Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4282

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
UTR 19/5528
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Beperkingen onderschat. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Kaya),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 2 mei 2019 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA-uitkering), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder dat zij gehoord zijn op een zitting. De rechtbank heeft op 13 mei 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is werkzaam geweest als schoonmaakster voor gemiddeld 37,75 uur per week. Ze viel op 4 mei 2017 uit met nek- en rugklachten. Eiseres heeft op 11 februari 2019 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Het bestreden besluit gaat over de weigering een WIA-uitkering per 2 mei 2019 toe te kennen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 15,36%. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.

3. Verweerder mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten voldoende begrijpelijk zijn. Iemand die het hier niet mee eens is, kan dit in beroep aanvoeren Het is aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart zonder dat daar een medische onderbouwing van is, niet genoeg is om gelijk te krijgen.

Zorgvuldigheid

4. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht. Ze vindt dat de verzekeringsarts niet motiveert waarom zij geen beperkingen voor haar spanningshoofdpijn aanneemt. Eiseres geeft aan dat flexie en extentie voor een verergering van de hoofdpijnklachten zorgen. Eiseres vindt ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet goed motiveert waarom zij geen beperkingen vaststelt voor lopen en lopen tijdens het werk.

5. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te vinden. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank legt dit als volgt uit. Eiseres heeft in bezwaar medische informatie aangeleverd. Verzekeringsarts bezwaar en beroep A. van den Broeke-Spieker heeft deze informatie betrokken bij haar beoordeling. Dit blijkt namelijk uit haar rapport van 6 november 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast: eiseres is aanvullend beperkt geacht voor (onder andere) hoofdbewegingen maken. Van den Broeke-Spieker verrichtte ook dossierstudie en was bij de hoorzitting aanwezig. Zij merkt in haar rapport op dat eiseres tijdens de hoorzitting in een normaal tempo loopt en vlot van zit tot staan kan komen. De rechtbank is, gelet op deze toelichting, van oordeel dat Van den Broeke-Spieker voldoende heeft gemotiveerd welke beperkingen wel en niet aangenomen zijn. De bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn inzichtelijk gemotiveerd en in haar rapport staan geen tegenstrijdigheden.

Medische beoordeling

6. Eiseres stelt daarnaast dat haar beperkingen zijn onderschat, waardoor de medische beoordeling onjuist is. Eiseres benoemt daarbij de klachten aan haar nek, schouder, pols, elleboog en rechterbeen. Ook kan zij haar hoofd maximaal vier uur op een dag in een bepaalde stand houden. Daarnaast voert eiseres aan dat de verzekeringsarts ten onterechte geen beperkingen vast stelt ten aanzien van hand- en vingergebruik en met betrekking tot lopen en lopen tijdens het werk. Eiseres merkt op dat de aandoeningen elk apart zijn beoordeeld, waarbij geen rekening is gehouden met de combinatie van de verschillende lichamelijke klachten. Verder zijn de bijwerkingen van de medicatie achterwege gelaten. Tot slot voert eiseres aan dat de diverse behandelingen die zij heeft ondergaan, tot op heden niet een positief resultaat hebben geleverd.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank legt dit als volgt uit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast. Er staan nu meer beperkingen in de FML ten aanzien van lawaai, zware trillingen, dragen van een loodschort, schroefbewegingen met veel kracht, frequent lichte voorwerpen hanteren, het hoofd in één stand houden en het klimmen op een ladder. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport benoemd dat ze in haar heroverweging rekening heeft gehouden met de milde CTS-klachten en de hoofdpijn van eiseres. Eiseres onderbouwt haar beroep niet met nieuwe medische informatie. Zij toont niet aan dat inconsistenties in de rapportage staan en concretiseert niet dat de medische informatie onvoldoende of onjuist vertaald is door de verzekeringsartsen. Zoals toegelicht onder 3, is het enkele standpunt van eiseres dat het slechter met haar gaat dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen, onvoldoende om gelijk te krijgen.

Arbeidskundige beoordeling

8. Eiseres stelt dat de geselecteerde functies niet voldoen aan haar mogelijkheden, omdat de aangepaste FML niet juist is. Zij stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij zelfs als wordt uitgegaan van de aangepaste FML, niet in staat is de geduide functies als textielproductenmaker, schoonmaker hotel en medewerker tuinbouw te verrichten, vanwege

haar klachten en beperkingen. In dat verband geeft eiseres aan dat de functies haar belastbaarheid overschrijden ten aanzien van de geluids- en trillingsbelasting, de hoeveelheid en kracht van duw- en trekhandelingen en het in een bepaalde stand houden van het hoofd.

9. De rechtbank overweegt dat uit wat hiervoor onder 7 is overwogen volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de medische beoordeling en daarmee de FML voor onjuist te houden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveert bij alle functies dat deze de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de FML, niet overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij overleg gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding deze motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist te achten. Uitgaande van de juistheid van de FML, moet eiseres de geduide functies daarom kunnen verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

10. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is op basis van de geduide functies 15,36%. Verweerder heeft terecht geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M.A. Koeman, griffier op 29 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.