Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4205

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
UTR - 19 _ 3044 en UTR - 19_3078
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Het college van de gemeente Noordoostpolder was niet bevoegd om op grond van de kruimelregeling van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning te verlenen voor het in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan bouwen van een kantoor en 16 appartementen op een perceel in Emmeloord dat nu braak ligt. Bij nieuwbouw kan een omgevingsvergunning niet worden verleend met toepassing van een combinatie van de onderdelen 1 en 9 van de kruimelregeling. Het college moet met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure opnieuw een besluit nemen op de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/3044 en UTR 19/3078

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

17 september 2020 in de zaak tussen

[eiser/eiseres 1a] & [eiser/eiseres 1b] , te [woonplaats] , eisers 1

(gemachtigde: mr. K. van Leeuwen),

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2

(gemachtigde: mr. S. Sabur),

gezamenlijk eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder (het college), verweerder

(gemachtigde: L. Riddersma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] .

Inleiding

[naam derde-partij] B.V. heeft bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kantoor en 16 appartementen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] t/m [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam] . Dit perceel ligt sinds 2009 braak.

Het bouwplan van [naam derde-partij] B.V. is op meerdere punten in strijd met het voor het perceel geldende bestemmingsplan ‘Emmeloord, de Deel-Stadshart’. Het college heeft op 26 september 2018 – conform de aanvraag – een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning) verleend voor de activiteiten bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Met twee besluiten van 2 juli 2019 (de bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van eisers tegen de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning onder wijziging van de grondslag en met aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft twee verweerschriften ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 17 september 2020. Eisers waren hierbij aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigde van het college was ook aanwezig. Zij werd vergezeld door [A] en [B] . [naam derde-partij] B.V. werd op de zitting vertegenwoordigd door [C] en [D] .

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de omgevingsvergunning;

  • -

    draagt het college op om met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure een besluit te nemen op de aanvraag voor een omgevingsvergunning van [naam derde-partij] B.V.;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,- aan beide eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 2.100,- en van eiser 2 tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

Kleeft er een gebrek aan de bestreden besluiten?

1. Ja, naar het oordeel van de rechtbank kleeft er een gebrek aan de bestreden besluiten.

2. Eisers en het college zijn het er inmiddels over eens, en de rechtbank sluit zich daarbij aan, dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2O, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1 en 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit betekent dat het college bij het voorbereiden van de omgevingsvergunning de verkeerde procedure heeft gevolgd, namelijk de reguliere procedure in plaats van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is.

3. De rechtbank baseert dit oordeel op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), in het bijzonder de uitspraken van

21 maart 2018 (Aldi)1 en 4 februari 2020 (Oudewater)2. De motivering van de uitspraken van de Afdeling over toepassing van artikel 4 van bijlage II bij het Bor bij nieuwbouw lijkt niet altijd consistent en is daardoor mogelijk wat verwarrend. De uitkomst van deze rechtspraak is wel consistent. Voor het bouwen van een nieuw pand, waarvan het gebruik geheel of gedeeltelijk afwijkt van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, kan een omgevingsvergunning niet worden verleend met toepassing van een combinatie van de onderdelen 1 en 9 van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Een omgevingsvergunning voor nieuwbouw waarbij het toekomstige gebruik (deels) in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, kan alleen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3O, van de Wabo. Tussen partijen is niet in geschil dat het in deze zaak gaat om nieuwbouw, nu sprake is van een braak liggend terrein.

Hoe nu verder?

4. Het college heeft de rechtbank gevraagd het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat dit niet mogelijk is.

5. Alleen als evident is dat belanghebbenden door het gebrek in een bestreden besluit niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. Eisers hebben er op de zitting op gewezen dat mogelijk ook andere omwonenden bedenkingen over het bouwplan van [naam derde-partij] B.V. naar voren hadden willen brengen. Het college kan dat niet helemaal uitsluiten.

6. De rechtspraak van de Afdeling over toepassing van artikel 6:22 van de Awb is op dit punt heel streng. Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat de beslissing van het college op de aanvraag van [naam derde-partij] B.V. na het doorlopen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure hetzelfde zal zijn, kan zij er niet aan voorbij gaan dat de verkeerde procedure is gevolgd en daardoor mogelijk belanghebbenden zijn benadeeld. Daar komt bij dat er andere procedurele vereisten gelden bij artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3O, van de Wabo. Bijvoorbeeld de mogelijke betrokkenheid van de gedeputeerde staten en de wettelijke eisen die aan de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning worden gesteld. Ten slotte is er in deze zaak tussen partijen discussie over de vraag of het bouwplan valt onder één van de categorieën gevallen die door de gemeenteraad zijn aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

Conclusie

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gebrek in de bestreden besluiten niet kan worden gepasseerd of hersteld. Daarom komt zij niet meer toe aan de bespreking van de overige door eisers aangevoerde beroepsgronden.

8. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank zal op de bezwaren van eisers beslissen, door deze alsnog gegrond te verklaren en de omgevingsvergunning te herroepen.

9. Het college moet opnieuw op de aanvraag voor een omgevingsvergunning van [naam derde-partij] B.V. beslissen. Het verlenen van medewerking aan het bouwplan kan alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3O, van de Wabo. De beslissing op de aanvraag moet dus worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo. Bovendien moet in die procedure worden bepaald of de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet verlenen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan beide eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten.

12. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eisers 1 vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

13. Eiser 2 is in de bezwaarfase nog niet bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Voor hem stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. ing. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:963.

2 ECLI:NL:RVS:2020:338.