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vordering, omdat [verweerder] , die vennoot is van de VOF, geen toestemming heeft gegeven voor het voeren van de procedure en [eiser sub 1] niet bevoegd is om de procedure namens de VOF te voeren. Daarnaast kan de VOF geen procedure aanspannen tegen hem, [verweerder] , als vennoot van die VOF.

4.2.

[verweerder] betwist dat hij of zijn echtgenote/vriendin zich schuldig gemaakt heeft aan diefstal ten nadele van de supermarkt. De VOF is volgens [verweerder] niet door opzegging door [eiser sub 1] beëindigd. [eiser sub 1] heeft hem alleen de toegang tot de supermarkt ontzegd.

[verweerder] is van mening dat eerst een eindafrekening tot stand moet komen. Hij heeft recht op een deel van de inbreng in de VOF, zoals blijkt uit zijn tegenvordering.

[verweerder] betwist dat hij een normale vergoeding voor al zijn werkzaamheden heeft ontvangen. Hij stelt zich op het standpunt, dat hij nog recht heeft op een deel van de winst. Ook dat hij heeft opgenomen in zijn tegenvordering.

4.3.

[verweerder] komt tot de conclusie dat de rechtbank [eiser sub 1] c.s. niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn vordering dan wel hem die vordering moet ontzeggen en hem moet veroordelen in de kosten van het geding.

5 De tegenvordering

5.1.

[verweerder] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk, [eiser sub 1]

-veroordeelt om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 179.879,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontbinding van de VOF, althans vanaf de dag van de tegenvordering, althans vanaf een datum die de rechtbank redelijk acht, althans een bedrag van € 137.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontbinding van de VOF, althans vanaf de datum van de tegenvordering, althans vanaf een datum die de rechtbank redelijk acht

-veroordeelt om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 75.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontbinding van de VOF, althans vanaf de datum van de tegenvordering, althans vanaf een datum die de rechtbank redelijk acht;

-veroordeelt in de kosten van het geding.

5.2.

[eiser sub 1] grondt zijn vordering op het volgende.

[eiser sub 1] en [verweerder] hadden allebei een belang in een Surinaamse vennootschap genaamd [onderneming 1] N.V. (hierna: [onderneming 1] ). In de periode van 2010 tot 2013 heeft [eiser sub 1] ten onrechte financiële middelen aan die vennootschap onttrokken. Hij deed dit door [onderneming 1] gelden aan personen in Suriname uit te laten betalen bij wijze van “ money transfers” naar aanleiding van betalingen ten behoeve van die personen bij zijn onderneming [onderneming 2] , zonder de bij [onderneming 2] gedane betalingen bij [onderneming 1] terecht te laten komen, door [onderneming 1] goederen te laten leveren aan de onderneming van [onderneming 3] VOF, waarvan hij vennoot is en door geld van een lening afgesloten ten behoeve van de onderneming van [onderneming 1] te incasseren en niet terug te betalen. De aan de vennootschap onttrokken financiële middelen heeft hij gebruikt om de onderneming van de VOF te kopen en om de supermarkt en zijn andere ondernemingen van middelen te voorzien.

[verweerder] heeft nog recht op een aandeel in de winst van de VOF in de periode 2013 tot en met 2018. € 15.000,00 per jaar is een redelijke en billijke minimale vergoeding. Het totaal is dan een bedrag van € 75.000,00.

6 Het verweer op de tegenvordering

6.1.

[eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat eventuele onttrekkingen aan [onderneming 1] zouden kunnen leiden tot vorderingen van die vennootschap, maar dat deze vorderingen verjaard zijn. [eiser sub 1] c.s. betwist dat [onderneming 2] betrokken was bij “money transfers” en dat [onderneming 2] gelden van [onderneming 1] ontvangen heeft. [onderneming 1] heeft wel goederen aan [onderneming 3] VOF geleverd, maar [eiser sub 1] c.s. betwist de hoogte van het bedrag, dat daarmee volgens [verweerder] gemoeid is. In elk geval zou daarvoor de VOF of de ander vennoot van die VOF aangesproken moeten worden. [eiser sub 1] c.s. acht de verklaringen, die [verweerder] in het geding gebracht heeft (producties 5, 5a, 6, 7 en 8 ) niet geloofwaardig. Volgens [eiser sub 1] c.s. is de lening afgelost voor [onderneming 1] ten voordele van [verweerder] en [eiser sub 1] .

6.2.

[eiser sub 1] c.s. komt tot de slotsom, dat de rechtbank [verweerder] niet-ontvankelijk moet verklaren in diens vordering, althans die vordering zou moeten afwijzen met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.

7 Beoordeling

Vordering

7.1.

Partijen hebben geen schriftelijke overeenkomst gesloten en hebben dan ook niets vastgelegd over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten. [eiser sub 1] c.s. stelt dat [eiser sub 1] onbeperkt bevoegd is om namens de VOF te handelen. De gegevens die bij de Kamer van Koophandel ingeschreven zijn bevestigen dat. Nu [verweerder] zijn standpunt in deze niet verder heeft kunnen onderbouwen komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser sub 1] geen toestemming van [verweerder] nodig had om een gerechtelijke procedure te beginnen. Geen rechtsregel verzet zich tegen het aanspannen van een procedure door een vennootschap onder firma tegen een van de vennoten. De rechtbank zal de VOF dan ook niet niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7.2.

Tussen partijen staat vast dat [eiser sub 1] zijn broer [verweerder] in september 2017 de toegang dat de supermarkt te [vestigingsplaats] ontzegd heeft, zodat deze daar niet meer kon werken. Ook zijn zij het er over eens dat [eiser sub 1] vervolgens in oktober of november 2017 aan [verweerder] een formulier toegezonden heeft met het verzoek zich daarmee bij de Kamer van Koophandel uit te schrijven als vennoot in de VOF. [verweerder] erkent dat hij na september niet meer werkzaam is geweest in de supermarkt. De rechtbank leidt uit het voorgaande, in het bijzonder uit het toezenden van het formulier, af dat [eiser sub 1] de vennootschap opgezegd heeft. Nu partijen niets overeengekomen zijn met het oog op een eventuele opzegging is dat ook voldoende.

7.3.

Gevolg van de opzegging is niet alleen dat [verweerder] geen vennoot meer is, maar ook dat de vennootschap ten einde komt. [eiser sub 1] stuurt blijkens zijn vordering aan op beëindiging van de vennootschap.

7.4.

Een ander gevolg van de opzegging – en van de beëindiging van de VOF – is dat vereffening plaats dient te vinden, waarbij de vennoten het vermogen van de VOF dienen te waarderen en te verdelen. De rechtbank zal, zoals uit wat hierna volgt, de tegenvordering van [verweerder] afwijzen, maar dat sluit niet uit dat [verweerder] bij verdeling om andere redenen recht op een deel van het vennootschapsvermogen heeft. Van belang in dat verband is het volgende. Partijen zijn het er wel over eens dat [verweerder] arbeid in bracht in de vennootschap, maar ze zijn het niet eens over het bedrag dat [verweerder] daarvoor ontvangen heeft. [verweerder] stelt, zoals hierna bij de bespreking van de tegenvordering aan de orde komt, dat hij per week slechts € 100,00 voor zijn arbeid ontvangen heeft, terwijl hij recht had op meer. Volgens [eiser sub 1] heeft hij meer ontvangen, namelijk € 500,00 per week. Daarnaast vermeldt [eiser sub 1] zelf in zijn reactie op de tegenvordering dat [verweerder] bij de Kamer van Koophandel als vennoot met een belang van 5% vermeld staat en dat uit de jaarcijfers van de VOF blijkt dat de boekhouder 15% winst heeft toebedeeld aan [verweerder] en als inleg op 1 januari 2013 - van [verweerder] begrijpt de rechtbank - een bedrag van € 11.519,00 heeft genoteerd en dat dit bedrag nadien verminderd dan wel verrekend is. Weliswaar heeft [eiser sub 1] daaraan toegevoegd dat de vermelding bij de Kamer van Koophandel en de opstelling in de boekhouding slechts geschied zijn om aan administratieve vereisten te voldoen en niet met de werkelijkheid overeenstemmen, maar dit heeft hij niet nader kunnen onderbouwen. Ten slotte zou hij nog anderszins gerechtigd kunnen zijn tot een deel van het vermogen van de VOF. De rechtbank komt tot de slotsom niet zij kan niet vaststellen dat [verweerder] geen enkel recht meer zou kunnen hebben op een uitkering bij verdeling van het vennootschapsvermogen.

7.5.

[verweerder] betwist niet dat hij zijn uittreden uit de vennootschap en daarmee de beëindiging van de VOF bij de Kamer van Koophandel zou moeten registreren, maar stelt de afrekening als voorwaarde daarvoor. Door de opzegging is de VOF echter beëindigd, zodat op grond daarvan afrekening moet plaatsvinden. [verweerder] kan zich uitschrijven zonder zijn eventuele rechten bij de vereffening van de VOF aan te tasten. [eiser sub 1] c.s. heeft ook belang bij de uitschrijving door [verweerder] , omdat de Handelsregisterwet, in het bijzonder de artikelen 18 en 19 daarvan, deze verplichting aan alle vennoten oplegt.

7.6.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is zover deze ziet op een verklaring voor recht dat de VOF is opgezegd, de medewerking die te verlenen is bij de beëindiging van de VOF en de uitschrijving als vennoot bij de Kamer van Koophandel. Aan de medewerking bij de beëindiging en de uitschrijving bij de Kamer van Koophandel zal de rechtbank een termijn en een dwangsom met een maximum verbinden, een en ander zoals hierna onder de beslissing omschreven. Bij de verklaring voor recht dat de opzegging af te leiden is uit de omstandigheid dat [verweerder] niet langer betrokken is bij de VOF en een rechterlijke ontbinding heeft [eiser sub 1] gezien het voorgaande geen belang meer. Deze onderdelen van de vordering zal de rechtbank afwijzen. Dat zelfde lot treft de vordering, waar deze inhoudt een verklaring voor recht over de rechten van [verweerder] op de winst uit de VOF en de toedeling van de onderneming aan [eiser sub 1] .

7.7.

Nu de rechtbank beide partijen deels in het gelijk stelt zal zij de proceskosten compenseren in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Tegenvordering

7.8.

Ter onderbouwing van zijn tegenvordering heeft [verweerder] verwezen naar overzichten van financiële transacties die [onderneming 1] betreffen en die ten goede gekomen zouden zijn aan [eiser sub 1] (producties 3, 4 en 4a) en naar schriftelijke verklaringen van [A] , [B] , [C] , en [D] (producties 5, 5a, 6, 7 en 8). In de eerste plaats volgt uit eventuele financiële transacties die [onderneming 1] ten gunste van [eiser sub 1] verricht zou hebben niet, in geval een deel van deze gelden door [eiser sub 1] aangewend zou zijn voor de koop en exploitatie van de supermarkt in [vestigingsplaats] , dat [verweerder] , als vennoot van de VOF, daartoe gerechtigd zou zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] als uitleg gegeven dat de gelden ook niet aan [eiser sub 1] toebehoren. Dat is echter geen reden om [verweerder] persoonlijk gerechtigd te achten tot gelden die uit de vennootschap [onderneming 1] afkomstig zijn. Uit genoemde overzichten volgt bovendien niet wanneer en op welke wijze de gelden van [onderneming 1] door [eiser sub 1] aangewend zijn voor de supermarkt in [vestigingsplaats] . In de schriftelijke verklaringen wordt dat ook niet verduidelijkt. De rechtbank zal dit deel van de deze vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

7.9.

[verweerder] heeft zijn vordering waar deze ziet op het uitkeren van een vergoeding niet anders onderbouwd dan met de stelling dat dit een redelijke en billijke vergoeding is. Ter zitting heeft [verweerder] hieraan toegevoegd, dat hij voor zijn arbeid recht op € 500,00 per week had, maar dat hij slechts € 100,00 per week ontvangen heeft. Dit heeft hij echter niet nader kunnen onderbouwen. Dat acht de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [verweerder] recht heeft op een vergoeding zoals gevorderd. De rechtbank zal ook dit deel van de vordering afwijzen. Het voorgaande laat onverlet, zoals de rechtbank hiervoor onder 7.4 overwogen heeft, dat [verweerder] nog recht zou kunnen hebben op een deel van het vermogen van de VOF.

7.10.

De rechtbank zal [verweerder] als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Deze begroot de rechtbank aan de zijde van [eiser sub 1] tot op heden als volgt:

salaris advocaat: € 1.201,00 (0,5 punt à € 2.402,00)

8 Beslissing

De rechtbank

op de vordering:

-verklaart voor recht dat de VOF in 2017 is opgezegd;

-veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen bij de beëindiging van de VOF op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij hieraan niet voldoet met een maximum van € 25.000,00;

-veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zichzelf als vennoot uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij hieraan niet voldoet met een maximum van € 25.000,00;

-veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. begroot op € 157,00 aan salaris advocaat , te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag

van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak,

-verklaart deze beslissing tot zover uitvoer bij voorraad;

-wijst de vordering voor het overige af;

-compenseert de proceskosten in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt;

op de tegenvordering:

-wijst de vordering af;

-veroordeelt [verweerder] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. begroot op € 1.201,00;

-verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.