Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4223

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3496
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 4:6 van de Awb, Regeling ontslaguitkering vliegers landelijke eenheid, leeftijdsdiscriminatie

Eiser heeft verzocht om zijn ontslaguitkering die hij op grond van de Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid (de Regeling) te laten aansluiten op zijn AOW-leeftijd (66 jaar). Verweerder heeft dit verzoek ten onrechte aangemerkt als een als een herzieningsverzoek (artikel 4:6 van de Awb). Eiser heeft niet verzocht om terug te komen op het ontslagbesluit van 28 september 2010. Hij verzoekt om de ontslaguitkering die hij met ingang van 1 december 2010 heeft ontvangen niet te beëindigen met ingang van 1 december 2017, maar met ingang van 1 december 2018. Het ontslagbesluit van 28 september 2010 zag niet op de periode tussen 1 december 2017 en 1 december 2018 en verweerder heeft zich over die periode dus nooit uitgelaten. Anders dan eiser heeft betoogd is het bij het opstellen van de nieuwe Regeling (2016) niet de bedoeling van de wetgever geweest dat eisers ontslaguitkering zou eindigen op het moment dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd zou bereiken, met andere woorden: (inmiddels) op zijn 66e. Juist voor situaties als die van eiser voorziet de Regeling (nieuw) namelijk in een compensatie. Er is geen sprake van leeftijdsdiscriminatie. Op grond van de Regeling (oud of nieuw) wordt de ontslaguitkering voor maximaal tien jaar verstrekt. Het verschil in de Regeling (oud of nieuw) is geen leeftijdsverschil, maar heeft betrekking op het moment waarop de termijn van tien jaar aanvangt. Onder de Regeling (oud) lag dit moment bij 55 jaar en eindigde het altijd bij 65 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3496

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. S.H. Springer),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. van Keeken).

Inleiding en procesverloop

1. Eiser is geboren op [datum] 1952. Hij is tot 1 december 2010 werkzaam geweest bij de politie in de functie van [functie] op [naam locatie] . Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 28 september 2010 functioneel leeftijdsontslag (FLO) verleend.1 Dit betreft een eervol ontslag.

2. Bij besluit van 27 oktober 2010 is aan eiser met ingang van 1 december 2010 een ontslaguitkering toegekend op grond van de Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid (de Regeling). Op grond van deze Regeling, zoals die gold tot 26 juli 2016 (de Regeling (oud)), eindigde de ontslaguitkering met ingang van de eerste dag van de maand die volgde op de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikte. Met ingang van 26 juli 2016 is de Regeling gewijzigd, in die zin dat de ontslaguitkering sindsdien eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene de AOW2-gerechtigde leeftijd heeft bereikt (de Regeling (nieuw)).

3. Op 24 mei 2017 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat zijn uitkering eindigt als hij 65 jaar wordt. Door de verhoging van de AOW- en pensioenleeftijd vanaf 20133 kwam eiser met 65 jaar nog niet in aanmerking voor een AOW-uitkering. Dit recht is voor hem pas ingegaan op 1 december 2018, nadat hij op [datum] 2018 66 jaar was geworden. In de periode van 1 december 2017 tot 1 december 2018, waarin eiser geen uitkering ontving op grond van de Regeling, heeft hij een financiële compensatie ontvangen van verweerder.

4. Op 30 juli 2018 heeft eiser verweerder primair verzocht om zijn ontslaguitkering te laten aansluiten op zijn AOW-leeftijd. Eiser heeft hiertoe verwezen naar de Regeling (nieuw). Subsidiair heeft eiser verzocht om een hogere financiële compensatie, zodat deze compensatie gelijk is aan de hoogte van zijn ontslaguitkering. Volgens eiser is in zijn geval sprake van een excessieve inkomstenterugval. Hij heeft in dit verband gewezen op de compensatieregeling die geldt voor het Ministerie van Defensie, die een 100% compensatie kent. De compensatie die eiser krijgt, is daarentegen gebaseerd op een compensatie van 70% van het wettelijk minimumloon zonder vakantietoeslag.

5. Bij besluit van 19 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Verweerder merkt het primaire verzoek van eiser aan als een verzoek om herziening van het ontslagbesluit van 28 september 2010. Omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat zijn uitkering op grond van de Regeling (oud) zou eindigen op zijn 65ste levensjaar, staan de duur en de einddatum van de ontslaguitkering vast volgens verweerder. Verweerder begrijpt wel dat eiser ten tijde van het ontslagbesluit van 28 september 2010 geen aanleiding had om de einddatum van zijn ontslaguitkering aan te vechten. Volgens verweerder had eiser dit echter wel kunnen en moeten doen op het moment dat de AOW-gerechtigde leeftijd werd opgehoogd, of in ieder geval op het moment dat de Regeling op 26 juli 2016 werd gewijzigd. Het argument van eiser dat hij er in 2010 vanuit mocht gaan dat de FLO-voorwaarden gegarandeerd zouden blijven en dat daarmee zijn ontslagbesluit zou aansluiten op de nieuwe, verhoogde, AOW-leeftijd, had eiser volgens verweerder eerder kunnen en moeten aanvoeren dan op 30 juli 2018. Gelet hierop heeft verweerder het primaire verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verweerder zijn er namelijk geen nieuwe feiten en/of omstandigheden, zodat verweerder kan verwijzen naar het ontslagbesluit van 28 september 2010. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek heeft verweerder er op gewezen dat op 1 november 2018 een nieuwe politie-cao is ondertekend die eveneens gaat over de hoogte van de financiële compensatie. De afspraken moeten nog formeel worden vastgelegd in de Regeling (nieuw). Het subsidiaire verzoek is volgens verweerder daarom prematuur.

6. Bij besluit van 30 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

7. Het onderzoek ter zitting heeft via skype plaatsgevonden op 14 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] . Ter zitting is de heer [getuige] als getuige gehoord.

Overwegingen en oordeel van de rechtbank

8. In beroep voert eiser - samengevat - aan dat het bestreden besluit genomen is in strijd met de rechtszekerheid, de zorgvuldigheid, het opgewekt vertrouwen, het verbod op leeftijdsdiscriminatie en met artikel 4:84 van de Awb. Volgens hem zijn er sinds het ontslagbesluit van 28 september 2010 wel nieuwe feiten en omstandigheden opgekomen. Hij meent dat hij er op mocht vertrouwen dat zijn ontslaguitkering zou doorlopen tot het moment waarop hij recht kreeg op een AOW-uitkering. Eiser voert hiertoe aan dat de Regeling (oud) bepaalde dat het recht op de ontslaguitkering eindigde als de betrokkene de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Volgens eiser is hiermee beoogd om de ontslaguitkering te laten aansluiten op het moment waarop het recht op een AOW-uitkering aanving. Dat was destijds immers met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De rechtbank gaat hierna in op deze beroepsgronden.

Valt eisers verzoek onder artikel 4:6 van de Awb?

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het onderhavige verzoek van eiser ten onrechte primair aangemerkt als een verzoek om het ontslagbesluit van 28 september 2010 te herzien. Verweerder heeft het verzoek dan ook ten onrechte beoordeeld in het licht van de vraag of sindsdien is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser verweerder niet verzocht om terug te komen op het ontslagbesluit van 28 september 2010. Daarentegen komt eiser in feite met een geheel nieuw verzoek aan verweerder. Hij verzoekt verweerder om de ontslaguitkering die hij met ingang van 1 december 2010 heeft ontvangen niet te beëindigen met ingang van 1 december 2017, maar met ingang van 1 december 2018. Dit vanwege het feit dat in het geval van eiser de AOW-leeftijd ná het ontslagbesluit van 28 september 2010 is verhoogd tot 66 jaar. Hierdoor kwam eiser pas met ingang van 1 december 2018 in aanmerking voor een AOW-uitkering. Het besluit van verweerder zag niet op de periode tussen 1 december 2017 en 1 december 2018 en verweerder heeft zich over die periode dus nooit uitgelaten. Daarom is geen sprake van een verzoek tot herziening van de eerdere beslissing.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus een onjuist beoordelingskader gehanteerd. Hierdoor heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren, omdat eiser door het geconstateerde gebrek niet is benadeeld.4 Daarbij acht de rechtbank het van belang dat verweerder zich weliswaar primair op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, maar dat verweerder het verzoek van eiser wel inhoudelijk heeft beoordeeld. Daarom leidt de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

Heeft eiser recht op verlenging van zijn ontslaguitkering?

11. Het verzoek van eiser komt neer op een verlenging van zijn ontslaguitkering met één jaar, te weten met de periode van 1 december 2017 tot 1 december 2018. Met ingang van laatstgenoemde datum had eiser immers de voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar bereikt. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

12. In de Regeling (oud) was in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, bepaald dat de ontslaguitkering eindigde met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikte. Eiser valt onder deze bepaling van de Regeling (oud).

13. In de Regeling (nieuw) is in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, bepaald dat de uitkering eindigt als de betrokkene de AOW-leeftijd heeft bereikt. Eiser valt niet onder deze bepaling van de Regeling (nieuw), maar wel onder artikel 13b, eerste lid, van de Regeling (nieuw). Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, de betrokkene die op enig tijdstip in de periode van 1 januari 2013 tot 26 juli 2016 recht had op een uitkering op grond van de Regeling en die de leeftijd van 65 jaar bereikt op of na 1 april 2017, vanaf die leeftijd recht heeft op een tegemoetkoming die bestaat uit:

a. een uitkering die netto een bedrag oplevert dat gelijk is aan het ouderdomspensioen, verhoogd met de vakantiebijslag, dat de betrokkene op grond van de Algemene ouderdomswet had ontvangen, indien die wet al op hem van toepassing was geweest;

b. een financiële compensatie voor de verlaging van het ouderdomspensioen, bedoeld in hoofdstuk 5 van het pensioenreglement wegens het eerder ingaan van dit pensioen dan de op dat moment geldende pensioenrekenleeftijd, bedoeld in bijlage 2 bij het pensioenreglement, waarbij voor de vaststelling van de omvang van de verlaging wordt uitgegaan van een ingang van het ouderdomspensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de betrokkene;

c. een aanvullend bedrag voor zover de op grond van de onderdelen a en b vastgestelde aanspraken tezamen minder bedragen dan 90 procent van de gerechtvaardigde aanspraak.

14. Onder de Regeling (oud) viel het einde van de ontslaguitkering samen met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dat was destijds ook de AOW-gerechtigde leeftijd. Anders dan eiser heeft betoogd, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat zijn ontslaguitkering zou eindigen op het moment dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd zou bereiken, met andere woorden: (inmiddels) op zijn 66e. Juist voor situaties als die van eiser voorziet de Regeling (nieuw) namelijk in een compensatie. Er is geen sprake van strijd met het rechtszekerheids- en/of het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond van eiser dat op basis van de Regeling (oud of nieuw) zijn ontslaguitkering nadat hij 65 jaar was geworden nog één jaar dient door te lopen, slaagt daarom niet.

Strijd met het vertrouwensbeginsel?

15. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het geval van eiser geen sprake van geweest. Op grond van de Regeling (oud) moet het voor eiser voldoende duidelijk zijn geweest dat zijn ontslaguitkering eindigde op het moment dat hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt. De Regeling (oud of nieuw) noch enig ander stuk biedt een aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake is van toezeggingen, andere uitlatingen of gedragingen van de zijde van verweerder waaruit eiser redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij ook na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar nog recht zou hebben op de ontslaguitkering, als gevolg van het feit dat de AOW-leeftijd was verhoogd of door de omstandigheid dat hij de ontslaguitkering bij het bereiken van die leeftijd nog geen tien jaar ontving. De beroepsgrond slaagt niet.

Onterecht onderscheid naar leeftijd?

16. Eiser voert aan dat verweerder met het bestreden besluit een verboden onderscheid naar leeftijd heeft gemaakt. Volgens eiser wordt hij namelijk feitelijk niet gecompenseerd tot 100% van de gerechtvaardigde aanspraak, zoals dat bij oud-defensiemedewerkers wel het geval is. Om tot een 100% inkomen te komen, diende eiser zijn ouderdomspensioen aan te spreken vóórdat hij zijn AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt. Jongere uitkeringsgerechtigden met dezelfde diensttijd kunnen wel een uitkering krijgen tot aan hun AOW-leeftijd. Wanneer de ontslaguitkering van eiser zou doorlopen tot zijn 66e, dan wordt dit onderscheid opgeheven. Eiser verwijst in dit verband naar diverse uitspraken van rechtbanken en de CRvB.

17. Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze beroepsgrond. Op grond van de Regeling (oud of nieuw) wordt de ontslaguitkering voor maximaal tien jaar verstrekt. Het verschil in de Regeling (oud of nieuw) is geen leeftijdsverschil, maar heeft betrekking op het moment waarop de termijn van tien jaar aanvangt. Onder de Regeling (oud) lag dit moment bij 55 jaar en eindigde het altijd bij 65 jaar. Onder Regeling (nieuw) hebben medewerkers de keuze of zij de uitkering willen laten ingaan met 55 jaar of later. Als zij de Regeling in laten gaan met 55 jaar, dan eindigt de uitkering met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Aansluitend hebben medewerkers geen recht op enige compensatie tot het moment waarop zij hun AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, terwijl eiser die compensatie wel krijgt.

18. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Verweerder heeft uitgelegd dat het in feite ging om een “volume” van tien jaar: een werknemer had recht op een bedrag van tien jaar aan ontslaguitkering. Eiser heeft de ontslaguitkering ontvangen vanaf het moment dat hij 58 jaar was. In de zeven jaar daarna (dus tot aan zijn 65e) heeft hij het volledige volume van de ontslaguitkering ontvangen. Het bedrag dat hij anders over een periode van tien jaar zou hebben ontvangen, heeft hij dus in zeven jaar gekregen. Hierdoor is het maandbedrag van zijn ontslaguitkering tot 1 december 2017 hoger geweest dan wanneer hij het in tien jaar had ontvangen. Tot opzichte van dit hogere maandbedrag viel de compensatie die eiser vanaf 1 december 2017 ontving aanmerkelijk lager uit. Daarmee is evenwel niet gezegd dat die compensatie op zich te laag is geweest. Bovendien heeft eiser niet betwist dat hij in de periode van 1 december 2017 tot 1 december 2018 een compensatie van ruim 98% van zijn gerechtvaardigde aanspraak ontving. Indien al gesproken zou kunnen worden van een onrechtmatig onderscheid naar leeftijd, dan is er naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser in ieder geval geen sprake geweest van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraken.5 Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt dat in het geval er sprake is van een gering verlies aan inkomsten bij het eerder laten ingaan van het ouderdomspensioen en er ook compensatie tot 90% wordt verleend, geen sprake is van ongeoorloofd handelen door het beslissingsbevoegde bestuursorgaan.6

Handelt verweerder in strijd met artikel 4:84 van de Awb?

19. Eiser heeft aangevoerd dat het beleid van verweerder dat de maximale termijn van de ontslaguitkering op grond van de Regeling (oud) altijd 10 jaar is en altijd eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. Verweerder dient elke zaak te beoordelen op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval en dient zo nodig van zijn beleid af te wijken, aldus eiser.

20. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Regeling (oud of nieuw) is namelijk geen beleidsregel, maar een algemeen verbindend voorschrift (avv). Daarop is 4:84 van de Awb niet van toepassing. Voorts bevat de Regeling (oud of nieuw) geen hardheidsclausule, zodat verweerder ook langs deze weg geen beleidsruimte toekomt. Wel omvat de Regeling (nieuw) de artikelen 13a en 13b. In deze artikelen is geregeld op welke tegemoetkoming een betrokkene, van wie de uitkering eindigt met 65 jaar, recht heeft. Deze tegemoetkoming heeft eiser ook gekregen.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek in rechtsoverweging 10 ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser en draagt de rechtbank verweerder op om het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden. De proceskosten worden vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank verklaart:

  • -

    het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    draagt verweerder op om aan eiser het griffierecht van € 170,- te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. E.E.M. van Abbe en mr. R.J.A. Schaaf, leden, in aanwezigheid van drs. S.S. Mazaheri, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Op grond van artikel 88a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in samenhang met de Aanvullende Flexibele Uittredingsregeling politie (AFUP).

2 Algemene Ouderdomswet.

3 Op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328; Wet VAP) en de Wet van 4 juni 2015 (Stb. 2015, 218) is de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in de AOW vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021.

4 De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 6:22 van de Awb.

5 Vergelijk de uitspraken van de CRvB van 18 juli 2016, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2614 en de uitspraken van de CRvB van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526 en 5 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2732.

6 Zie de uitspraken van 22 februari 2018 en 5 augustus 2019 (vindplaatsen genoemd in voetnoot 5).