Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4308

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8482187 LE VERZ 20-25 BmR/842
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeker vordert dat verweerder gehouden is over te gaan tot betaling van de aanzegvergoeding op grond van artikel 7:668 lid 1, aanhef en onder a jo lid 3 BW, omdat verzoeker niet één maand voor het aflopen van zijn arbeidsovereenkomst schriftelijk is medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. De arbeidsovereenkomst is verlengd. Verweerder stelt dat verzoeker wist dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW of artikel 6:248 lid 2 BW), moet terughoudendheid worden betracht. De aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht”. De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid zou zijn verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het tegenverzoek van verweerder wordt toegewezen. Verweerder vordert de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 en lid 3 BW als gevolg van een ontslag op staande voet. Die wordt eveneens toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 8482187 LE VERZ 20-25 BmR/842

Beschikking van 29 september 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

procederend in persoon,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. C.W.J. Okkerse.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek

  • -

    de brief van 22 mei 2020 aan de zijde van [verzoeker]

  • -

    het proces-verbaal van 2 juli 2020 van de mondelinge behandeling

  • -

    zittingsaantekeningen van 15 september 2020 van voortzetting van de mondelinge behandeling

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] -1988, is op 1 november 2018 in dienst van [verweerster] getreden in de functie van medewerker webshop. De arbeidsovereenkomst liep tegen 1 maart 2019 af en is verlengd voor een periode van 12 maanden tot en met 28 februari 2020. De arbeidsomvang is 25 uur per week. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 1.073,00 bruto per maand. [verzoeker] ressorteert onder de Wajong. Op de arbeidsovereenkomst was van toepassing de looncompensatieregeling. Op basis van die regeling werd door [verweerster] een bedrag van € 579,14 bruto per maand aan [verzoeker] betaald.

2.2.

[verzoeker] heeft na 28 februari 2020 zijn werkzaamheden voortgezet, zodat de arbeidsovereenkomst geacht wordt te zijn voortgezet voor de duur van een jaar.

2.3.

[verzoeker] is op 4 maart 2020 van het werk vertrokken en op 5 maart 2020 niet verschenen.

2.4.

Bij e-mail van 5 maart 2020 van [verweerster] is [verzoeker] gewezen op zijn ongeoorloofd verzuim met het verzoek de volgende dag op het werk te verschijnen. Voorts is hem medegedeeld dat hij, als hij dat wenst, zijn arbeidsovereenkomst kan opzeggen tot 1 april 2020 tegen 1 mei 2020.

2.5.

[verzoeker] heeft op 17 april 2020 aanspraak gemaakt op de aanzegvergoeding en op 28 april 2020 een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend tot toewijzing van de aanzegvergoeding.

2.6.

Bij brief van 12 mei 2020 van de gemachtigde van [verweerster] is [verzoeker] gesommeerd om op 14 mei 2020 de werkzaamheden te hervatten bij gebreke waarvan verstrekkende maatregelen zullen worden genomen.

2.7.

Bij brief van 14 mei 2020 heeft de gemachtigde van [verweerster] namens [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen wegens herhaalde werkweigering, althans onregelmatige afwezigheid.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] vordert veroordeling van [verweerster] om aan [verzoeker] te voldoen € 1.309,86, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente tot de voldoening en met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [verzoeker] dat [verweerster] jegens [verzoeker] gehouden is over te gaan tot betaling van de aanzegvergoeding, omdat [verzoeker] niet één maand voor het aflopen van zijn arbeidsovereenkomst schriftelijk is medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Volgens de CAO geldt een maandsalaris van € 1.991,00 bruto per maand op basis van een 38 urige werkweek. Omdat [verzoeker] 25 uur werkt per week maakt hij aanspraak op betaling van € 1.309,86.

3.3.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

3.4.

[verweerster] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. Aan [verzoeker] is mondeling aangegeven dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. [verzoeker] is ook na 28 februari 2020 op zijn werk verschenen. Bij [verzoeker] bestond geen enkele twijfel dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. De aanzegverplichting ziet erop dat iemand zich tijdig kan oriënteren op de arbeidsmarkt en dus ook tijdig weet of het dienstverband wordt gecontinueerd. Dat was bij [verzoeker] volstrekt duidelijk. De gevorderde wettelijke verhoging ziet niet op een aanzegvergoeding.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het tegenverzoek

4.1.

[verweerster] vordert toekenning van de vergoeding wegens dringende reden ingevolge het bepaalde in artikel 7:677 lid 2 en lid 3 BW, althans subsidiair op grond van onregelmatige opzegging ingevolge het bepaalde in artikel 7:677 lid 4 en 5 BW.

4.2.

[verweerster] heeft [verzoeker] op 14 mei 2020 op staande voet ontslagen. [verzoeker] is na 4 maart 2020 niet meer op het werk verschenen, terwijl de arbeidsovereenkomst nog doorliep. [verweerster] heeft [verzoeker] opgeroepen op het werk te verschijnen, maar desondanks is hij niet verschenen. [verzoeker] is dan ook schadeplichtig op grond van artikel 7:677 lid 3 BW. De vergoeding kan uitkomen op het vastgesteld loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd, dus een jaarsalaris. [verweerster] neemt genoegen met matiging tot een maandsalaris. Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst door [verzoeker] op 4 maart 2020 is beëindigd, is sprake van onregelmatige opzegging. Ook dat maakt [verzoeker] schadeplichtig, gelijk aan een maandsalaris.

4.3.

[verzoeker] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen.

4.4.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig. Het is gegeven door de advocaat en niet door de werkgever. Bovendien is het verweerschrift gedateerd op 11 mei 2020, waarin het ontslag op staande voet wordt besproken, terwijl het ontslag op staande voet eerst op 14 mei is verstrekt. De maximale vergoeding kan niet meer dan een maandsalaris bedragen.

5 De beoordeling

De aanzegvergoeding

5.1.

Over de verzochte aanzegvergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. Vast staat dat [verweerster] niet schriftelijk en niet tijdig aan [verzoeker] heeft laten weten of zijn arbeidsovereenkomst na 28 februari 2020 zou worden voortgezet. Volgens [verweerster] is een beroep van [verzoeker] op een vergoeding wegens het niet tijdig voldoen aan de aanzegverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat de eis van schriftelijke aanzegging bedoeld is ter bescherming van de werknemer. De werknemer moet tijdig duidelijkheid krijgen over de vraag of zijn arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet. Volgens [verweerster] was daarover voor [verzoeker] geen enkele twijfel.

5.2.

Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW of artikel 6:248 lid 2 BW), moet terughoudendheid worden betracht. Dit geldt zeker als het gaat om een regel van dwingend recht. Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. In de wettelijke regel van de aanzegvergoeding ligt een dergelijke belangenafweging al besloten. De wetgever heeft namelijk onder ogen gezien dat een aanzegging ook mondeling zou kunnen worden gedaan, maar niettemin de keuze gemaakt dat de aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht” (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, C, pag. 79). De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid zou zijn verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook anderszins is niet gesteld of gebleken dat toepassing van artikel 7:668 lid 1, aanhef en onder a, BW tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Het verweer van [verweerster] slaagt dus niet.

5.3.

Op grond van artikel 7:668 lid 3 BW is [verweerster] , nu in het geheel geen schriftelijke aanzegging is gedaan, een bruto maandsalaris verschuldigd. In het specifieke geval van [verzoeker] gaat het om de verplichting van de werkgever die bestaat uit een bedrag van € 579,14 bruto per maand op grond van de looncompensatie in het kader van de aan [verzoeker] te verstrekken Wajong uitkering.

5.4.

De gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen, omdat de aanzegvergoeding niet als loon in de zin van artikel 7:625 BW kan worden aangemerkt. De gevorderde wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift bij de kantonrechter.

Ontslag op staande voet

5.5.

De vraag die partijen verder verdeeld houdt, is of sprake is van een (rechtsgeldig) ontslag op staande voet, gegeven door [verweerster] aan [verzoeker] op 14 mei 2019. Volgens [verweerster] is [verzoeker] op 4 maart 2020 eigener beweging vertrokken en niet meer teruggekeerd op de werkvloer. [verzoeker] heeft niet gereageerd op de brief van 5 maart 2020. In hoeverre het vertrek van [verzoeker] moet worden gezien als een opzegging of zelfs een eigen ontslag op staande voet hangt af van alle omstandigheden van het geval. Dat een werknemer bedoeld heeft zelf zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen, mag niet te spoedig door een werkgever worden aangenomen. De werkgever moet de verklaring of gedraging van de werknemer redelijkerwijs als opzegging mogen beschouwen. Daarvan is in het onderhavig geval onvoldoende gebleken. Door [verweerster] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit dat redelijkerwijs valt af te leiden.

De gefixeerde schadevergoeding

5.6.

Het gevolg is dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. [verweerster] zag zich op 17 april 2020 geconfronteerd met een aanspraak op de aanzegvergoeding door [verzoeker] en vervolgens geconfronteerd met een verzoekschrift van 28 april 2020 tot betaling van de aanzegvergoeding. [verweerster] zag zich daardoor genoodzaakt, middels de brief van haar raadsman, [verzoeker] op te roepen voor zijn werk, waarna door niet te verschijnen, op 14 mei 2020 een ontslag op staande voet is gevolgd. Thans maakt [verweerster] aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, die zij overigens beperkt tot een bruto maandsalaris. De vervolgvraag is of [verweerster] recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding. Hoewel de vordering van [verweerster] lijkt te zijn ingegeven door de vordering van [verzoeker] tot betaling van de aanzegvergoeding om zo de schade te beperken beantwoordt de kantonrechter die vraag desondanks bevestigend. Het is immers [verzoeker] die van het werk is weggebleven. [verzoeker] heeft verder geen contact meer opgenomen met zijn werkgever. [verzoeker] heeft ook ter zitting geen inzicht willen geven wat de achtergrond is geweest van zijn vertrek. [verweerster] had dan ook het recht om [verzoeker] op staande voet te ontslaan, ook al is het ontslag eerst pas op 14 mei 2020 gegeven. Dit betekent dat [verweerster] terecht aanspraak maakt op de gefixeerde schadevergoeding. [verweerster] heeft haar vordering beperkt tot een bruto maand salaris te stellen op € 579,14. Daar doet overigens niet aan af dat het ontslag door de raadsman namens [verweerster] is gegeven.

Proceskosten

5.7.

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten in dit geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek en tegenverzoek

- kent aan [verzoeker] ten laste van [verweerster] een vergoeding toe van € 579,14 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2020 en veroordeelt [verweerster] tot betaling van deze vergoeding aan [verzoeker] ;

- kent aan [verweerster] ten laste van [verzoeker] [.] een vergoeding toe van € 579,14 bruto en veroordeelt [verzoeker] tot betaling van deze vergoeding aan [verzoeker] ;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.