Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4253

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
C/16/495916 / FO RK 20-103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Erkenning en uitvoerbaar verklaring van uitspraak van een Oekraïense rechtbank over kinderalimentatie. Verzoek daartoe (alsnog) afgewezen. Haags Alimentatieverdrag 2007. Weigeringsgrond artikel 22 onderdeel e, onder i.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
meervoudige kamer

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/495916 / FO RK 20-103

Beschikking van 25 september 2020

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. S. Verhagen,

tegen

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO),

gevestigd te Rotterdam,
optredend in zijn hoedanigheid van ontvangende instelling in het kader van het Haags Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden van 23 november 2007 (hierna: het Haags Alimentatieverdrag 2007),

hierna te noemen verweerder,

gemachtigde: mr. R.D. Rischen, advocaat.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Op 27 december 2019 heeft de rechtbank een bezwaarschrift van de vader ontvangen, met de bijlagen 1 en 2, gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 april 2019. Die beschikking is op 8 november 2019 aan de vader betekend.

1.2.

Op 20 april 2020 heeft de rechtbank een verweerschrift met de bijlagen 1 tot en
met 7 ontvangen.

1.3.

Verder heeft de rechtbank ontvangen en gelezen:

-het F9-formulier van 9 april 2020 van de vader met nadere (niet genummerde) bijlagen;
-de brief van verweerder van 15 april 2020;

-de brief van 22 juni 2020 van verweerder met nadere bijlagen;

-de brief van 2 juli 2020 van de vader met bijlagen over het inkomen van de vader;

-de brieven van 6 en 9 juli 2020 van de vader met de nadere bijlagen 3 tot en met 13 en 14 tot en met 16;

-het e-mail bericht van de vader van 14 juli 2020 met de bijlagen 10 en 11 bij bijlage 4.

1.4.

Ambtshalve heeft de rechtbank aan de dossierstukken toegevoegd - een kopie van deze stukken is aan partijen gegeven - de volgende stukken van de rogatoire commissie van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civielrecht, locatie Lelystad:
- het “request to perform some judicial act” van de Oekraïense rechter van 14 november 2013;

-de brief van het Oekraïense Ministerie van Justitie, blijkens een daarop geplaatst stempel ontvangen bij de griffie van de rechtbank Den Haag op 5 februari 2014.

-de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civielrecht, locatie Lelystad, van 25 juli 2014;
-het proces-verbaal van het getuigenverhoor, gehouden op 7 augustus 2014.

1.5.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 juli 2020.

Daarbij zijn verschenen:
-de vader met zijn advocaat,
-namens het LBIO, mr. R.D. Rischen, advocaat, en mr. [A] , werkzaam bij het LBIO.

Ter zitting zijn nog overgelegd:

-pleitaantekeningen van de advocaat van de vader,

-pleitaantekeningen van de advocaat van het LBIO,

-een kopie van de brief van 8 mei 2014 van het Arrondissementsparket Den Haag aan het Podilskyi District Court in Kiev.

2 De beoordeling

Bestreden beschikking

2.1.

In de bestreden beschikking van 24 april 2019 erkent de voorzieningenrechter van de rechtbank de door de Districtsrechtbank te Kiev op 29 mei 2014 genomen beslissing, waarvan een gewaarmerkt afschrift aan die beschikking is gehecht en verklaart deze beslissing binnen het Koninkrijk der Nederlanden uitvoerbaar.

In voornoemde beslissing van de Oekraïense rechter is de vader (onder meer) veroordeeld om, ten behoeve van het levensonderhoud van de minderjarige [voornaam van minderjarige] aan de moeder te betalen, een vierde deel (1/4) van zijn inkomen, maar niet minder dan 30% van het levensminimum voor een kind van de betreffende leeftijd, en wel met ingang van 14 augustus 2013 totdat [voornaam van minderjarige] meerderjarig is.

Bezwaar en verweer

2.2.

De vader verzoekt de rechtbank om de beschikking van 24 april 2019 te vernietigen en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank Kiev te Oekraïne van 29 mei 2014 niet wordt erkend en dus niet ten uitvoer kan worden gelegd in Nederland.

Het bezwaar van de vader berust op de volgende gronden.

De vader is het er niet mee eens dat een beschikking is erkend die tegen de openbare orde in Nederland indruist. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de vader (onder meer) gesteld dat sprake is geweest van kinderontvoering en dat er geen sprake is van een eerlijke rechtsgang in Oekraïne. Verder heeft de vader erop gewezen dat hij bij verstek is veroordeeld om een bijdrage te betalen, waarbij hij stelt dat niet is komen vast te staan dat hij tijdig kennis heeft kunnen nemen van de stukken, zodat hij tijdig inhoudelijk verweer kon voeren.

De vader heeft zich uitdrukkelijk beroepen op het bepaalde in artikel 22 onderdelen a, b en e van het Verdrag.

Verder heeft de vader gesteld dat hij door de tenuitvoerlegging van Oekraïense uitspraak in de financiële problemen zal komen.

Ook heeft de vader verzocht om te bepalen dat verweerder wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

2.3.

Het LBIO is van mening dat de beschikking van 24 april 2019 terecht is gegeven en dat de bezwaar/beroepsgronden die de vader aanvoert niet kunnen leiden tot de conclusie dat de beschikking niet in stand moet blijven. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd ten aanzien van de door de vader gestelde weigeringsgronden. Verweerder verzoekt de rechtbank het bezwaar van de vader af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van het geding.

Wat vindt de rechtbank?

2.4.

Artikel 22 van Haags Alimentatieverdrag 2007 gaat over de gronden voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing.

Op grond van onderdeel a van dit artikel kan erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing worden geweigerd als deze kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde van de aangezochte staat.

Op grond van onderdeel b van dit artikel kan erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing worden geweigerd als de beslissing is verkregen door middel van bedrog begaan in de procedure.

Op grond van onderdeel e van dit artikel kan erkenning en tenuitvoerlegging worden geweigerd in een zaak waarin de verweerder niet is verschenen en niet werd vertegenwoordigd in procedures in de staat van herkomst:

  1. indien het recht van de staat van herkomst voorziet in inkennisstelling van procedures en de verweerder niet naar behoren in kennis is gesteld en niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord; of

  2. indien het recht van de staat van herkomst niet voorziet in een inkennisstelling van procedures en de verweerder niet naar behoren in kennis is gesteld van de beslissing en niet de mogelijkheid heeft gehad om daartegen bezwaar aan te tekenen of ertegen beroep in te stellen op grond van de feiten of het recht.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de erkenning en tenuitvoerlegging moeten worden geweigerd op grond van het bepaalde onder artikel 22 onderdeel e, onder i, van het Verdrag. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het gestelde door partijen over de overige weigeringsgronden zal de rechtbank daarom in het midden laten.

Inkennisstelling van de vader van de procedure in Oekraïne en de gelegenheid daarbij te worden gehoord

2.6.

De vader stelt over de inkennisstelling van de procedure onder meer:

-dat hij per post is opgeroepen voor de zitting in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 29 mei 2014 en dat hij deze oproep niet heeft ontvangen.

-dat de oproep niet kan zijn afgegeven aan een huisgenoot want hij woont alleen.
-dat hij geen berichten heeft ontvangen over het afhalen van stukken (van de rechtbank Kiev) op een postkantoor.
-dat hij pas op 30 juli 2014 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van 29 mei 2014.

Daarbij stelt de vader dat de gang van zaken bij het uitreiken van processtukken in Oekraïne onvoldoende met waarborgen is omkleed om onomstotelijk te kunnen vaststellen dat een verweerder, in dit geval de vader, de stukken daadwerkelijk heeft ontvangen.

Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij (nu) geen precieze herinneringen (meer) heeft over het op de hoogte komen van de procedure in 2014. Daarbij speelt een rol dat hij een posttraumatische stressstoornis heeft overgehouden aan de gebeurtenissen rondom de ontvoering van [voornaam van minderjarige] .

2.7.

In het verweerschrift heeft verweerder over het in kennis stellen van de vader gesteld dat de vader niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat hij te laat is geïnformeerd om nog beroep in te stellen.
Verweerder heeft ter zitting in aanvulling hierop gesteld dat de vraag of de vader naar behoren in kennis is gesteld van de procedure en in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, een vraag is die door de rechtbank in Oekraïne beantwoord moet worden en ook is beantwoord in de beslissing van de rechtbank Kiev van 4 november 2014.

Verweerder heeft het Ministerie in Kiev verzocht nadere documentatie te sturen over de betekening van de stukken aan de vader. In plaats van zelf met een verklaring te komen stuurt het Ministerie van Justitie in Kiev een ongedateerde verklaring, die kennelijk afkomstig is van mevrouw [B] , de moeder van [voornaam van minderjarige] . Die verklaring ziet verweerder niet als een antwoord op de door verweerder gestelde vragen. Ter zitting heeft verweerder nog wel overgelegd de onder 1.5. genoemde kopie van de brief van 8 mei 2014 van het Arrondissementsparket Den Haag aan het Podilskyi District Court in Kiev. Verweerder stelt daarbij dat een kennisgeving kennelijk wel via het parket in Den Haag is gegaan en dat de vader deze niet heeft afgehaald van het postkantoor. Verweerder kan niet met zekerheid zeggen dat die brief de oproep voor de zitting was die heeft geleid tot de uitspraak van 29 mei 2014. Er staat op die brief wel een referentienummer dat gelijk is aan het dossiernummer van die uitspraak.

2.8.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de stukken en het gestelde door partijen blijkt dat de beslissing van de Districtsrechtbank te Kiev van 29 mei 2014 een verstekbeslissing is geweest. Na die beslissing heeft nog een procedure plaatsgevonden over herziening van deze beslissing. In laatstgenoemde procedure is uitspraak gedaan door de Podil Rechtbank in Kiev op 4 november 2014. Het verzoek van de vertegenwoordiger van de vader betreffende herziening van de (verstek)beslissing van de rechtbank Kiev van 29 mei 2014 is afgewezen. Verweerder heeft die uitspraak (beschikking) overgelegd als productie 3 met een vertaling daarvan in productie 4. In (de vertaling van) deze uitspraak staat onder meer:


“In artikel 74 van het Burgerlijke Proceswetboek van Oekraïne is vastgesteld, dat oproepen voor de rechtszittingen geschieden door middel van overhandiging van een dagvaarding. De dagvaardingen dienen verstuurd te worden aan personen die deelnemen aan de rechtszaak (…).

De dagvaarding dient zo overhandigd te worden, dat personen die opgeroepen worden voldoende tijd zouden hebben om voor de rechter te verschijnen en zich voor te bereiden op deelname aan de rechtszitting, (…).
Overeenkomstig artikel 76 van het Burgerlijke Proceswetboek van Oekraïne, geschiedt de overhandiging van een dagvaarding bestemd voor natuurlijke personen met betekening van een exploot (…). Het exploot met aantekening van de datum wanneer het werd betekend, wordt diezelfde dag nog teruggebracht naar de rechtbank door degene, die het heeft betekend.
Als persoon, voor wie de dagvaarding bestemd is, op de woonplaats niet aanwezig is, de dagvaarding met exploot wordt overhandigd aan één van meerderjarige familieleden, die wonen op hetzelfde adres, en in afwezigheid van familieleden – aan competente woon-exploitatie organisatie of aan uitvoerend orgaan van zelfbestuur van de buurt
Naar hoe het uit materialen van de zaak eruit ziet, waren er door de rechtbank naar het woonadres van de aangeklaagde zowel materialen van de rechtsvordering met het besluit van inspanning van de zaak, als dagvaardingen met oproepen voor de rechtszittingen gestuurd. Toch waren ze daarna teruggestuurd naar het adres van de rechtbank i.v.m. beëindiging van de termijn voor uitvoering van procesdocumentatie, omdat de aangeklaagde niet thuis was op het moment dat de postbode de documenten wilde overhandigen. Op het verzoek om de documenten op te halen van de postafdeling heeft dhr. [de vader (achternaam)] niet gereageerd. Om die reden waren ze teruggestuurd naar de rechtbank (blz. 208 in het dossier).

Gelet op het bovengenoemde komt de rechtbank tot de conclusie dat de referenties van de vertegenwoordiger van de aangeklaagde eraan dat de aangeklaagde geen enkele keer geïnformeerd was over het proces en de rechtszittingen ongefundeerd zijn, omdat hij erover wel geïnformeerd was overeenkomstig bepalingen van artikel 76 van het Burgerlijke Proceswetboek van Oekraïne.
De referenties van de vertegenwoordiger van de aangeklaagde eraan dat de documenten waren niet door de aangeklaagde, maar door zijn buurman ontvangen, kunnen door de rechtbank niet in acht worden genomen, gezien er geen enkel bewijs ervan aan de rechtbank is voorgelegd.
Bovendien, wijst de aangeklaagde daarop aan dat er door hem op 30-07-2014 het besluit van de rechtbank was ontvangen, die gestuurd was naar hetzelfde adres als eerdere dagvaardingen en andere documenten, hoewel er ook geen bewijzen zijn van ontvangst van dat besluit op die exacte datum zijn voorgelegd.”

2.9.

Uit de door verweerder ter zitting overgelegde brief blijkt dat er op verzoek van Oekraïne door het parket in Den Haag is gepoogd stukken aan de vader te doen toekomen via aangetekende post. Die stukken hebben (waarschijnlijk) betrekking op de alimentatieprocedure in Oekraïne, maar de inhoud van deze stukken is niet bekend. Deze stukken zijn namelijk teruggestuurd naar Oekraïne en bevonden zich ook niet meer in het dossier van de Nederlandse rechter-commissaris tijdens het rogatoire verhoor.

In ieder geval hebben die stukken de vader niet bereikt, noch rechtstreeks, noch via een huisgenoot of door afhalen van de stukken op het postkantoor. Ook anderszins is niet gebleken dat de vader bekend is geworden met de stukken en de tegen hem ingestelde alimentatieprocedure.

2.10.

Verder is gebleken dat de Oekraïense rechter een rechtshulpverzoek heeft gedaan om de vader te horen en hier is in Nederland gevolg aan gegeven op 7 augustus 2014. In de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civielrecht, locatie Lelystad, van 25 juli 2014, overweegt de rechtbank onder 2.6 dat het de rechtbank is gebleken dat geen Nederlandse vertaling van het verzoekschrift, noch een kopie van het origineel aan de vader is verzonden. De vader heeft tegenover de Nederlandse rechter-commissaris op 7 augustus 2014 uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet bekend is met een verzoekschrift tot alimentatie en met de stukken die ter betekening zouden zijn aangeboden. Hij heeft voorts verklaard dat hij er niet mee instemt dat de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt afgedaan. Dit is toch gebeurd: de Oekraïense rechter heeft om onbekende redenen de uitkomst van de rogatoire commissie niet afgewacht en een verstekvonnis gewezen ruim voordat het getuigenverhoor plaatshad.

De vader heeft hiertegen een rechtsmiddel ingesteld, maar desondanks is hij niet alsnog inhoudelijk gehoord. Het debat heeft zich beperkt tot de betekening.

2.11.

De rechtbank stelt verder vast dat er geen bewijs van aangetekende verzending is overgelegd. Op basis waarvan de Oekraïense rechter overweegt dat de stukken bij het postkantoor hebben gelegen is onbekend. Ook onbekend is hoe lang de stukken daar eventueel hebben gelegen en of de stukken aan het juiste adres gericht zijn en of er op dit punt een deugdelijke toets is gedaan, bijvoorbeeld door controle aan de hand van de gegevens in de Basisregistratie Personen.

2.12.

Onder voornoemde omstandigheden kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de vader naar behoren in kennis is gesteld van de procedure en in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

Proceskosten

2.13.

De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om overeenkomstig het verzoek van de vader een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder als in het ongelijk gestelde partij uit te spreken.

2.14.

De kosten aan de zijde van de vader worden begroot op:

- griffierecht € 297,-

- salaris advocaat € 960,-

Totaal € € 1.257,-

3 De beslissing

3.1.

vernietigt de bestreden beschikking van de voorzieningenrechter van 24 april 2019 met betrekking tot de erkenning en de uitvoerbaarverklaring van de door de Districtsrechtbank te Kiev op 29 mei 2014 genomen beslissing;

3.2.

wijst het inleidend verzoek van het LBIO tot erkenning van de door de Districtsrechtbank te Kiev op 29 mei 2014 genomen beslissing alsnog af;

3.3.

veroordeelt verweerder in de proceskosten van de vader in deze procedure
van € 1.264,- als gespecificeerd onder 2.14.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, mr. E.A.A. van Kalveen, en
mr. T. Dopheide, rechters, in aanwezigheid van mr. E.M. Tol als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2020.

Tegen deze beschikking kan - gezien het bepaalde in artikel 23 lid 10 van het Haags Alimentatieverdrag 2007 en artikel 6 lid 2 van de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud - beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de beschikking.