Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4202

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 15
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBMNE:2020:2786
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak, (gedeeltelijke) schadevergoeding, geen aanleiding voor proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser rijgeschikt verklaard onder voorwaarden voor een periode van vijf jaar.

Bij besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 8 juni 2020 nog een schriftelijke toelichting op de zaak gegeven.

Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 30 juni 2020.

De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 2 juli 2020.

Bij tussenuitspraak van 7 juli 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 6 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op

21 juli 2020 (bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat ten behoeve van eiser een Verklaring van geschiktheid is geregistreerd zonder code 100, maar met code 03.02ab voor rijbewijs B, BE en T: Prothese/orthese been (links en rechts). Ook heeft hij hierbij bestreden besluit 1 ingetrokken.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat redelijke grond bestaat voor de verwachting dat eiser slechts voor een beperkte termijn aan de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zou voldoen. Het had op de weg van verweerder geleden nader te motiveren waarom hij geen reden heeft gezien af te wijken van zijn beleid in dit geval. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Verweerder heeft als gevolg van deze uitspraak het primaire besluit herroepen en het bestreden besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen. Ten behoeve van eiser wordt een Verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B/BE/T zonder termijnbeperking en zonder code 100 maar met code 03.02ab voor rijbewijs B/BE/T.

3. Eiser voert in de zienswijze aan dat hij kan instemmen met de conclusie waartoe de beslissing leidt, maar dat hij niet kan instemmen met de motivering van verweerder. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder geen rapportage van een neuroloog nodig had gehad en ook de verklaring van de huisarts ten onrechte heeft opgevraagd. Naar aanleiding van de door eiser ingevulde verklaring was hier geen reden voor. Voorts verzoekt eiser om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor de rapportage, voor het aanvragen van een nieuw rijbewijs en de proceskosten.

4. Eiser heeft vergoeding gevorderd van kosten van medisch onderzoek, en reis- en parkeerkosten. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak (rechtsoverweging 8) reeds heeft geoordeeld dat verweerder dit onderzoek van eiser op eigen kosten mocht verlangen op grond van artikel 101, eerste lid, onder b, van het Reglement rijbewijzen, en dus niet alleen op basis van de ingevulde verklaring van eiser, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.

5. Het verzoek tot vergoeding van de kosten die eiser moet maken voor een nieuw rijbewijs en pasfoto zal de rechtbank toewijzen. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit zoals dat aanvankelijk door verweerder was genomen onvoldoende gemotiveerd en derhalve onrechtmatig was, en is gebleken dat eiser schade lijdt als gevolg hiervan, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toe. Verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van € 46,65, te weten de kosten van het rijbewijs en de pasfoto.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser heeft zich zelf gemachtigd in hoedanigheid van zijn eigen adviesbureau, maar hierbij is geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. Dat dit mogelijk bij een vervolgprocedure anders is, hetgeen door eiser in zijn aanvullende reactie is aangevoerd, maakt geen verschil voor de beoordeling tot op heden. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser wel het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 46,65;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.