Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4241

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
UTR 20/2795
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo; woningsluiting; noodzaak sluiting zes maanden niet aangetoond; sluiting ook onevenredig; kwetsbaar persoon; toewijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2795


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. E. Osinga),

en

de burgemeester van de gemeente Lopik, de burgemeester (gemachtigde: M.A.M. Hooijman).

Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 juli 2020 van de burgemeester om zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] voor de duur van zes maanden te sluiten.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen om sluiting van zijn woning met ingang van 13 augustus 2020 te voorkomen. De burgemeester heeft toegezegd te wachten met het sluiten van de woning tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het beroep is op 8 september 2020 met behulp van een telefoon- en een beeldverbinding op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Overwegingen

Totstandkoming van het besluit van de burgemeester

1. Verzoeker is huurder en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . De burgemeester heeft op 9 juni 2020 informatie van de politie (Eenheid Midden-Nederland) ontvangen over de bevindingen van een huiszoeking op 16 mei 2020 in de woning van verzoeker. In de woning is een koffer met een grote handelshoeveelheid hard- en softdrugs aangetroffen. Gelet op de ernst van de aangetroffen situatie heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en het zogeheten Damocles-beleid besloten om de woning van verzoeker voor zes maanden te sluiten.

Oordeel van de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Verzoek om beperkte kennisneming

3. De burgemeester heeft de rechtbank verzocht om voor een bestuurlijke rapportage van 4 juni 2020 beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. De rechtbank heeft bij beslissing van 1 september 2020 dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft vervolgens de bestuurlijke rapportage aan de burgemeester teruggestuurd.

De bevoegdheid tot sluiting

4. De bevoegdheid uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om gebruik te maken van deze bevoegdheid. De voorzieningenrechter toetst in het kader van deze procedure of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen daartoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de politie tijdens de huiszoeking op 16 mei 2020 een koffer met een grote handelshoeveelheid hard- en softdrugs in de woning van verzoeker heeft aangetroffen. Verzoeker stelt dat er voor de burgemeester geen noodzaak bestond om de woning te sluiten. Daarbij acht verzoeker van belang dat zijn woning niet in een wijk staat waar drugsoverlast is en dat zijn woning niet bekend staat als drugspand. Ook is geen sprake van recidive. Het doel van de sluiting van de woning als herstelsanctie van de openbare orde is volgens verzoeker niet aanwezig. Bovendien is sluiting van een woning een uiterst middel. Volgens verzoeker had de burgemeester kunnen en moeten volstaan met een lichter middel, zoals het geven van een waarschuwing of het opleggen van een dwangsom. Verzoeker voert verder aan dat de sluiting niet evenredig is. Verzoeker was niet op de hoogte van de inhoud van de in zijn woning aangetroffen koffer. Hij heeft een verstandelijke beperking (zorgindicatie VG07) en is voor zijn maatschappelijk functioneren afhankelijk van individuele begeleiding. Door de Covid-19 problematiek is die begeleiding minder intensief geweest. Verzoeker heeft door zijn beperking geen weerstand kunnen bieden aan het verzoek van een ‘vriend’ om een koffer op zijn zolder te mogen stallen. Volgens verzoeker heeft de burgemeester bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.

6. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs in de woning van verzoeker een schending van de openbare orde oplevert. Dat verzoeker geen wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, doet niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten. Deze sluiting is volgens de burgemeester noodzakelijk om te voorkomen dat verzoeker weer door mensen benaderd wordt om drugs in zijn woning te bewaren. Het belang om de openbare orde te handhaven weegt voor de burgemeester zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoeker om de woning ongestoord te kunnen huren.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning van verzoeker een grote hoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen, die niet wordt aangemerkt als een hoeveelheid voor eigen gebruik. De aanwezigheid van deze handelshoeveelheid drugs kan worden aangemerkt als een ernstig geval dat bij een eerste overtreding sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet rechtvaardigt. De burgemeester heeft hierover beleid vastgesteld.1 Indien er sprake is van een eerste overtreding ten aanzien van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van harddrugs, is uitgangspunt om de woning te sluiten voor een periode van zes maanden. Dit beleid past binnen de grenzen van het kader waarbij volgens vaste rechtspraak het beleid niet onredelijk wordt geacht. De burgemeester was dan ook in beginsel bevoegd om de woning van verzoeker te sluiten.

Gebruikmaking van de bevoegdheid

8. De vraag is of de burgemeester in de situatie van verzoeker in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. De burgemeester dient overeenkomstig de beleidsregel te handelen, tenzij dat voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.2

9. In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij is ook van belang of feitelijke handel heeft plaatsgevonden in of vanuit de woning of daarbij behorende erven. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken de verwijtbaarheid, de gevolgen van de sluiting en de aanwezigheid van minderjarige kinderen.3

Noodzaak van de sluiting

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning van verzoeker voor de duur van zes maanden noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. Uit het besluit blijkt niet dat de burgemeester daarvoor alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken. Ter zitting is door de burgemeester erkend dat geen sprake is van een loop naar de woning van verzoeker en dat er geen onderzoek is gedaan naar drugsoverlast in de (directe) nabijheid van de woning. Ook is niet gebleken dat de woning in de omgeving bekend staat als drugspand. De enkele omstandigheid dat verzoeker twee antecedenten op zijn naam heeft is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om tot noodzaak van sluiting van de woning van verzoeker te komen.

11. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de burgemeester in zijn besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hij, zeker gezien verzoekers persoonlijke omstandigheden, niet heeft gekozen voor een minder ingrijpende maatregel. De voorzieningenrechter wijst erop dat volgens het beleid de bevoegdheid om met een last onder bestuursdwang een woning te sluiten, gelet op de daarbij betrokken grondrechten van onder meer de bewoner van de woning, ingrijpend is. Om die reden wordt sluiting gezien als een uiterst middel, dat alleen wordt ingezet als ultimum remedium in ernstige situaties in het kader van bestuurlijke aanpak van de georganiseerde drugshandel. Dit betekent dat de burgemeester eerst een minder vergaande maatregel treft, tenzij de omstandigheden dit redelijkerwijs niet toelaten. De burgemeester heeft niet gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een minder vergaande maatregel, zoals het opleggen van een preventieve last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling. Nu de burgemeester heeft gemotiveerd dat hij wilde voorkomen dat verzoeker weer zou worden benaderd om drugs te bewaren in zijn woning, is de voorzieningenrechter niet duidelijk om welke reden de burgemeester niet heeft gekozen voor het preventief opleggen van dwangsom aan verzoeker.

Evenredigheid: gevolgen van de sluiting

12. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de burgemeester ten onrechte de persoonlijke omstandigheden van verzoeker niet, althans niet zichtbaar, bij zijn besluit heeft betrokken. De burgemeester heeft bij zijn belangenafweging enkel gesteld dat het belang van de handhaving van de openbare orde voor hem zwaarder weegt dan het persoonlijke (financiële) belang van verzoeker bij het ongestoord huren en gebruiken van de woning. De voorzieningenrechter acht deze motivering onvoldoende gelet op de door verzoeker naar voren gebrachte volgende feiten en omstandigheden.

13. Verzoeker is een kwetsbaar persoon. Hij heeft bij zijn verzoek en ter zitting naar voren gebracht waarom het kwijtraken van zijn woning voor hem ingrijpende gevolgen heeft. Verzoeker heeft een Wajong-uitkering en is door het CIZ geïndiceerd met een zorgzwaartepakket VG07. Vanwege zijn verstandelijke beperking heeft verzoeker dagelijks begeleiding nodig om sociaal te kunnen functioneren en zich maatschappelijk staande te kunnen houden. Daarnaast krijgt verzoeker begeleiding door de reclassering. Voor deze intensieve begeleiding is het voor verzoeker van groot belang dat hij zijn woning behoudt. Niet duidelijk is of verzoeker in staat zal zijn een andere woning te verkrijgen. Verzoeker heeft gesteld dat hij door de sluiting van de woning door verhuurder Woningraad op een zwarte lijst zal worden gezet, waardoor hij niet snel in aanmerking komt voor een sociale huurwoning in de regio. De gemiddelde wachttijd voor een woning in de gemeente Lopik bedraagt acht jaar en in Utrecht zelfs tien jaar. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester aan deze voor verzoeker ingrijpende gevolgen van de woningsluiting ten onrechte geen betekenis heeft toegekend. Met het verzoek aan verzoeker om vrijwillig zijn sleutel in te leveren en zelfstandig te vertrekken en een andere woning te zoeken, heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende rekening gehouden met verzoekers kwetsbare positie op de woningmarkt.

14. De burgemeester heeft bij zijn besluit evenmin betrokken in hoeverre verzoeker gezien zijn verstandelijke beperking daadwerkelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn overtreding. Weliswaar is de vraag of verzoeker persoonlijk een verwijt van de overtreding van artikel 13b van de Opiumwet kan worden gemaakt, in het kader van de vaststelling van de bevoegdheid om de woning in beginsel te sluiten niet van belang. Deze vraag komt wel aan de orde in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester die vraag in zijn besluit ten onrechte niet beantwoord.

Conclusie

15. Uit het voorgaande volgt dat de burgemeester het besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter op verschillende onderdelen onvoldoende heeft gemotiveerd. De burgemeester heeft daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning van verzoeker gebruik kunnen maken.

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit. Deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

17. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

18. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat het besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 22 september 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Damocles beleid gemeente Lopik, in werking getreden op 21 augustus 2017

2 Zie de uitspraak van 28 augustus 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2019:2912.

3 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083.