Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4317

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
8454907 / MC EXPL 20-2559
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij gedaagde aan eiser een bedrag betaald van € 30.000,00 met als voorwaarde dat eiser het beroep bij de Raad van State tegen een omgevingsvergunning verleend aan een zorginstelling tot uitbreiding intrekt. Het beroep wordt ingetrokken. Echter de omgevingsvergunning moet worden gewijzigd omdat een bunker is aangetroffen die als monument is gekwalificeerd. Eiser gaat vervolgens in bezwaar tegen de gewijzigde vergunning. Eiser treft met de zorginstelling aan wie de gewijzigde vergunning is verstrekt een aparte vaststellingsovereenkomst, waarbij aan eiser een bedrag van 10,000,00 wordt betaald onder voorwaarde van intrekking van het bezwaar. Gedaagde vordert daarop van eiser terugbetaling van een bedrag van 20.000,00. Eiser betaalt dat bedrag aan gedaagde. In deze procedure vordert eiser dit bedrag terug op grond van onverschuldigde betaling. Omdat de claim tot terugbetaling van gedaagde is gebaseerd op een onjuist standpunt is de kantonrechter van oordeel dat de betaling door eiser onverschuldigd is gedaan. Van een minnelijke regeling waar partijen aan zijn gebonden is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8454907 / MC EXPL 20-2559 van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. A.M. Worst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden mr. D.J.A. van den Berg en mr. F.M.H.C. Sarneel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2020

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de eigenaar van twee percelen -met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] - gelegen aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [plaatsnaam] .

2.2.

[gedaagde] is een vennootschap die zich richt op beheer van en bemiddeling bij de verkoop van onroerend goed. [gedaagde] is de eigenaar van twee percelen -met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 4] - gelegen aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] te [plaatsnaam] .

2.3.

De percelen van [gedaagde] grenst aan vijf percelen -met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 5] / [kadastrale aanduiding 6] / [kadastrale aanduiding 7] / [kadastrale aanduiding 8] en [kadastrale aanduiding 9] - gelegen aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 3] te [plaatsnaam] . Deze percelen zijn in eigendom van [bedrijfsnaam 1] (hierna ook te noemen [bedrijfsnaam 1] ).

2.4.

[bedrijfsnaam 1] verhuurt deze percelen aan [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna te noemen [bedrijfsnaam 2] ) -een aan [bedrijfsnaam 1] gelieerde vennootschap die ter plaatse de [naam instelling] (hierna ook te noemen [naam instelling] ) exploiteert-. [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna ook te noemen [bedrijfsnaam 3] ) is de bestuurder . [naam instelling] is een instelling voor bemiddelde dementerende ouderen.

2.5.

Op 28 april 2016 hebben [bedrijfsnaam 1] en [naam instelling] een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van [naam instelling] met een aanbouw van acht (onzelfstandige) zorgappartementen/studio’s aan de achterkant van het hoofdgebouw. Daarbij is ook een verzoek ingediend om een bunker uit de Tweede Wereldoorlog, dat naast [naam instelling] stond, te slopen. De uitbouw zou deels daarboven worden gerealiseerd. Bij besluit van 14 september 2016 is de omgevingsvergunning aan [bedrijfsnaam 1] en [naam instelling] verleend.

2.6.

[eiser] heeft het volle zicht op [naam instelling] vanuit zijn woning. De uitbreiding van [naam instelling] wordt in de richting van het perceel van [eiser] gerealiseerd, te weten 52 meter van de perceelgrens van [eiser] .

2.7.

Op 21 oktober 2016 heeft [eiser] met drie omwonenden -de heer [A] ( [straatnaam 1] [nummeraanduiding 4] ) en de heer [B] en mevrouw [C] ( [straatnaam 3] [nummeraanduiding 5] )- bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 september 2016. Dit bezwaar wordt op 7 april 2017 ongegrond verklaard.

2.8.

Op 15 mei 2017 hebben [eiser] en de drie omwonenden beroep tegen de beslissing op het bezwaar van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [.] ingesteld. Het beroep wordt bij uitspraak van 12 januari 2018 eveneens ongegrond verklaard.

2.9.

Vervolgens hebben [eiser] en de drie omwonenden op 20 februari 2018 hoger beroep bij de Raad van State ingesteld.

2.10.

Vanaf begin 2018 hebben er gesprekken tussen [gedaagde] en [bedrijfsnaam 1] plaatsgevonden over de aankoop van een stuk grond aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] door [bedrijfsnaam 1] van [gedaagde] . Tijdens de onderhandelingen heeft [bedrijfsnaam 1] het hoger beroep van [eiser] en de drie omwonenden ter sprake gebracht. [bedrijfsnaam 1] heeft aangegeven dat zij de grond van [gedaagde] alleen zou kopen als zij direct van start kon gaan met de bouwwerkzaamheden en er geen procedures meer zouden lopen tegen de afgegeven omgevingsvergunning. [gedaagde] heeft toen met [bedrijfsnaam 1] afgesproken dat zij zich zou inzetten voor het staken van deze procedures. [gedaagde] zou proberen een regeling met [eiser] en de drie andere omwonenden te treffen.

2.11.

Op 27 maart 2018 hebben [eiser] , de drie omwonenden en de heer [D] van [gedaagde] mondeling een overeenstemming bereikt. [gedaagde] zou aan de partijen een bedrag van € 30.000,00 betalen en zou zorgen dat [bedrijfsnaam 1] beplantingen zou aanbrengen. [gedaagde] heeft diezelfde dag aan de partijen, waaronder [eiser] het bedrag van € 30.000,00 overgemaakt.

2.12.

De mondeling overeengekomen afspraken zijn in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd. In het concept van de vaststellingsovereenkomst is oorspronkelijk het volgende vermeld: ‘afzien van het ingestelde Hoger Beroep bij de Raad van State en eventueel andere procedures tegen de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2]’. Op verzoek van de advocaat van [eiser] is de zinsnede ‘en eventueel andere procedures tegen de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2]’ verwijderd uit de vaststellingsovereenkomst.

2.13.

In de vaststellingsovereenkomst is het volgende -voor zover van belang- vermeld:

(…)

3. In overweging nemende:

(…)

[bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] hebben een vergunning aangevraagd en verkregen deze bij de Gemeente [.] voor uitbreiding van [bedrijfsnaam 2] . Hierbij is afgeweken van het bestaande bestemmingsplan.

Door de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2] lijden de direct aangrenzende percelen [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] , [straatnaam 1] [nummeraanduiding 4] en [straatnaam 3] [nummeraanduiding 5] planschade als gevolg van hogere verkeersdrukte, verslechtering uitzicht, waardedaling woning en verslechtering privancy.

Een en ander verwoord in een gerechtelijke procedure, gevoerd tegen [bedrijfsnaam 2] .

In deze gerechtelijke procedure is door alle drie deeigenaren van de percelen Hoger beroep aangetekend bij de Raad van State

4. [gedaagde] B.V. is eigenaar van het perceel bij [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] en heeft de intentie om dit perceel op te splitten en één deel hiervan te leveren aan [bedrijfsnaam 1] B.V.

[bedrijfsnaam 1] B.V. heeft gesteld alleen over te gaan tot aanschaf van dit perceel indien de partijen : familie [achternaam van eiser] , eigenaar perceel [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] , de heer [A] eigenaar van perceel [straatnaam 1] [nummeraanduiding 4] en de heer [B] en mevrouw [C] zijnde eigenaar van perceel [straatnaam 3] [nummeraanduiding 5] , afzien van het ingestelde Hoger Beroep bij de Raad van State dossiernummer 201801508 /1 / A1.

6. [gedaagde] B.V. heeft belang bij de levering van het gesplitste perceel grond rond de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] en is bereid de bij de drie bovengenoemde benoemde benaldeelde partijen ontstane planschade te vergoeden.

7. [gedaagde] B.V. vergoedt aan de familie [achternaam van eiser] , de heer [A] en en de heer [B] en mevrouw [C] een planschadevergoeding van € 30.000 per eigenaar van de benadeelde percelen.

8 Daarnaast zal [gedaagde] B.V. aan [bedrijfsnaam 1] B.V. opdragen om beplanting te plaatsen om het uitzicht van de drie percelen welke door de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2] is aangetast te verbeteren.

Indien [bedrijfsnaam 1] B.V. dit niet uitvoert zal het door [gedaagde] B.V. uitgevoerd worden.

9 de familie [achternaam van eiser] , de heer [A] en en de heer [B] en mevrouw [C] zullen na ontvangst van € 30.000,00 op de door hen aangegeven rekeningen

het Hogerberoep intrekken

(…)

2.14.

Partijen hebben de vaststellingsovereenkomst op 28 maart 2018 ondertekend.

2.15.

Op 29 maart 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] het hoger beroep bij de Raad van State ingetrokken. De verleende omgevingsvergunning is onherroepelijk geworden.

2.16.

Nadat het hoger beroep was ingetrokken, moest [bedrijfsnaam 1] haar bouwplannen aanpassen. Na onderzoek door een welstandssecretaris en monumentdeskundige bleek de bunker, die gesloopt mocht worden op basis van de verleende omgevingsvergunning van 14 september 2016, unieker te zijn dan verwacht. De bunker kreeg een monumentale status, waardoor [bedrijfsnaam 1] deze niet mocht slopen. [bedrijfsnaam 1] heeft vervolgens op 24 augustus 2018 een wijziging van de omgevingsvergunning aangevraagd.

2.17.

Bij besluit van 27 november 2018 is de gewijzigde omgevingsvergunning verleend.

2.18.

De wijziging van de bouwplannen heeft tot gevolg dat de uitbouw van [naam instelling] 15 meter dichter op de woning van [eiser] zou komen. Ook zou het bouwoppervlakte toenemen van 351 m² naar 390 m². De toename van de oppervlakte heeft te maken met de aanpassing van de verbinding van het bestaande gebouw en de respectering van de bunker.

2.19.

[eiser] is het hier niet eens en stelt op 7 januari 2019 bezwaar in tegen het besluit van 27 november 2018.

2.20.

Op 28 maart 2019 hebben [eiser] en [naam instelling] voor hun geschil een minnelijke regeling getroffen. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [naam instelling] is -voor zover van belang- het volgende opgenomen:

(…)

4. Afspraken

(…)

4.6

De erfgrens tussen het terrein van belanghebbende en zorgaanbieder zal worden voorzien van een laurierhaag van twee meter hoog op zodanige wijze dat het uitzicht op de nieuwe aanbouw wordt weggenomen. Deze haag zal anderhalf tot twee meter van de erfgrens geplant worden en zal door een tuinman op kosten van zorgaanbieder worden onderhouden. Tevens zullen op korte termijn de volgende ter plaatse aanwezig zijnde beplanting worden verwijderd en verwijderd gehouden: de jonge beukenbomen die zonder kapvergunning gekapt dan wel weggehaald kunnen worden, de braamstruik(en), aanwezige bamboe en aanwezige taxus(…)

(…)

4.9

Zorgaanbieder verstrekt belanghebbende een vergoeding van € 10.000,00 die uiterlijk 3 dagen na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst zal worden overgemaakt (…). Dit aanbod geldt op voorwaarde dat er uiterlijk op 31 maart 2019 een schriftelijke vaststellingsovereenkomst is ondertekend.

(…)

4.11

Binnen 3 dagen na ontvangst van dit bedrag zal belanghebbende zijn bezwaar intrekken en zorgaanbieder per mail een kopie van de intrekkingsbrief toezenden.

4.12

Nadat deze intrekking van het bezwaar van belanghebbende door de gemeente in goede orde ontvangen is, is de vergunning onherroepelijk geworden en is het de zorgaanbieder van rechtswege toegestaan om de bouwwerkzaamheden in gang te zetten.

5. Overige afspraken

5.1

Zorgaanbieder mag pas beginnen met bouwen als het afgesproken bedrag daadwerkelijk is bijgeschreven.

(…)

2.21.

Op 29 maart 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2018 ingetrokken. [eiser] heeft het bedrag van € 10.000,00 van [naam instelling] ontvangen.

2.22.

[gedaagde] en [bedrijfsnaam 1] hebben, ondanks de vergevorderde onderhandelingen, geen overeenstemming over de verkoop van het (gesplitste) perceel kunnen bereiken. [gedaagde] heeft [bedrijfsnaam 1] toen verzocht de door haar aan de omwonenden uitbetaalde bedragen (van in totaal € 90.000) en de gemaakte kosten (voor onder andere die van opmeting en kadastrale splitsing) van in totaal € 100.000,00 te vergoeden. [bedrijfsnaam 1] was niet bereid dit bedrag te betalen. [bedrijfsnaam 1] heeft daartoe aangegeven dat [eiser] opnieuw bezwaar heeft ingediend tegen het gewijzigde uitbreidingsplan en om te voorkomen dat zij daarover jarenlang procedures zou moeten voeren, heeft [bedrijfsnaam 1] met [eiser] een regeling getroffen om hem zijn bezwaar te doen intrekken. Dit heeft ertoe geleid dat [bedrijfsnaam 1] het bedrag van € 30.000,00, dat [gedaagde] aan [eiser] had betaald, niet aan [gedaagde] wilde vergoeden. Uiteindelijk hebben [gedaagde] en [bedrijfsnaam 1] een overeenstemming bereikt over de schade van [gedaagde] . De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en is door beide partijen respectievelijk op 28 juni 2019 en 1 juli 2019 ondertekend.

2.23.

In de vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde] is -voor zover van belang- het volgende opgenomen:

(…)

In aanmerking nemende dat:

(…)

G. In september 2018 [bedrijfsnaam 1] [gedaagde] heeft laten weten dat [bedrijfsnaam 2] niet tot aankoop van het Perceel zou overgaan.

H. [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat [bedrijfsnaam 1] schadeplichtig is wegens het afbreken van de onderhandelingen over de aankoop, en dat zij in ieder geval gehouden is [gedaagde] de door haar aan de omwonenden betaalde bedragen en overige gemaakte kosten te vergoeden en dat [gedaagde] [bedrijfsnaam 1] in dat kader diverse sommaties heeft gestuurd.

I. [bedrijfsnaam 1] zich tegen de afspraken van [gedaagde] onder andere heeft verweerd met de stelling dat [gedaagde] de betalingen aan de omwonenden geheel op eigen risico heeft gedaan, en dat haar projectontwikkelaar, [bedrijfsnaam 4] B.V. en/of [bedrijfsnaam 3] BV. (hierna “ [bedrijfsnaam 4 en/of bedrijfsnaam 3] ”), namens [bedrijfsnaam 2] een vaststellingsovereenkomst met [eiser] heeft gesloten omdat [eiser] alsnog bezwaar had gemaakt tegen de op 27 november 2018 aan [bedrijfsnaam 4 en/of bedrijfsnaam 3] afgegeven (gewijzigde) bouwvergunning. En dat in verband met deze vaststellingsovereenkomst [bedrijfsnaam 4 en/of bedrijfsnaam 3] een substantieel bedrag aan [eiser] heeft betaald, en dat bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden substantiele extra kosten zullen moeten worden gemaakt. En dat deze bedragen/kosten deels voor rekening van [bedrijfsnaam 1] komen.

(…)

Zijn overeengekomen als volgt:

1. Onderhandelingen over verkoop/aankoop van het Perceel

1.1

Partijen stellen vast dat geen bindende overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verkoop van het Perceel en dat het [gedaagde] vrijstaat om over het Perceel te beschikken.

2. Betalingen aan de omwonenden

2.1

[bedrijfsnaam 2] is bereid aan [gedaagde] de door haar aan de omwonenden betaalde bedragen te vergoeden, met uitzondering van het betaalde bedrag, dit in verband met het daarna nog door [eiser] ingestelde bezwaar.

2.2

[bedrijfsnaam 2] zal [gedaagde] daarom een bedrag van € 60.000,-- (zegge zestigduizend euro) vergoeden wegens de door haar aan de omwonenden betaalde bedragen.

2.3

[bedrijfsnaam 2] zal [gedaagde] een bedrag van € 10.000,-- (zegge tienduizend euro) vergoeden wegens door haar gemaakte kosten in verband met de onderhandelingen over de betalingen aan de omwonenden en over deze vaststellingsovereenkomst.

2.4

Het staat [gedaagde] vrij om het door haar aan [eiser] betaalde bedrag van
€ 30.000,-- van [eiser] terug te vorderen, mits zij daarbij geen schade toebrengt aan de positie van [bedrijfsnaam 2] . (…)

2.24.

Op 25 juli 2019 heeft de heer [D] namens [gedaagde] het volgende e-mailbericht aan [eiser] en de omwonenden gezonden:

Beste familie [achternaam van eiser] en buren,

[gedaagde] is tot een schikking gekomen met [bedrijfsnaam 1] over de eerder gemaakte afspraken tussen [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde] B.V. over de aanschaf van het stuk grond aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam] ten behoeve van de uitbouw van zorgcentrum [bedrijfsnaam 2] . De verkoop is niet door gegaan. [gedaagde] heeft de beide stukken grond aan iemand anders verkocht en [bedrijfsnaam 1] heeft een deel van de geleden schade vergoed.

Maar nu blijkt; de familie [achternaam van eiser] heeft bezwaar aangetekend op de wijziging binnen de reeds uitgegeven bouwvergunning, nadat wij een vergoeding hebben uitgekeerd. Die wijziging was nodig, omdat er een bunker bleek te bestaan op de plek van de uitbouw. De Familie [achternaam van eiser] heeft een schadevergoeding van 20.000Euro van [bedrijfsnaam 1] ontvangen, in twee delen: 10.000Euro cash en 10.000Euro aan plantten bomen, om zo het bezwaar in te trekken.

Dit betekent in het kort het volgende; in de brief die jullie met mij getekend hebben spreken we over een schadevergoeding. Dit houdt stand zolang er een vergoeding is uitgekeerd en er schade is geleden. Nu kan er geen schade zijn geleden door een vergunning die is aangepast. Zeker als WEL een schadevergoeding is uitgekeerd over de wijziging.

Onze advocaat heeft een brief klaar om morgen te versturen. Maar ik wil ons allen de juridische strijd besparen en doe jullie een voorstel;

De Familie [achternaam van eiser] stort aankomende week de door ons reeds uitgekeerde vergoeding, zijnde 30.000Euro terug en beroept zich op de schadevergoeding uitgekeerd door [bedrijfsnaam 1] aan de familie [achternaam van eiser] .

Of ze zien onze vergoeding als een schadevergoeding en storten de door [bedrijfsnaam 1] uitgekeerde 20.000Euro aankomende week aan [gedaagde] BV.

Ik mail jullie allen, omdat jullie vanaf het begin met z’n allen in dit bootje zitten, echter tussentijds een partij is uitgestapt en zelfstandig is gaan verder varen. Dit is niet erg zolang het maar niet al onze kosten is. Het risico van het tot een overeenkomst komen beïnvloed de eerder uitgekeerde vergoeding aan allen.

Op bovenstaande horen wij graag uiterlijk aanstaande maandag voor 12:00uur jullie reactie. Zodra wij geen reactie ontvangen of jullie je niet in een van de twee opties kunnen vinden, dan geven wij het uit handen.(…)

2.25.

Op 29 juli 2019 heeft [eiser] aan [D] van [gedaagde] het volgende per e-mail geschreven:

Wij willen U ook de juridische strijd besparen.

Daarom verzoeken wij U Uw bankrekening nummer aan ons op te geven van [gedaagde] B.V. waarop wij 20.000,00 euro kunnen overmaken.

2.26.

[eiser] heeft op 29 juli 2019 en op 30 juli 2019 een bedrag van € 10.000,00 aan [gedaagde] overgemaakt.

2.27.

Bij brieven van 9 oktober 2019 en 30 oktober 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 20.000,00 wegens onverschuldigde betaling.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

I. een bedrag van € 20.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2019, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening;

II. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 975,00;

III. de nakosten ten bedrage van € 157,00 zonder betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, vermeerderd met € 82,00 in geval van betekening;

IV. de proceskosten

V. het gevorderde sub II., sub III. en sub IV. te voldoen binnen 14 dagen na datum van het in deze te wijzen vonnis en -voor het geval tijdige betaling achterwege blijft- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die bedoelde termijn tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op 29 juli 2019 en 30 juli 2019 onverschuldigd het totaalbedrag van € 20.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald. Daartoe voert [eiser] het volgende aan. In de vaststellingovereenkomst van 28 maart 2018 tussen partijen wordt gesproken over planschadevergoeding. Dit is niet mogelijk, nu op grond van artikel 6.1 lid 1 Wet Ruimtelijke ordening alleen het College van Burgemeester en Wethouders planschade kan vergoeden. In de vaststellingsovereenkomst wordt verder als voorwaarde gesteld dat de hoger beroepsprocedure bij de Raad van State wordt ingetrokken. Aan deze voorwaarde heeft [eiser] voldaan. [eiser] heeft dus recht op het bedrag van € 30.000,00. In de vaststellingsovereenkomst staat enkel dat [eiser] afziet van het ingestelde hoger beroep bij de Raad van State. Uit de conceptovereenkomst is nota bene de oorspronkelijke zinsnede dat [eiser] (en de overige omwonenden) ‘afziet van eventuele andere procedures tegen de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2] ’ verwijderd. Daarnaast is bij de aanvraag van de nieuwe omgevingsvergunning het bouwplan gewijzigd. De uitbreiding van [naam instelling] wordt op grond van het nieuwe bouwplan groter en komt dichter bij het perceel van [eiser] . [eiser] had dus recht om bezwaar te maken tegen de nieuwe vergunning. Dat recht heeft [eiser] niet prijsgegeven, noch prijs willen geven door het aangaan van de vaststellingovereenkomst. Daarbij komt dat de (tweede) vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2019 gesloten is tussen [eiser] en [naam instelling] . [gedaagde] was dus geen partij bij deze vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2019 wordt als voorwaarden gesteld dat het bezwaar binnen drie dagen moet worden ingetrokken. [eiser] heeft aan deze voorwaarde voldaan. [eiser] had dus ook recht op het bedrag van € 10.000. Verder heeft [eiser] aanspraak gemaakt op de rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat [eiser] wel degelijk een rechtsgrond had voor de (terug)betaling van € 20.000,00 aan [eiser] . Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan. Primair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser] heeft betaald op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst. Op 25 juli 2019 heeft [D] van [gedaagde] aan [eiser] een voorstel tot minnelijke regeling gedaan en op 29 juli 2019 heeft [eiser] dit voorstel aanvaard. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming in de nakoming door [eiser] van de vaststellingsovereenkomst van 27/28 maart 2018. Doordat [eiser] bezwaar instelde tegen de gewijzigde omgevingsvergunning van [gedaagde] handelde [eiser] in strijd met de vaststellingsovereenkomst, althans onrechtmatig jegens [gedaagde] . Verder stelt [gedaagde] dat er sprake zou zijn van onvoorziene omstandigheden. Partijen hebben niet kunnen voorzien dat de omgevingsvergunning van [bedrijfsnaam 1] opzij zou worden gezet doordat de oorlogsbunker een beschermende monumentenstatus zou verkrijgen. Hadden partijen geweten dat [bedrijfsnaam 1] een gewijzigde vergunning zouden aanvragen, dan had de tekst van de vaststellingsovereenkomst anders geluid. De betaling van € 30.000,00 was niet alleen bedoeld voor het intrekken van de aanhangige hoger beroepsprocedure, maar ook dat [eiser] en de omwonenden de uitbreiding van [naam instelling] met acht zorgappartementen niet meer bestuursrechtelijk dwars zouden zitten. [gedaagde] stelt verder dat zij onverschuldigd het bedrag van € 30.000,00 aan [eiser] heeft betaald. Het bedrag van € 30.000,00 betrof een vergoeding voor eventuele schade als gevolg van de uitbreiding conform de omgevingsvergunning van 14 september 2016 en die is nooit uitgevoerd. [eiser] diende daarom het gedeelte dat hij onterecht ontving terug te betalen aan [gedaagde] . Tot slot stelt [gedaagde] dat [eiser] op grond van een natuurlijke verbintenis heeft (terug)betaald.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Minnelijke regeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de door [eiser] aan [gedaagde] verrichte betaling van € 20.000,00 onverschuldigd is betaald of niet. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij zonder rechtsgrond het bedrag van € 20.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald. [gedaagde] stelt zich primair op het standpunt, dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling, omdat tussen partijen op 25 juli 2019 een minnelijke regeling is getroffen. Er was wel degelijk een rechtsgrond voor die betaling van [eiser] , aldus [gedaagde] . Beoordeeld moet worden of er tussen partijen een minnelijke regeling is getroffen.

4.2.

In haar e-mailbericht van 25 juli 2019 gaat [gedaagde] er vanuit dat zij ten onrechte het bedrag van € 30.000,00 aan [eiser] heeft betaald, gelet op de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [naam instelling] . [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat in het door haar betaalde bedrag ook de eventuele schade bij een wijziging/aanpassing van de omgevingsvergunning van 14 september 2016 is verdisconteerd. [eiser] kan dan ook geen beroep doen op beide vaststellingsovereenkomsten. [eiser] is gehouden om een bedrag van
€ 20.000,00 of een bedrag van € 30.000,00 aan [gedaagde] terug te betalen, aldus [gedaagde] .

4.3.

Dit standpunt van [gedaagde] is naar het oordeel van de kantonrechter niet juist. In de eerste plaats blijkt nergens uit de overgelegde stukken dat [bedrijfsnaam 1] aan [eiser] in totaal € 20.000,00 (te weten € 10.000,00 in cash en € 10.000,00 aan beplanting) heeft vergoed. Dit volgt in ieder geval niet uit de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 1] . In die vaststellingsovereenkomst staat enkel dat [eiser] een bedrag van € 10.000,00 zou ontvangen en dat [bedrijfsnaam 1] zou zorgen voor een laurierhaag op de erfgrens, het onderhoud daarvan, het verwijderen en het verwijderd houden van ter plaatse aanwezige beplantingen waaronder de jonge beukenbomen die zonder kapvergunning gekapt kunnen worden en bramenstruik(en). Weliswaar wordt ter zitting door [gedaagde] verklaard dat zij in het bezit is van een e-mail van [bedrijfsnaam 1] , waarin dit bedrag aan beplanting is genoemd, maar nu [gedaagde] deze e-mail niet in het geding heeft gebracht, kan de kantonrechter de juistheid hiervan niet controleren. Daarbij komt de omstandigheid dat [bedrijfsnaam 1] heeft geweigerd om een deel van de gestelde schade van [gedaagde] wegens het afbreken van de onderhandelingen te vergoeden, omdat dit volgens haar voor rekening en risico van [gedaagde] komt. [gedaagde] kan de niet vergoede schade door [bedrijfsnaam 1] niet afwentelen op [eiser] . Immers, het is [gedaagde] geweest die zich heeft ingelaten in het geschil tussen [eiser] en [bedrijfsnaam 1] over de uitbreiding van [naam instelling] . [gedaagde] heeft op eigen initiatief besloten om een vergoeding aan [eiser] en de omwonenden te betalen. Ook is [gedaagde] ten onrechte ervan uitgegaan dat [eiser] niet het recht had om bezwaar te maken tegen de gewijzigde omgevingsvergunning van 27 november 2018. Gelet op de gevolgen van de wijzigingen van die omgevingsvergunning, namelijk het bouwoppervlak werd groter en de uitbouw kwam 15 meter dichter op de woning van [eiser] , had [eiser] wel degelijk recht om bezwaar te maken tegen de gewijzigde omgevingsvergunning.

4.4.

Dat [eiser] in zijn e-mailbericht van 29 juli 2019 heeft geschreven ‘Wij willen U ook de juridische strijd besparen. Daarom verzoeken wij U Uw bankrekening aan ons op te geven van [gedaagde] B.V. waarop wij 20.000,00 euro kunnen overmaken’ maakt dit niet anders, nu de verklaring van [eiser] gebaseerd is op de inhoud van het e-mailbericht van 25 juli 2019, die onjuist blijkt te zijn. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen minnelijke schikking tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen. Het standpunt van [gedaagde] , dat [eiser] een betalingsverplichting heeft op basis van de tussen partijen getroffen minnelijke regeling en daarom de betaling van € 20.000,00 heeft verricht, houdt dan ook geen stand en heeft [eiser] ten onrechte op het verkeerde been gezet. De betaling door [eiser] is zonder rechtsgrond gedaan.

Tekortkoming in de nakoming

4.5.

Het verweer van [gedaagde] , dat er sprake zou zijn van tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2018, kan [gedaagde] evenmin baten. Nog daargelaten dat [eiser] , gelet op de wijzigingen van de oorspronkelijke bouwplannen -het bouwoppervlak is toegenomen met 48m² en de uitbouw is met 15 meter dichter op zijn woning gekomen-, het recht had om bezwaar te maken tegen de nieuwe omgevingsvergunning van 27 november 2018 en hij zijn recht om eventuele procedures te mogen voeren tegen de uitbreiding van [naam instelling] niet had prijs gegeven, blijkt uit de vaststellingsovereenkomst tussen [gedaagde] en [bedrijfsnaam 1] dat [bedrijfsnaam 1] in september 2018 al had aangegeven dat zij afzag van de aankoop van het stuk grond van [gedaagde] . Dat de verkoop tussen [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde] niet door is gegaan, heeft dus geenszins te maken met het bezwaar dat [eiser] op 7 januari 2019 tegen het besluit van 27 november 2018 heeft ingesteld. Van enige tekortkoming aan de zijde van [eiser] is dan ook geen sprake. Dit geldt eveneens voor het standpunt dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde] -dat ook niet door [gedaagde] is onderbouwd- heeft gehandeld.

Onvoorziene omstandigheden

4.6.

Ook het verweer van [gedaagde] dat er sprake zou zijn van onvoorziene omstandigheden slaagt naar het oordeel van de kantonrechter niet. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord onder punt 14 erkend dat de aanwezigheid van de oorlogsbunker bekend was. De omgevingsvergunning van 14 september 2016 stond namelijk toe dat de oorlogsbunker gesloopt werd, omdat de uitbouw van [naam instelling] deels daarboven gerealiseerd zou worden. Dat achteraf de oorlogsbunker door de welstandsecretaris en de monumentendeskundige aangemerkt wordt als monument en [bedrijfsnaam 1] een nieuwe omgevingsvergunning heeft moeten aanvragen, ligt in de risicosfeer van [bedrijfsnaam 1] en kan niet gekwalificeerd worden als een onvoorziene omstandigheid. Daarbij komt nog dat in het concept van de vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2018, dat opgesteld is door [gedaagde] , oorspronkelijk de zinsnede ‘en eventueel andere procedures tegen de uitbreiding van [bedrijfsnaam 2] ’ was vermeld. Kennelijk heeft [gedaagde] bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst wel rekening gehouden met de omstandigheid dat er nog eventuele procedures tegen de uitbreiding van [naam instelling] zouden kunnen komen. Partijen hebben echter in overeenstemming met elkaar deze zinsnede uit de vaststellingsovereenkomst verwijderd. [gedaagde] kan dan niet achteraf [eiser] tegenwerpen dat er sprake zou zijn van een onvoorziene omstandigheid.

Onverschuldigde betaling door [gedaagde]

4.7.

Het verweer van [gedaagde] dat zij het bedrag van € 30.000,00 onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald, slaagt naar het oordeel van de kantonrechter eveneens niet. Vaststaat tussen partijen dat er op 28 maart 2018 een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Op grond van die vaststellingsovereenkomst heeft [gedaagde] aan [eiser] het bedrag van € 30.000,00 betaald. De reden voor het sluiten van die vaststellingsovereenkomst, is -anders dan [gedaagde] stelt- gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde] een stuk grond aan [bedrijfsnaam 1] wilde verkopen. [bedrijfsnaam 1] had echter de voorwaarde gesteld dat zij alleen tot aankoop van het stuk grond zou overgaan als [eiser] en de omwonenden zouden afzien van het hoger beroep bij de Raad van State. [gedaagde] had dus belang bij dat [eiser] en de omwonenden hun beroep zouden intrekken. [gedaagde] was in dat kader bereid om een bedrag van € 30.000,00 aan [eiser] en de omwonenden te betalen. Het bedrag zouden [eiser] en de omwonenden ontvangen als zij het beroep bij de Raad van State zouden intrekken. [eiser] heeft het hoger beroep op 29 maart 2018 ingetrokken. Niet is gebleken dat de betaling van het bedrag zou geschieden onder de voorwaarde of op grond van de daadwerkelijke uitbreiding van [naam instelling] . Gelet op het voorgaande had [eiser] dus recht op de betaling van € 30.000,00. Van onverschuldigde betaling door [gedaagde] is dan ook geen sprake.

Natuurlijke verbintenis

4.8.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft [eiser] geen reden gehad om enige betaling aan [gedaagde] te verrichten. Dat [eiser] op grond van een natuurlijke verbintenis het bedrag heeft betaald, is dan ook niet juist.

Conclusie: [eiser] heeft onverschuldigd betaald

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond was voor de betaling van € 20.000,000 aan [gedaagde] . [eiser] heeft aldus het bedrag van € 20.000,00 onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van
€ 20.000,00 aan [eiser] terug moet betalen. De vordering van € 20.000,00 zal dan ook worden toegewezen.

Wettelijke rente over de hoofdsom

4.10.

De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat niet is gesteld op grond waarvan de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de gevorderde ingangsdatum (23 oktober 2019) verschuldigd is.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.11.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 975,00 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.12.

[eiser] vordert tevens wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is echter dat [eiser] deze kosten al daadwerkelijk aan zijn gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom niet worden toegewezen.

Proceskosten

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 499,00

- salaris gemachtigde € 960,00 (2 punten x tarief € 480,00)

Totaal € 1.565,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal hierna vermeld worden toegewezen.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als hierna vermeld worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 7 april 2020 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 975,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.565,47, waarin begrepen € 960,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.