Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4299

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/223
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:3, eerste lid, Awb, beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. van den Berg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: M.B.G. Hofstee).

Procesverloop

Op 5 juni 2019 heeft eiseres bij verweerder een melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij heeft verzocht om hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

Bij besluit van 30 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres hulp bij het huishouden toegekend voor 5 uur per week voor de periode van 31 augustus 2019 tot en met 31 december 2019.

De beslissing over de vorm waarin eiseres deze hulp zou krijgen (pgb of zorg in natura) heeft verweerder aangehouden, in afwachting van het pgb-plan van eiseres.

Bij de door verweerder als “Besluit Wmo” aangeduide brief van 1 oktober 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar pgb-plan is goedgekeurd en dat zij een pgb krijgt voor hulp bij het huishouden van 31 augustus 2019 tot en met 31 december 2019.

Bij besluit van 17 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de inhoud van het besluit, althans de brief van 1 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting op grond van

artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres heeft de ziekte van Huntington. Zij ontvangt voor meer dan 8 uur per dag een pgb voor persoonlijke verzorging en verpleging. Eiseres had tot 31 augustus 2019 een indicatie voor hulp bij het huishouden voor 5,5 uur per week. Zij heeft hulp bij het huishouden nodig voor licht en zwaar huishoudelijk werk, voor het verwerken van de lichte en zware was en voor extra schoonmaakwerk vanwege haar allergie voor huisstofmijt. Aangezien eiseres al een indicatie heeft voor veel uren persoonlijke verzorging en verpleging, heeft het Buurtteam met haar besproken dat zij een aanvraag dient te doen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Het gaat dan om een indicatie voor de persoonlijke verzorging, verpleging en hulp bij het huishouden.

2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de brief van 1 oktober 2019

niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is die brief, ondanks het feit dat daarin bij herhaling staat vermeld dat het een besluit betreft en het feit dat er staat vermeld dat eiseres tegen het besluit een bezwaarschrift kan indienen, geen besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt, omdat de door eiseres beoogde maatwerkvoorziening al bij het besluit van 30 juli 2019 was toegekend.

3. Eiseres stelt dat de brief van 1 oktober 2019 een besluit is. Voorts meent eiseres ook na

1 december 2019 recht te hebben op een toegekende maatwerkvoorziening omdat het voor haar niet mogelijk is om een WLZ-indicatie te krijgen.

4. Tussen partijen is in geschil of de brief van 1 oktober 2019 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 30 juli 2019 heeft bepaald dat eiseres in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden over de periode van 31 augustus 2019 tot en met 31 december 2019. Verweerder heeft 5 uur per week toegekend. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaarschrift ingediend waardoor dit besluit in rechte vast staat.

6. De beslissing op de aanvraag van eiseres om huishoudelijke hulp toe te kennen in de vorm van een pgb bestaat uit twee samenhangende, maar duidelijk van elkaar te onderscheiden beslissingen: het recht op een maatwerkvoorziening als zodanig en het recht om die voorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Gelet op de aanvraag van eiseres om een pgb te ontvangen, zijn beide besliscomponenten nodig om van een uitvoerbaar en toetsbaar besluit te kunnen spreken. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat al in het besluit van 30 juli 2019 een beslissing is genomen over de toekenning van het pgb. Verweerder had dat namelijk afhankelijk gesteld van de goedkeuring van het door eiseres nog in te dienen pgb-plan. Eiseres kon op grond van het besluit van 30 juli 2019 geen aanspraak maken op hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb. In het gespreksverslag van 18 juli 2019 staat vermeld onder het kopje ‘PGB-plan opsturen en beoordelen van dit verslag’: “als het pgb-plan wordt goedgekeurd, dan ontvangt eiseres daarvan een besluit”.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de brief van verweerder van

1 oktober 2019 een besluit is, waartegen eiseres bezwaar kon maken. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepsgrond slaagt.

7. Eiseres voert voorts aan dat zij ook recht heeft op een pgb voor hulp bij het huishouden na 1 december 2019. Deze beroepsgrond kan niet slagen. Over het recht op een maatwerkvoorziening als zodanig en de periode waarvoor deze geldt, heeft verweerder een besluit genomen op 30 juli 2019. Voor zover de bezwaren van eiseres daarop zien, had zij tegen dat besluit een bezwaarschrift moeten indienen. Het besluit van 1 oktober 2019 ziet op de vorm waarin de maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Daarom kan het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit 1 oktober 2019 er niet toe leiden dat de maatwerkvoorziening voor een langere duur wordt verstrekt.

De noodzaak en de omvang van de maatwerkvoorziening zijn immers in rechte komen vast te staan bij het besluit van 30 juli 2019.

8. De rechtbank verklaart het beroep gelet op wat is overwogen onder 6 gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 1 oktober 2019 ongegrond.

9. Aangezien het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2019 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2020 door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.