Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:43

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
7836235 AC EXPL 19-2083
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding gevorderd in aparte procedure. Gezag van gewijsde. Maatstaf voor toewijzing van werkelijk gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7836235 AC EXPL 19-2083 nig/1449

Vonnis van 22 januari 2020

inzake

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam van eiser] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. C.A. de Bruin (Bureau mr. De Bruin),

tegen:

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam van gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. E.R. Jonker.

1 Waar gaat de zaak over?

1.1.

[gedaagde] en [eiser] hebben allebei een stratenmakersbedrijf. Zij hebben met elkaar samengewerkt. In procedure NL17.11535 bij deze rechtbank heeft [gedaagde] van [eiser] betaling gevorderd van onbetaalde facturen. Het totaalbedrag was eerst ruim € 30.000, en na vermindering van eis € 24.558,60. Daarvan is (in een vonnis van 4 maart 2019) € 6.919 toegewezen. [gedaagde] is veroordeeld in de proceskosten, omdat hij voor het grootste deel ongelijk gekregen heeft. Die kosten zijn op de gebruikelijke manier begroot op € 2.620,50.

1.2.

In die procedure heeft [eiser] al aangekondigd dat hij van [gedaagde] in een afzonderlijke procedure schadevergoeding wilde vorderen voor de werkelijk gemaakte kosten.

1.3.

[eiser] vordert nu betaling van € 10.246 met rente en kosten. Dat is het verschil tussen de toegewezen vergoeding en de werkelijke kosten die hij zegt te hebben gemaakt.

1.4.

[gedaagde] verzet zich tegen de vordering. De zaak is behandeld op de zitting van 19 december 2019.

2 Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.

Het eerste probleem in deze zaak is dat in het vonnis van maart 2019 al is beslist over de proceskosten. Van dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Het is dus in kracht van gewijsde gegaan, dat wil zeggen: onherroepelijk geworden. Het gevolg daarvan staat in artikel 236 (lid 1) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.

[gedaagde] beroept zich daar ook op. En daar heeft hij gelijk mee: wat in dat vonnis is beslist, is ook in deze procedure bindend. Dat geldt ook voor de proceskostenbeslissing.

2.2.

Als dat niet zo zou zijn, is het nog de vraag of de vordering van [eiser] kans van slagen zou maken. De hoofdregel is dat degene die ongelijk krijgt, een proceskostenvergoeding moet betalen die berekend wordt met een puntensysteem. Dat is hier ook gebeurd. Een volledige vergoeding van de kosten is mogelijk wanneer het instellen van de vordering misbruik van procesrecht was en daardoor een onrechtmatige daad vormde. Dat zou zo zijn als [gedaagde] zijn vordering gebaseerd had op feiten en omstandigheden waarvan hij wist of had moeten begrijpen dat ze onjuist waren, of op stellingen waarvan hij vooraf al had moeten begrijpen dat ze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Dat is een hoge drempel. Het is niet voldoende dat [gedaagde] zijn stellingen niet heeft kunnen bewijzen, zelfs niet als hij vooraf had moeten begrijpen dat hij ze niet zou kunnen bewijzen. Het zou anders kunnen zijn bijvoorbeeld als gebleken was dat [gedaagde] zijn administratie vervalst had om ten onrechte facturen te kunnen sturen, maar van zoiets is niets gebleken.

2.3.

In deze zaak is het bovendien zo dat [gedaagde] niet volledig ongelijk gekregen heeft. Een deel van zijn vorderingen is wel degelijk toegewezen. Daarbij is ook opgemerkt dat [eiser] betaling had opgeschort vanwege een schade, maar dat zijn verzekeraar inmiddels had uitgekeerd, en dat hij niet had uitgelegd op grond waarvan hij dan nog iets van [gedaagde] te vorderen had. Op dit punt was [eiser] dus niet zonder blaam, terwijl ook hij bepaalde standpunten niet voldoende had onderbouwd (zoals reputatieschade).

2.4.

De conclusie is dat de vordering op beide gronden moet worden afgewezen.

2.5.

In deze zaak krijgt [eiser] dus ongelijk. Daarom wordt nu hij in de proceskosten veroordeeld. Ook hier wordt de drempel voor een volledige vergoeding niet gehaald. Daarom wordt de vergoeding ook hier op de gebruikelijke manier begroot op, en wel op € 720,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 360,00).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de kant van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.