Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4320

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
8646085 / ME VERZ 20-105
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet van een beveiliger houdt stand. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het onrechtmatig wegnemen van enkele goederen uit de winkel. De handelwijze van verzoeker wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens de werkgever als goed werknemer te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat werkgever in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 29 september 2020

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 8646085 / ME VERZ 20-105 van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. R.B.M. van Poorten,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. R.G.E. de Vries en R.R.B. Dayala.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 6 producties van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 13 juli 2020;

- de brief van mr. De Vries van 9 september 2020 met producties 1 t/m 9;

- de brief van mr. De Vries van 11 september 2020 met producties 10 t/m 12;

- de brief van mr. De Vries van 14 september 2020 met productie 13;

- de brief van mr. Van Poorten van 14 september 2020 met producties 6 en 7.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1967, is sinds 22 februari 2019 voor bepaalde tijd tot 20 december 2020 in dienst van [verweerster] , laatstelijk als Beveiliger voor 40 uur per week tegen een salaris van gemiddeld € 2.383,92 bruto, exclusief onregelmatigheidstoeslag en vakantietoeslag, per periode van vier weken.

2.2.

In de Huis- en gedragsregels personeel [verweerster] B.V. staat onder meer opgenomen:

Middelen en eigendommen

(…)

Indien je tijdens de werkzaamheden toegang hebt tot middelen van de opdrachtgever als internet en telefoon, die je hiervan geen gebruik te maken tenzij dit door de opdrachtgever is gevraagd of tenzij je expliciet toestemming hebt verkregen.”

2.3.

Op 9 januari 2020 heeft [verzoeker] de Confidentiality Agreement van [naam onderneming] ondertekend. [naam onderneming] is een tussenpersoon van [.] . Zij contracteert met de beveiligingsbureau’s voor [.] . In annex 3 behorende bij de Confidentiality Agreement staat onder meer:

“ • Do not remove any items from de Client’s Customer’s properties without proper documentation and/or

sales receipt.”

2.4.

Op 18 februari 2020 stuurt [verweerster] aan [verzoeker] een officiële waarschuwing. Hierin staat onder meer:

“Zoals reeds vernomen heeft de officier van justitie besloten jou niet te vervolgen voor het proces-verbaal, waarin je als verdachte bent aangemerkt voor diefstal op 19 januari 2020 bij het [naam hotel] te [naam locatie] .

De reden hiertoe is het gebrek aan, dan wel onvoldoende bewijs en is er besloten de zaak te seponeren.

[verweerster] heeft jou gehoord in deze kwestie en is van mening dat jouw verklaring, het nalaten van tijdig en adequaat melding doen van jouw vondst en het weggooien van de lege blauwe doos, alsmede het meerdere malen de ruimte betreden zonder noodzakelijke aanleiding en het fotograferen van de spullen, een officiële waarschuwing waardig is.”

2.5.

Op vrijdag 15 mei 2020 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen. Dit is hem persoonlijk meegedeeld en later die dag per WhatsApp bevestigd. In het WhatsApp bericht staat onder meer:

“ [verzoeker] , naar aanleiding van het incident op vrijdagmiddag /avond 15 mei 2020 in de [naam winkel] in [plaatsnaam 1] , bevestigd ik bij deze, dat jij per direct op staande voet om ons beider bekende en vanavond door mij aan jou mondeling medegedeelde reden bent ontslagen. Naast deze officiële mededeling en bevestiging per WhatsApp, zal tevens nog een officiele bevestiging per brief worden toegezonden.”

2.6.

Op 18 mei 2020 bevestigd [verweerster] het ontslag op staande voet per brief. In de brief staat onder meer opgenomen:

“Hierbij bevestigen wij dat wij u op vrijdag 15 mei 2020 op staande voet hebben ontslagen.

De reden voor dit ontslag is, zoals wij ook op vrijdag 15 mei 2020 hebben meegedeeld, vanwege het incident zoals wij ter plekke hebben vastgesteld en u heeft bekend van het onrechtmatig wegnemen van enkele goederen uit de winkel zoals Ipad Pro, Cover Ipad Pro, Pencil en een Charger, althans u onrechtmatige gedragingen welke tevens kunnen worden genoteerd als diefstal, verduistering of soortgelijk. Hierbij is ook de politie ter plekke verschenen.

Door dit ontslag op staande voet bent u bovendien schadeplichtig geworden. Wij behouden ons dan ook het recht voor om deze schade op u te verhalen en/of deze schade te verrekenen met de eindafrekening van uw arbeidsovereenkomst, zoals onder minder de gefixeerde schadevergoeding.”

2.7.

Op 28 juli 2020 verklaart [A] onder meer:

“ [voornaam van verzoeker] en ik hebben een aantal nachten met elkaar gewerkt in de [naam winkel] in [plaatsnaam 1] . Ik heb met meerdere collega’s nachtdiensten gedraaid op deze locatie.

Wat mij echter op viel bij [voornaam van verzoeker] is dat hij voornamelijk met mij sprak over het aantal camera’s die er hingen, de “dode” hoeken en met welk gemak er [.] spullen uit het magazijn meegenomen konden worden en het gebrek aan controle. Die opmerking bevreemde mij, omdat wij er juist waren om de eigendommen van [.] te bewaken. Daarnaast verbleef hij vrij vaak achter in het magazijn en bleef langere periodes weg. Hij maakte op de laatste dag dat wij samengewerkt hadden op de locatie een vreemde opmerking. Hij claimde dat hij een [.] product had meegenomen voor zijn zoon. Ik heb er verder geen aandacht meer aan besteed, omdat ik het meer vreemde opmerkingen vond en er niets mee te maken wilde hebben.”

2.8.

Op 9 september 2020 verklaart [B] onder meer:

“Op vrijdag 15 mei 2020 ben ik getuige geweest van een diefstal bij [naam winkel] [plaatsnaam 1] . Tijdens mijn dienst heb ik geconstateerd dat mijn collega Dhr. [verzoeker] een nieuw doos in zijn handen had, mijn collega gaf hierbij aan dat hij bezig was met het updaten van zijn ipad, echter was hierbij duidelijk zichtbaar dat dit geen update was maar het instaleren van een nieuwe ipad.

Ondanks mijn wantrouwen ben ik verder gegaan met mijn dienst echter na een uur betrapte ik Dhr. [verzoeker] opnieuw met twee doosjes in zijn handen waarbij zijn exacte woorden waren ‘zoontje ook blij toch?’. In deze twee dozen zaten [.] Pencils en een doos met een [.] Watch, ik heb vervolgens direct actie ondernomen en mijn werkgever gebeld, deze is hierna op locatie verschenen.

Tijdens het wachten heb ik mijn collega nauw in de gaten gehouden, Dhr. [verzoeker] gaf hierbij aan dat hij de ipad hoesjes erg duur vond en vervolgens verdween er dan ook een ipad hoes in Dhr. [verzoeker] zijn tas. Naast het hoesje heb ik gezien dat Dhr. [verzoeker] de twee pennen, oplader en een ipad in zijn tas had gestopt en de [.] Watch om zijn pols heeft gedaan.

Bij aankomst van mijn werkgever zijn de verpakkingen door mij en Dhr. [C] teruggevonden onder aan in de container in de aparte afval ruimte. Dhr. [verzoeker] heeft ook zijn tas geopend waarin de nieuwe spullen waren verstopt. Vervolgens zijn deze spullen door de werkgever ingenomen op verzoek van [.] en heeft Dhr. [verzoeker] in mijn bijzijn mondeling bekend. Hij gaf aan dat hij zelf ook niet goed wist waarom en dat hij in een echtscheiding verkeerde. Hierop is de politie gebeld en deze is ook verschenen. Het is mij bekend dat de handelswijze van [voornaam van verzoeker] niet is toegestaan en hiervoor hebben wij onder meer ook een bedrijfsreglement van [verweerster] en zelf een formulier van [naam onderneming] / [.] ontvangen.”

2.9.

Tussen [verzoeker] en dhr. [D] heeft een WhatsApp gesprek plaatsgevonden. Hierin wordt onder meer het volgende gezegd:

“ [verzoeker] : Zal nog wel lekker rustig zijn

Zit een beetje te lezen wat die advocaat allemaal eist, die man durft echt je kan zien dat hij het al 20 jaar doet

[D] : Wat wist ie Wat eist ie

[verzoeker] : Salaris doorbetaling met 50% extra ivm te laat betalen, terug in dienst nemen op basis van 40 uur want daar had ik al recht op omdat de laatste 3 maanden ook 40 of meer waren. Dwangsom van €500 pd dat ze niet aan de eis voldoen vanaf het moment vd uitspraak

[D] : Maar betaal je die advocaat uit opbrengsten van [.] watch of Ipads verkoop

[verzoeker] : Ja

[D] :  

[verzoeker] : Watch heb ik niet alleen iPads

(…)

[verzoeker] : [plaatsnaam 1] kan ik me nog voorstellen, [plaatsnaam 2] is niet te doen

[D] : Ken me ook niet voorstellen dat er iemand dat gedaan heeft

[verzoeker] : [plaatsnaam 2] niet nee

[D] : Dan moet je gelijk hele magazijn inladen in busje

[verzoeker] : Telefoon of tablet stop je nog wel weg zonder gezien in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] sloeg ik het magazijn al standaard over, daar zien ze precies hoelaat iemand erin gaat

[D] : Ja maar [plaatsnaam 1] heeft toch ook cameras hangen overal

[verzoeker] : Ja in het gangpad niet tussen de stellingen”

2.10.

In een WhatsApp gesprek heeft [verzoeker] onder meer aangegeven:

“Enigste reden voor wat ik gedaan heb kan ik alleen bedenken dat het door de medicatie komt die ik gebruik om te stoppen met roken, daar staat ook in de bijsluiter: verlies van contact met de werkelijkheid, niet helder kunnen denken

(psychose)

Abnormaal gedrag”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- Primair

I. het gegeven ontslag te vernietigen;

II. [verweerster] te veroordelen tot betaling van het salaris van gemiddeld € 2.383,92 bruto per vier weken en van de ploegentoeslag van gemiddeld € 476,78 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag (8%), vanaf 20 april 2020 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente;

III. [verweerster] te verplichten binnen 24 uur na betekening van deze beschikking [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, zulks onder verbeurte van een dwangsom;

- Susidiair, voor het geval in rechte komt vast te staan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en de vordering tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen:

IV. [verweerster] te veroordelen in het kader van de eindafrekening aan [verzoeker] te betalen het van 20 april 2020 tot 14 mei 2020 verschuldigde salaris van gemiddeld € 2.383,92 bruto per vier weken en van de ploegentoeslag van gemiddeld € 476,78 bruto per maand, de verschuldigde vakantietoeslag (8%) en een vergoeding voor de tot 15 mei 2020 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren;

V. [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.267,00 aan transitievergoeding;

- Zowel primair als subsidiair

VI. [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven. Er is geen sprake van een dringende reden. Met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] is geen rekening gehouden. [verzoeker] had met een waarschuwing kunnen volstaan. Dit maakt het ontslag op staande voet al niet rechtsgeldig. Verder heeft [verzoeker] alleen een spelletje gespeeld op een [.] iPad. [verzoeker] had de iPad met cover, pencil en charger na gebruik weer in de verpakking willen doen en in het magazijn terug willen leggen. [verweerster] is er op voorhand vanuit gegaan dat [verzoeker] de [.] iPad met toebehoren mee naar huis had willen nemen, dat er sprake was van diefstal of verduistering. [verzoeker] heeft geen goederen “uit” de winkel ontvreemd, gestolen of verduisterd, hetgeen hem wel wordt verweten. Hij heeft de goederen uit de stelling gepakt en heeft er “in” de winkel mee gespeeld.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer. [verweerster] heeft onder meer aangevoerd, kort samengevat, dat de stukken voor zich spreken. [verzoeker] heeft erkend dat hij niet alleen een iPad, maar ook een pencil, cover en charter heeft gepakt. Dat is niet toegestaan. [verzoeker] heeft die dag met de heer [B] gewerkt en die heeft gezien dat [verzoeker] dingen deed die verboden waren. [B] heeft zijn werkgever gebeld. Die heeft in het bijzijn van [B] en de gemachtigde van [verweerster] , de heer Dayala, gehoord dat [verzoeker] heeft erkend te hebben gestolen. [verzoeker] ontkende eerst dat hij iets had gepakt, maar gaf later toe het wel te hebben gepakt. De verpakkingen zijn onderin de vuilcontainer gevonden. De doos van de cover was gescheurd. De pencil en de charter zijn in de tas van [verzoeker] gevonden. [verweerster] vraagt zich af waarom [verzoeker] als hij niet de intentie had om de spullen mee te nemen, een cover nodig had. Volgens [verweerster] liggen opladers voor vrij gebruik in de winkel. [verzoeker] heeft de goederen uit het magazijn weggenomen. [verzoeker] wist dat dat niet was toegestaan. Het ontslag is onverwijld gegeven. De reden is [verzoeker] op 15 mei 2020 meegedeeld. De persoonlijke omstandigheden meewegen gaat te ver gelet op een eerder voorval. [verzoeker] heeft wel een eindafrekening ontvangen. Het nog verschuldigde bedrag is echter niet aan [verzoeker] uitbetaald. [verweerster] beroept zich op verrekening. [verweerster] heeft door het handelen van [verzoeker] schade geleden. Zij is de opdracht van [.] kwijtgeraakt en ook de eerdere opdracht van het [naam hotel] op [naam locatie] .

5 De beoordeling

5.1.

Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.

5.2.

Kern van het geschil is de vraag of het op 15 mei 2020 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet vernietigd dient te worden.

5.3.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

Onverwijldheid

5.4.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de dringende reden van het ontslag op staande voet niet onverwijld is meegedeeld. [verzoeker] is op 15 mei 2020 op staande voet ontslagen. De brief met de mededeling van de dringende reden is hem pas op 18 mei 2020 toegestuurd.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] met de brief van 18 mei 2020 de reden voor het ontslag onverwijld meegedeeld. Ten aanzien van het doen van de mededeling van de dringende reden mag er een korte tijdspanne zitten tussen het gegeven ontslag, in casu op vrijdag 15 mei 2020, en de mededeling van de daaraan ten grondslag liggende redenen, in casu de brief van maandag 18 mei 2020 (zie ook: Gerechtshof Den Haag, 2 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:796).

Noch daargelaten de vraag of aan [verzoeker] de dringende reden op 15 mei 2020 niet is meegedeeld, zoals door [verzoeker] is gesteld, maar door [verweerster] is betwist, acht de kantonrechter de mededeling van de dringende reden bij brief van 18 mei 2020 nog vallen binnen de korte tijdspanne die tussen het ontslag en de mededeling mag liggen, dit geldt temeer nu tussen het gegeven ontslag, vrijdagavond, en het opstellen van de brief, maandag, een weekend is gelegen en nu [verweerster] per WhatsApp op 15 mei 2020 het ontslag op staande voet heeft bevestigd en daarbij heeft aangegeven dat dit is vanwege de mondeling aan [verzoeker] medegedeelde redenen.

5.6.

Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven.

Dringende reden

5.7.

[verzoeker] heeft verder betwist dat sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

5.8.

[verzoeker] heeft betwist dat er sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Hij heeft geen iPad, cover, pencil en charger gestolen, verduisterd of ontvreemd en niet uit de winkel weggenomen. [verzoeker] heeft deze goederen wel uit de stelling van de [naam winkel] in [plaatsnaam 1] gepakt, maar wilde deze na gebruik weer terugleggen. Hij heeft de iPad opgeladen en heeft hierop in de winkel aan een tafel een spelletje gespeeld. Hij wist dat dit niet was toegestaan.

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het onrechtmatig wegnemen van enkele goederen uit de winkel. De door [verweerster] geuite beschuldiging wordt in de eerste plaats ondersteund door een verklaring van [B] . [B] verklaart onder meer dat hij heeft gezien dat [verzoeker] een doos in zijn handen had en dat hij actie heeft ondernomen naar zijn werkgever. Hij heeft gezien dat [verzoeker] de iPad hoes, de pen en oplader in zijn tas heeft gestopt. De verpakkingen zijn door hem en dhr. [C] , directeur van [verweerster] , teruggevonden onderin een container. [verzoeker] heeft zijn tas geopend waar een deel van de spullen in zaten en in zijn bijzijn bekend (zie hiervoor onder 2.8). Dat de verklaring van [B] berust op pure fantasie, zoals [verzoeker] heeft gesteld, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Volgens [verzoeker] is het onmogelijk dat [B] hem heeft gezien met een doos, danwel twee dozen. [verzoeker] heeft echter erkend dat hij de goederen nog in de verpakking uit het magazijn heeft gehaald en de verpakking in de vuilcontainer heeft gelegd. De verpakkingen zijn ook onderin de vuilcontainer teruggevonden. [verweerster] heeft een foto van de vondst in het geding gebracht. Dat [B] ook verklaart dat [verzoeker] een [.] Watch heeft gestolen, maakt zijn verklaring, anders dan [verzoeker] stelt, niet vals en in strijd met de waarheid. Ook de verklaring van [A] (zie hiervoor onder 2.7) komt volgens [verzoeker] voort uit zijn fantasie. [verzoeker] heeft geen persoonlijke relatie en geen vertrouwensband met hem. Dat maakt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet dat geoordeeld moet worden dat ook deze verklaring valselijk is opgemaakt.

5.10.

De beschuldigingen worden daarnaast extra ondersteund door de in het geding gebrachte WhatsApp berichten. Op een vraag van [D] of [verzoeker] uit de opbrengsten van de [.] watch of iPads verkoop de advocaatkosten betaald geeft [verzoeker] bevestigend antwoord. Hij geeft daarbij aan dat hij alleen iPads heeft en geen [.] Watch. Ook meldt hij dat je een telefoon of tablet in [plaatsnaam 1] ongezien weg kunt stoppen en dat daar wel camera’s hangen, maar niet tussen de stellingen. In een ander WhatsApp gesprek geeft [verzoeker] aan dat de reden die hij kan bedenken komt door medicatie om te stoppen met roken en daardoor niet helder kunnen denken (zie hiervoor onder 2.9 en 2.10). Dat deze WhatsApp gesprekken over en weer als grap bedoeld zijn, heeft [verzoeker] wel gesteld, maar blijkt nergens uit. Juist het tegendeel blijkt hieruit nu deze gesprekken ook nog eens na het voorval zijn gevoerd en [verzoeker] aangeeft dat hij wel een iPad heeft maar geen [.] Watch. Hoe dit als een grap moet worden opgevat valt niet in te zien.

5.11.

Dat [.] geen aangifte heeft gedaan omdat er enkel sprake was van oneigenlijk, niet geautoriseerd, gebruik van een iPad heeft [verzoeker] wel gesteld, maar evenmin nader onderbouwd. [verweerster] heeft daarentegen aangeven dat het een policy van [.] is dat zij geen politie in de winkel wil, zij wil geen ruchtbaarheid aan dit soort zaken geven. De politie is wel buiten de winkel geweest.

5.12.

[verzoeker] heeft verder nog gesteld dat hij de goederen niet uit de winkel heeft meegenomen. [verzoeker] heeft echter erkend dat hij deze goederen uit het magazijn van [.] heeft meegenomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in dit geval met elkaar te vereenzelvigen.

5.13.

Onaannemelijk is de verklaring van [verzoeker] dat hij de goederen heeft gepakt om daar een spelletje mee te spelen en later terug te leggen. Onbetwist is immers gesteld dat [verzoeker] zijn eigen iPad in zijn tas bij zich had. Waarom hij dan een nieuwe iPad nodig had om spelletjes te spelen heeft [verzoeker] niet verduidelijkt. [verzoeker] heeft ook een cover gepakt. Waarom hij een cover nodig had om spelletjes te spelen heeft [verzoeker] evenmin verduidelijkt. Verder heeft [verzoeker] erkend dat hij de verpakkingen in de vuilcontainer heeft gedaan. Op de door [verweerster] overgelegde foto is te zien dat een verpakking is gescheurd en dat de folie is verwijderd. Het idee van terugplaatsen van de goederen na gebruik is naar het oordeel van de kantonrechter daarmee moeilijk te rijmen.

5.14.

De kantonrechter acht het gezien het voorgaande aannemelijk dat [verzoeker] de goederen die in de ontslagbrief worden genoemd inderdaad heeft weggenomen en acht daarom een dringende reden voor het aan hem gegeven ontslag op staande voet aanwezig. [verzoeker] heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet in de weg staan. Van een buitenproportionele ernstige sanctie is evenmin sprake. De handelwijze van [verzoeker] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens [verweerster] als goed werknemer te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat [verweerster] in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.15.

[verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 15 mei 2020 dan ook om een dringende reden onverwijld mogen opzeggen, zodat het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden afgewezen.

Loonvordering

5.16.

[verweerster] heeft niet betwist dat zij de eindafrekening, te weten het loon vanaf 20 april 2020 tot 15 mei 2020, de vakantietoeslag en de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren aan [verzoeker] verschuldigd is. Dat is in dit geding dan ook vast komen te staan. [verweerster] stelt echter dat zij door het handelen van [verzoeker] de klanten [.] en [naam hotel] [naam locatie] is kwijtgeraakt. [verweerster] lijdt daardoor schade in de vorm van omzetverlies. [verweerster] heeft zich beroepen op verrekening.

5.17.

Een beroep op verrekening kan echter alleen slagen indien de vordering wordt erkend dan wel op eenvoudige wijze is vast te stellen. [verzoeker] heeft de vordering niet erkend. Het feit dat [verweerster] haar vordering in het geheel niet heeft onderbouwd maakt verder dat deze evenmin op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Het beroep op verrekening wordt dan ook niet gehonoreerd. Het verzoek van [verzoeker] zal daarom worden toegewezen.

Transitievergoeding

5.18.

[verzoeker] verzoek om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 1.267,00 bruto wegens opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:673 BW. Echter op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt.

5.19.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. De verzochte transitievergoeding zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten
5.20. [verzoeker] zal als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.21.

De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet af;

6.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van gemiddeld € 2.383,92 bruto per vier weken, vermeerderd met een gemiddelde ploegentoeslag van € 476,78 bruto per maand over de periode van 20 april 2020 tot 15 mei 2020, vermeerderd met de nog verschuldigde vakantietoeslag (8%) en een vergoeding voor de tot 15 mei 2020 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren;

6.3.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde;

6.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.