Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4340

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
16/072208-96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis op vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Heropenen onderzoek voor nader onderzoek naar de haalbaarheid van een rechterlijke machtiging ex artikel 28a van de WZD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/072208-96 (vordering verlenging tbs)

Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 30 september 2020

in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

verblijvende in [verblijfplaats] .

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

- het verkort arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 september 1999 waarbij de betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege omdat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting;

- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 1 oktober 1999;

- de beslissing van deze rechtbank van 12 september 2018, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling voor het laatst is verlengd met twee jaar, zodat de maatregel zonder nadere voorziening thans eindigt op 1 oktober 2020;

- de vordering van de officier van justitie van 11 augustus 2020, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar;

- het verlengingsadvies van [naam inrichting] van 7 juli 2020, opgemaakt door drs. [A] (hoofd van de inrichting), drs. [B] (regiebehandelaar/GZ-psycholoog) en drs. [C] (psychiater), inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar.

- het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 3 april 2020, opgemaakt door [D] , psychiater;

- het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 17 juni 2020, opgemaakt door [E] , klinisch psycholoog;

- de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene, over de periode week 19/2018 tot en met week 15/2020;

- de overige stukken van het de betrokkene betreffende dossier.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling van de zaak heeft op 16 september 2020 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. J.R.F. Esbir Wildeman;

- de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.B. Stenger, advocaat te Amsterdam;

- de aan de kliniek verbonden deskundige, [B] .

Vanwege de maatregelen in verband met het coronavirus is betrokkene via een videoverbinding gehoord.

3 Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde verlengingsadvies. De deskundige voornoemd heeft ter zitting het advies van de inrichting toegelicht.

Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Ook is het recidiverisico nog aanwezig. Dit risico wordt bij beëindiging van de maatregel ingeschat als hoog. Betrokkene zal zich in de maatschappij niet staande kunnen houden, onmiddellijk overvraagd worden, maar ook niet in staat zijn om zelfstandig tot adequate beslissingen te komen om gevaar te herkennen laat staan af te wenden. Betrokkene is vanwege zijn complexe problematiek en verstandelijke beperking blijvend aangewezen op professionele begeleiding. Hij is aangemeld en in beginsel geaccepteerd voor de locatie [naam locatie] van [.] van [naam inrichting] in [plaatsnaam] . Op deze locatie kan de begeleiding en ondersteuning worden geboden die betrokkene nodig heeft. Voor een veilige resocialisatie is het noodzakelijk dat de begeleidingsstijl en het risicomanagement goed worden overgedragen. Daarbij moet aandacht zijn voor de behoefte aan duidelijkheid en structuur, aan begrenzing en aan begeleiding van sociale contacten. Vervolgens zal moeten worden onderzocht of afbouw van de maatregel terbeschikkingstelling middels proefverlof en een voorwaardelijke beëindiging tot de mogelijkheden behoort. Eveneens zal worden onderzocht of een omzetting naar een civielrechtelijke maatregel voldoende waarborgen biedt om het risicomanagement goed vorm te kunnen blijven geven.

Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van een jaar, zodat een afweging kan worden gemaakt om over een jaar mogelijk een civielrechtelijke machtiging te adviseren.

Ter terechtzitting heeft deskundige [B] toegelicht dat met de niet aan de inrichting verbonden deskundigen is gesproken over een rechterlijke machtiging. Met de problematiek van betrokkene is geconstateerd dat de terbeschikkingstelling oneindig door kan blijven lopen vanwege de aan zijn problematiek gekoppelde terugkerende incidenten. Dat heeft tot gevolg dat betrokkene nauwelijks verder komt in zijn TBS traject. Iedere keer als zich weer een incident voordoet waarover aangifte wordt gedaan, wordt het verlof ingetrokken en wordt hij weer teruggeplaatst. Vanwege de problematiek van betrokkenen zal behandeling niet kunnen leiden tot het achterwege blijven van incidenten. Risicomanagement zal dit hooguit kunnen beperken. Een rechterlijke machtiging kan in beginsel evenveel veiligheid voor betrokkene en zijn omgeving bieden als de huidige maatregel. Betrokkene zal nu worden overgeplaatst in het kader van de terbeschikkingstelling met als doel om de terbeschikkingstelling te vervangen door een rechterlijke machtiging.

4 Het standpunt van de niet aan de inrichting verbonden deskundigen

De deskundigen concluderen dat er bij betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Zij achten het recidiverisico op hernieuwd agressief gedrag bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling onverkort aanwezig.

Het advies van de deskundigen luidt dat een overgang naar een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in het kader van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna te noemen: WZD) te prevaleren valt boven het kader van de terbeschikkingstelling. Het voortzetten van de terbeschikkingstelling wordt niet noodzakelijk geacht, nu het risicomanagement minstens even goed binnen een civielrechtelijk kader kan worden vorm gegeven. Verder wordt als voordeel gegeven dat bij een overplaatsing binnen een rechterlijke machtiging de kliniek de regie houdt over het risicomanagement bij terugkerende incidenten van betrokkene. Verder kan de kliniek extra gelden mobiliseren om de intensieve begeleiding van betrokkene te blijven bieden indien het toestandsbeeld van betrokkene hiertoe aanleiding geeft.

Indien een dergelijke overplaatsing nog niet tot de mogelijkheden behoort, adviseren de deskundigen de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van een jaar.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting zijn vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met een jaar gehandhaafd. Daartoe heeft de officier van justitie – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat momenteel geen andere optie voorhanden is dan behandeling binnen het kader van de terbeschikkingstelling. Er worden momenteel stappen ondernomen om behandeling buiten het strafrechtelijk kader te onderzoeken, maar dat is voor nu onvoldoende concreet. Nu voor de overstap naar de locatie [naam locatie] een terbeschikkingstellingkader noodzakelijk wordt geacht, is een verlenging voor de gevorderde duur niet disproportioneel.

6 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen en een rechterlijke machtiging te verlenen , zodat verdachte in het kader van die machtiging wordt opgenomen in [naam locatie] . Uit zowel het verlengingsadvies als de rapporten van de niet aan de kliniek verbonden deskundigen blijkt dat met een lichtere maatregel dan de terbeschikkingstelling hetzelfde resultaat kan worden bereikt. Een verlenging van de terbeschikkingstelling is dan ook disproportioneel. Uit de rapporten blijkt dat een behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling niet het geëigende pad is voor betrokkene en dat zijn situatie binnen dit kader uitzichtloos is gelet op zijn problematiek en de daaruit voortkomende incidenten. Betrokkene wordt door deze terugkerende incidenten steeds teruggeplaatst, hetgeen bij een behandeling in het kader van de rechterlijke machtiging anders zal zijn. Verder kan een opname en verblijf in het kader van de WZD dezelfde maatregelen bieden ter voorkoming van recidive. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar een overplaatsing in het kader van de WZD.

7 Het oordeel van de rechtbank

Maximering

Betrokkene is bij arrest van 16 september 1999 veroordeeld voor poging tot verkrachting.

Het hof heeft daarin overwogen dat de opgelegde terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.

Stoornis en recidivegevaar

Uit het verlengingsadvies en de Pro Justitia-rapportages blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis bij betrokkene, te weten een autismespectrumstoornis, een laag sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau en een beperkte agressieregulatie en impulscontroleproblematiek. Het recidivegevaar wordt bij beëindiging van de maatregel als hoog ingeschat.

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het advies en de rapportages van de deskundigen te twijfelen en neemt deze over.

Heropenen en aanhouden in verband met voorbereiden rechterlijke machtiging

De rechtbank overweegt dat uit het verhandelde ter terechtzitting, het verlengingsadvies van de kliniek en de rapporten van de niet aan de kliniek verbonden deskundigen blijkt dat betrokkene zich momenteel in een uitzichtloze positie bevindt in zijn behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, nu hij vanwege zijn problematiek steeds recidiveert en de behandeling daardoor stagneert. De rechtbank is gelet op deze adviezen en rapporten van oordeel dat een overgang naar een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in het kader van de WZD prevaleert, nu een behandeling in een civielrechtelijk kader een lichtere alternatieve maatregel betreft, waarbij het risicomanagement volgens de deskundigen evengoed kan worden gehandhaafd.

De rechtbank overweegt dan ook om toepassing te geven aan artikel 2.3, tweede lid, van de Wet forensische zorg en verzoekt de officier van justitie in dat verband om zorg te dragen voor het laten uitvoeren van een onderzoek naar de haalbaarheid van een rechterlijke machtiging voor betrokkene ex artikel 28a van de WZD. Tevens verzoekt de rechtbank de officier van justitie duidelijkheid te verschaffen over het verlofregime in het kader van een rechterlijke machtiging ex artikel 47 van de WZD.

De rechtbank zal derhalve het onderzoek heropenen en schorsen tegen een nader te bepalen zitting, die zal plaatshebben binnen drie maanden na heden.

8 De beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- verzoekt de officier van justitie zorg te dragen voor het laten uitvoeren van een onderzoek naar de haalbaarheid van een rechterlijke machtiging voor betrokkene ex artikel 28a van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en duidelijkheid te verschaffen naar het verlofregime in het kader van een rechterlijke machtiging ex artikel 47 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;

- houdt de beslissing over verlenging van de terbeschikkingstelling aan en bepaalt dat het onderzoek wordt voortgezet op een nader te bepalen zitting die zal plaatshebben binnen drie maanden na heden;

- beveelt de oproeping van betrokkene en zijn raadsvrouw tegen dat tijdstip;

- beveelt de oproeping van de deskundige [B] tegen het tijdstip van hervatting van het onderzoek in raadkamer.

Deze beslissing is genomen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. G.A. Bos en L.M.M. Heppe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dam als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

Mr. Corbeij is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.