Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4364

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2931
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Rijbewijs, vovo en beroep afgedaan, CBR moest onderzoek naar geschiktheid opleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/2931 en UTR 20/2932

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.F.M. Wasser),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). verweerder,

(gemachtigde: mr. S.J.M. van der Ark).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 5 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Over het verzoek

  1. Eiser wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het onderzoek naar zijn geschiktheid wordt geschorst en dat hij tijdens de lopende beroepsprocedure zijn rijbewijs terugkrijgt en weer mag autorijden. Hij heeft toegelicht dat hij zijn rijbewijs hard nodig heeft voor zijn werk. Eiser heeft dit voldoende met stukken onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen, omdat er een spoedeisend belang is.

  2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat meer onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom doet zij op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

  3. De toepasselijke wetgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
    Over het bestreden besluit

  4. Op 31 januari 2020 heeft de Politie Eenheid Midden-Nederland eiser aangehouden. Van de aanhouding is een proces-verbaal opgemaakt, waaruit blijkt dat eiser met zijn auto het verhoogde deel van een rotonde opreed, terwijl dit niet nodig was. Daarna slingerde de auto over de rijstrook. Eiser is gevorderd om mee te werken aan een ademonderzoek. Dit onderzoek mislukte meerdere keren, omdat eiser te weinig ademvolume had voor de blaastest. Er is vervolgens voor nader onderzoek bloed afgenomen bij eiser. Het laboratorium waar eisers bloed is onderzocht, heeft een alcoholgehalte van 2.39 ‰ geconstateerd. Verweerder heeft daarom aan eiser een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd.
    Standpunt van eiser

  5. Eiser is het met dit besluit niet eens. Hij stelt dat hij niet meer dan twee borrelglaasjes alcohol heeft gehad, wat het gemeten alcoholpromillage in zijn bloed niet kan verklaren.
    Volgens eiser kan verweerder alleen maar een onderzoek naar de geschiktheid opleggen, als er onderzoek is gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Wvw, waaruit blijkt dat eiser een te hoog alcoholpercentage in zijn bloed had. Het onderzoek dat hier is uitgevoerd kan niet gelden als zo’n onderzoek, omdat verweerder de waarborgen die zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (het Besluit) niet in acht heeft genomen. Deze waarborgen gelden niet alleen in het strafrecht, maar ook in het bestuursrecht. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer naar de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 5 november 2014.1
    Eiser betoogt dat in het Besluit zowel procedurele bepalingen als strikte waarborgen zijn opgenomen. Deze waarborgen strekken ertoe de juistheid en/of betrouwbaarheid van het resultaat te waarborgen. Volgens hem zijn de artikelen 13, 16 en 17 in zijn situatie geschonden en behoren die, gelet op de Nota van Toelichting, nu juist tot die strikte waarborgen. Om die reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
    Standpunt van verweerder

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het bestuursrecht andere maatstaven gelden als in het strafrecht en dat eiser teveel leunt op de uitspraken die in het strafrecht zijn gedaan. Volgens verweerder maakt het niet naleven van de genoemde artikelen uit het Besluit niet dat de conclusie van verweerder anders wordt. Feit is dat eiser is staande gehouden met een bloedalcoholpercentage van 2.39‰ en dat dit, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de wetgeving, leidt de oplegging van een maatregel en de schorsing van het rijbewijs.

7. Verweerder heeft in zijn verweerschrift een nadere toelichting gegeven onder verwijzing naar een stuk afkomstig van de onderzoeker drs. [A] ( [A] ). Uit dat stuk blijkt volgens verweerder dat aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 13 en 16 van het Besluit is voldaan. Hoewel niet aan de gestelde termijn in artikel 17 van het Besluit is voldaan, betekent dit niet dat verweerder zich niet mocht baseren op de uitkomst van het bloedonderzoek. Deze termijn dient een ander doel en raakt niet de uitkomst van het bloedonderzoek, aldus verweerder.
Beoordeling van de beroepsgronden

8. De voorzieningenrechter zal eerst onderzoeken of in eisers situatie is voldaan aan de termijnen van de artikelen 13, 16 en 17 van het Besluit. Als dat niet het geval is, zal zij onderzoeken wat daarvan het gevolg zou moeten zijn.

9. Op grond van artikel 13 van het Besluit moest het bloed dat bij eiser is afgenomen, zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij het laboratorium. In dit geval is er bij eiser vrijdag 31 januari 2020 bloed afgenomen en dat bloed is op woensdag 5 februari 2020 bezorgd bij een erkend laboratorium in Duitsland. Eiser stelt dat in het strafrecht een termijn van drie dagen al fataal kan zijn en dat geldt volgens hem eens te meer voor een termijn van vijf dagen.

10. De voorzieningenrechter geeft eiser hierin geen gelijk. In het Besluit is alleen als eis opgenomen dat het bloedmonster zo spoedig mogelijk bezorgd moet zijn bij het laboratorium. Er is geen strikte termijn gegeven en dat betekent dat het aan de rechter is om op basis van de feiten en omstandigheden te beoordelen of het bloedmonster zo spoedig mogelijk bij het laboratorium is bezorgd. Hierin verschilt het bestuursrecht overigens niet van het strafrecht: ook in strafrechtelijke zaken is het aan de rechter om op basis van de voorliggende feiten te beoordelen of het bloedmonster zo spoedig mogelijk is bezorgd bij het laboratorium.2
Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat het bloed op een vrijdag aan het eind van de middag bij eiser is afgenomen en dat het op woensdag per koerier in Duitsland is bezorgd. In die periode is een weekend gelegen en het bloedmonster moest vanuit Nederland naar een Duits laboratorium worden getransporteerd. De voorzieningenrechter vindt dat een termijn van vijf dagen gelet daarop in dit geval niet te lang is en oordeelt dat de norm uit artikel 13 van het Besluit niet is overschreden. Het bloedmonster is zo spoedig mogelijk bezorgd bij het laboratorium. Dat verweerder ervoor heeft gekozen het bloedonderzoek door een Duits laboratorium te laten uitvoeren en daarmee de situatie heeft gecreëerd dat het onderzoek (mogelijk) langer duurt, geeft gelet op de termijn waarbinnen het bloedmonster is bezorgd geen aanleiding voor een andere conclusie.

11. Eiser stelt verder dat niet is voldaan aan artikel 16 van het Besluit, omdat zijn bloed niet binnen twee weken is onderzocht. Het laboratorium heeft het bloedmonster namelijk op 5 februari 2020 ontvangen en volgens eiser pas op 9 maart 2020 onderzocht. Dat is volgens eiser een forse overschrijding van de termijn, namelijk drie weken.

11. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter eiser niet. Verweerder heeft hierover met zijn verweerschrift en het stuk van [A] nadere duidelijkheid gegeven. Hieruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het rapport van [A] weliswaar is opgesteld op 9 maart 2020, maar het feitelijke onderzoek, dat wil zeggen de alcoholbepaling in het bloed, heeft op 10 en 11 februari 2020 plaatsgevonden. Dat is ruim binnen de termijn van twee weken na ontvangst van het bloedmonster. [A] heeft vervolgens toegelicht dat het rapport later is opgesteld, omdat er in diezelfde week ook een grote hoeveelheid drugsanalyses moesten worden verricht en dat de uitbraak van de Covid-19 pandemie en de gevolgen daarvan voor de personele bezetting in het laboratorium, ook voor vertraging heeft gezorgd. Dat het rapport later is opgesteld, maakt niet dat het onderzoek niet tijdig heeft plaatsgevonden.

11. Eiser heeft er verder op gewezen dat [A] in zijn toelichting nog heeft meegedeeld dat er op enig moment controles hebben plaatsgevonden van de op 10 en 11 februari 2020 gemeten resultaten. Volgens hem maken deze controles deel uit het van het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wvw en is om die reden sprake van een overschrijding van de in artikel 16 van het Besluit gegeven termijn. De voorzieningenrechter ziet dit echter niet zo. De daadwerkelijk alcoholbepaling in het bloed is binnen de gestelde termijn uitgevoerd en dat is doorslaggevend. Een latere controle, als onderdeel van een zorgvuldige procedure, is niet aan te merken als het uitvoeren van het onderzoek zelf. Bovendien is door eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat deze controles buiten de tweewekentermijn hebben plaatsgevonden. Ook hieraan gaat de voorzieningenrechter dus voorbij.

11. Tot slot heeft eiser erop gewezen dat hij het rapport van 9 maart 2020 niet binnen een termijn van een week heeft ontvangen, zoals is voorgeschreven in artikel 17 van het Besluit. Eiser heeft pas na tien dagen een afschrift van het rapport ontvangen en hij meent dat de overschrijding van deze termijn ertoe leidt dat er geen onderzoek is uitgevoerd zoals bedoeld in artikel 8 van de Wvw. Hij wijst in het bijzonder naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014 en naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014.3

15. De voorzieningenrechter volgt eiser ook niet in dit betoog. Het is inderdaad niet zo dat binnen het bestuursrecht de in het Besluit met waarborgen omklede procedure niet, of niet volledig, hoeft te worden nageleefd. Dat moet namelijk volgens vaste rechtspraak wel. Echter als een norm niet is nageleefd, betekent dat niet zonder meer dat het besluit dat verweerder daaropvolgend heeft genomen, moet worden vernietigd. Het is daarbij - kort gezegd - van belang dat de schending van de norm geen invloed mag hebben op de uitkomst van het onderzoek. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit standpunt in de uitspraken van de ABRvS van 18 december 2019 en 15 april 2020,4 die gaan over de overschrijding van de zogenaamde 20-minutennorm uit artikel 10 van het Besluit. Daar waar het overduidelijk is dat een ademonderzoekonderzoek naar het gebruik van alcohol ook ná de voorgeschreven 20 minuten ruim boven de grenswaarde zit, is verweerder bevoegd tot optreden, omdat in zo’n geval duidelijk is dat het ademalcoholpercentage hoog genoeg is om daartegen op te treden. Datzelfde geldt in deze situatie, waar eiser te laat op de hoogte is gesteld van de uitkomst van het bloedonderzoek. Het feit dat eiser het rapport niet binnen de vereiste termijn heeft ontvangen, doet immers niet af aan de eerder gemeten bloedwaarden. Ook ziet de voorzieningenrechter niet in hoe eiser door de late ontvangst van het rapport zou kunnen zijn benadeeld. Eiser heeft immers geen tegenonderzoek uitgevoerd. De voorzieningenrechter ziet dus ook hierin geen aanleiding om het bestreden te vernietigen.

16. Samenvattend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beroepsgrond van eiser dat het onderzoek geen onderzoek is geweest als bedoeld in artikel 8 van de Wvw niet slaagt. Het vermoeden dat eiser niet geschikt is om te rijden wordt ontleend aan een bloedalcoholpercentage van 2.39‰. Als er een vermoeden is van ongeschiktheid, leidt dit, gelet op de toepasselijke wet- en regelgeving, tot een onderzoek naar de geschiktheid. Dat eiser zijn auto nodig heeft voor zijn werk, kan verweerder, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de regels, niet bij de besluitvorming betrekken. De conclusie is dat het beroep van eiser ongegrond is.

16. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2020 door mr. V.E. van der Does, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De voorzieningenrechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE


Wegenverkeerswet 1994

Artikel 8

[…]

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

[…]

b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. […]

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

[...]

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

[…]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

bloedalcoholgehalte: bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet;

[…]

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van wet geschiedt in de volgende gevallen:

[…]

j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

[…]

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23

1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

[…]

Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer

Artikel 13

1. Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:

[…]

d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

[…]

Artikel 16

1. De onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, verricht het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. De methode die hij voor het bloedonderzoek hanteert, voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

[…]

Artikel 17

De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.

1 ECLI:NL:RVS:2014:3958

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 11 oktober 2011 ECLI:NL:HR:2011:BR3043

3 ECLI:NL:RVS:2014:4199

4 ECLI:NL:RVS:2019:4261 en ECLI:NL:RVS:2020:1047