Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4195

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
8201810 UC EXPL 19-13144
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afstand van recht, rechtsverwerking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8201810 UC EXPL 19-13144 FvG/1006

Vonnis van 2 september 2020

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M.D. Splinter,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.E. Kievit.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 12 februari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

- het bericht van de kantonrechter dat de mondelinge behandeling niet doorgaat vanwege het coronavirus

- de instemming van partijen op het voorstel schriftelijk verder te procederen

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

De kernvragen en de antwoorden van de kantonrechter

2.1.

De kernvraag in conventie is of [eiseres] nog aanspraak kan maken op een schuld die [gedaagde] aan haar heeft van € 6.806,70. Het antwoord is nee.

2.2.

De kernvraag in reconventie is of [gedaagde] nog geld van [eiseres] krijgt omdat zij dit zou hebben toegezegd. Het antwoord daarop is ja.

in conventie

Waar gaat het over?

2.3.

[eiseres] en [gedaagde] hadden een relatie tot eind 2018/begin 2019. Op 18 augustus 1998 sloten zij een samenlevingsovereenkomst. In artikel 3.1 van de samenlevingsovereenkomst staat dat [gedaagde] een schuld heeft aan [eiseres] van fl 15.000,00 / € 6.806,70. Deze schuld (hierna: de schuld) ontstond doordat [eiseres] een hogere eigen inbreng had bij de aankoop van de gezamenlijke woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam] . Overeengekomen is dat de schuld opeisbaar is bij verkoop van de woning en bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst. De woning aan de [straatnaam 1] werd in 2002 verkocht.

Daarna woonden [eiseres] en [gedaagde] aan de [straatnaam 2] in [plaatsnaam] . In 2009 kochten zij een woning aan de [straatnaam 3] [nummeraanduiding 2] in [woonplaats] . Deze woning is verkocht toen de relatie eindigde. De woning aan de [straatnaam 3] werd op 2 april 2019 geleverd aan de nieuwe eigenaar. De notaris heeft een afrekening gemaakt waarin de overwaarde van de woning en schulden van [eiseres] en [gedaagde] zijn verwerkt (hierna: de afrekening).

Op 3 oktober 2019 maakt [eiseres] aanspraak op terugbetaling van de schuld. Zij sommeert [gedaagde] deze uiterlijk op 19 oktober 2019 te betalen. [gedaagde] heeft niet betaald.

2.4.

[eiseres] eist in conventie betaling van € 6.807,70 als hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019. [eiseres] eist ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 715,34 en van de proceskosten.

2.5.

[gedaagde] stelt dat zij de schuld niet hoeft terug te betalen. Zij mocht erop vertrouwen dat de notaris de schuld heeft betrokken in de afrekening en dat alles daarmee afgehandeld was. [gedaagde] stelt ook dat [eiseres] haar meerdere malen mondeling en per WhatsApp heeft toegezegd geen aanspraak te zullen maken op de schuld van € 6.807,70. [gedaagde] verzoekt om compensatie van de proceskosten.

Is er sprake van afstand van recht of rechtsverwerking?

2.6.

De kantonrechter constateert dat [gedaagde] zich zowel op rechtsverwerking als op afstand van recht door [eiseres] beroept. Dit zijn echter van elkaar te onderscheiden rechtsfiguren.

2.7.

Heeft [eiseres] afstand gedaan van haar recht om de € 6.807,70 op grond van 3.1 van de samenlevingsovereenkomst op te eisen? Dan moet zij daartoe een rechtshandeling hebben verricht. Het gaat daarbij dus om een wilsverklaring van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] haar meerdere malen gezegd en ook per WhatsApp laten weten dat zij geen aanspraak zal maken op de schuld. [eiseres] betwist dat. Volgens haar is er nooit gesproken over de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst. In een dergelijk geval is het aan [gedaagde] om bewijs te leveren van haar stelling over de toezegging door [gedaagde] . Echter, omdat het beroep op rechtsverwerking slaagt, hetgeen hierna wordt uiteengezet, komt een bewijsfase voor de afstand van recht niet aan de orde.

Rechtsverwerking- de feiten

2.8.

Voor het oordeel dat het beroep op rechtsverwerking slaagt, is het volgende van belang.

2.8.1.

In de periode voorafgaand aan de levering van hun woning aan de [straatnaam 3] op 2 april 2019 aan de nieuwe eigenaar, hadden [gedaagde] en [eiseres] meerdere keren contact. [eiseres] was degene die met de notaris contact onderhield over de financiële afwikkeling van de verkoop van de woning.

2.8.2.

Op 22 februari 2019 krijgt [gedaagde] een WhatsApp van [eiseres] :

“Ik hou de eer aan mezelf en heb je beloofd de 25000 van te maken en doe ik zekers ook.

Ik kan me nu verlagen maar dat ga ik niet doen.

Verder bellen laat maar zitten ik ben er zat van.”

2.8.3.

Een ander bericht van diezelfde dag van [eiseres] aan [gedaagde] luidt:

“(…) Ik kom me belofte na ongeacht boos of niet. (…)

Ik hoop dat we alles hier netjes af kunnen sluiten en de laatste week voor het weekend ga ik verhuizen vanaf het weekend kan jij er dan in en zorg jij voor de rest.

Nogmaals ik zorg dat ik 25000 overmaak en alle financiële zaken opgelost heb.

De belasting kan je met me pa regelen en dan kunnen we na 2 april ieder onze eigen weg. (…)”

2.8.4.

Op 4 maart 2019 mailt [eiseres] aan [gedaagde] :

“Ik heb de notaris gesproken om alle schulden meteen in te lossen kosteloos.

Graag een akkoord dat de notaris alles mag inlossen.

Betreft:

Hypotheekschuld ouders

Persoonlijke lening ouders belasting schuld

Interbank persoonlijke lening

ING hypotheek.”

[gedaagde] antwoordt:

“Ik neem aan dat alles eerlijk en netjes geregeld word dus bij deze akkoord.”

Op verzoek van [eiseres] mailt [gedaagde] later die dag (nogmaals) haar akkoord:

“Hierbij ga ik akkoord met het inlossen van alle openstaande schulden zoals hieronder vermeld staat.”

2.8.5.

Op 5 maart 2019 mailt [eiseres] aan [gedaagde] :

“Als alles is ingelost maak ik totaal 23250 euro over na jou prive rekening. (…)

Vind het jammer dat je me niet vertrouwd aangezien jou e-mail woorden; ik ga er vanuit dat alles eerlijk gaat!!!!!

Maar je had alleen maar minder gehad dus ik snap jou woorden niet echt gezien ik je moet aanvullen dus weet niet wat er dan niet eerlijk zou moeten gaan als je zelf weet dat je minder dan 25000 anders had gehad.

Beetje stomme uitspraak als je wordt aangevuld (…)

Kortom:

25000 aangevuld overwaarde

1000- overige eindafrekeningen

750- rood ieder de helft van 1500

23250 maak ik over naar jou rekening

(…)

Ik hoop dat het je goed gaat want ik zie nog wel wat er hebben gehad!

En dat je het verdient gezien het verleden en daarom vul ik je nog aan tot die 25.000 euro. Puur omdat ik je ware aard ken. (…)

Het is dat ik me wel aan me afspraak hou en heb gezegd boos of niet boos ik zorg dat je goed verder kan. (…)”

2.8.6.

De afrekening van de notaris vermeldt dat er voor [eiseres] en [gedaagde] samen € 35.354,03 over is.

2.8.7.

Op 3 april 2019 betaalt [eiseres] € 14.427,02 aan [gedaagde] . [gedaagde] berekent dat bedrag als volgt. De helft van de overwaarde van € 35.354,03 (€ 17.677,02) () vermindert zij met de helft van gezamenlijke schulden. [gedaagde] noemt een schuld aan dochter [A (voornaam)] (€ 3.000,00), de roodstand op de gezamenlijke rekening (€ 1.500,00) en een bedrag voor nog resterende kosten op de gezamenlijke rekening (€ 2.000,00), in totaal € 3.250,00.

2.8.8.

Op 3 april 2019 betaalt [eiseres] ook € 4.474,00 aan [gedaagde] . Dit is een schenking.

2.8.9.

In september 2019 stuurt [gedaagde] een WhatsApp aan [eiseres] waarin ze onder meer schrijft dat “we het wat [A (voornaam)] betreft uit gaan vechten in de rechtbank”. De sfeer van het bericht is naar het oordeel van de kantonrechter ruzieachtig. Volgens [eiseres] maakt [gedaagde] zich schuldig aan stalking, wat [gedaagde] ontkent.

2.8.10.

In reactie op de WhatsApp stuurt [eiseres] een audiobericht waarin zij onder meer zegt “Doe je best mij advocaat staat er allang bovenop. Kost je nog geld ook als het samenlevingscontract opengetrokken is.”

2.8.11.

Vervolgens maakt [eiseres] - voor het eerst - op 3 oktober 2019 aanspraak op de schuld van € 6.806,70.

Rechtsverwerking- het toetsingskader

2.9.

Dat [eiseres] in principe recht heeft op terugbetaling van de schuld, staat niet ter discussie. Het gaat erom of zij dat recht (nu nog) mag uitoefenen. Het beroep op rechtsverwerking is een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het slagen van een beroep hierop is nodig dat vast komt te staan dat [eiseres] zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van haar recht op terugbetaling van de schuld. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor onvoldoende dat er alleen tijd is verstreken voordat er aanspraak is gemaakt. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan bij [gedaagde] gerechtvaardigd het vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zal maken.

Rechtsverwerking- de motivering

2.10.

De gang van zaken in 2.8 lijkt erop te duiden dat [eiseres] in eerste instantie niet van plan was om aanspraak te maken op de schuld van € 6.806,70, maar dat zij zich in de loop van de tijd heeft bedacht vanwege het verder verslechterende contact tussen haar en [gedaagde] . [eiseres] heeft immers nooit eerder dan in september-oktober 2019 aanspraak gemaakt op de schuld (2.8.10 en 2.8.11).

2.11.

Dat [eiseres] nooit met [gedaagde] heeft gesproken over de afwikkeling van de samenleving is - in dit geval - vreemd. Er waren immers uitgebreide contacten over verschillende afrekeningen die te maken hadden met hun voormalig samenleven. De overwaarde van de woning aan de [straatnaam 3] en de afhandeling van verschillende schulden: de hypotheekschulden, schulden aan de ouders van [eiseres] , een schuld aan Interbank, een roodstand en een schuld aan dochter [A (voornaam)] .

[eiseres] betaalt [gedaagde] in april 2019, na de overdracht van de woning aan de [straatnaam 3] , het restant van de overwaarde (2.8.7). En op dat moment doet zij ook een schenking aan [gedaagde] van € 4.474,00 (2.8.8). Die betalingen zijn voorafgegaan door berichten van [eiseres] waarin zij zegt ervoor te zorgen dat zij alle financiële zaken op te lossen, waarna zij na 2 april ieder hun eigen weg kunnen gaan (2.8.3). Dat bericht duidt erop dat er niet daarna nog andere afrekeningen moeten plaatsvinden, maar dat het hiermee klaar is. Ook de twee betalingen na 2 april 2019 wijzen op een volledige financiële afwikkeling. Het klopt zeker dat - zoals [eiseres] benadrukt - nergens in de correspondentie staat dat bij de afrekening ook de schuld is betrokken, terwijl wel andere schulden zijn benoemd. In dat opzicht klopt het mogelijk dat [eiseres] zegt dat [gedaagde] er dus niet vanuit mocht gaan dat die schuld hiermee ook was afgerekend. Maar: [eiseres] verklaart niet waarom zij dan vervolgens een substantiële schenking aan [gedaagde] doet. [eiseres] zegt hierover dat zij een gebaar naar [gedaagde] heeft willen maken om op een goede manier uit elkaar te gaan en zodat [gedaagde] een goede start kon maken.

Dat maakt echter nog niet duidelijk waarom [eiseres] een bedrag van € 4.474,00 schenkt, om vervolgens betaling te verlangen van € 6.806,70. Dat is niet logisch, omdat het ‘gebaar’ daarmee ongedaan gemaakt wordt. De gegeven uitleg is niet toereikend.

Gelet op alle feiten en omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseres] nu aanspraak maakt op terugbetaling van de schuld. Bij [gedaagde] is gerechtvaardigd het vertrouwen gewekt dat zij de schuld niet meer hoefde in te lossen. De vordering zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen voor rente en incassokosten delen dit lot.

in reconventie

Waar gaat het over?

2.12.

[gedaagde] wijst erop dat [eiseres] aan haar € 23.250,00 zou betalen vanwege de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst. Omdat [eiseres] € 18.901,02 (€ 14.427,02 + € 4.474,00) aan haar betaalde, heeft [gedaagde] nog recht op het resterende bedrag van € 4.348,98, zo stelt zij.

2.13.

[gedaagde] eist in reconventie betaling van € 4.348,98 als hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2020. [gedaagde] verzoekt om compensatie van de proceskosten.

2.14.

[eiseres] zegt hierover dat zij niet heeft toegezegd € 23.250,00 aan [gedaagde] te zullen betalen. Dat bedrag heeft zij slechts genoemd als voorbeeld, uitgaande van een verwachte overwaarde van de woning van ongevéér € 25.000,00. Uit de afrekening van de notaris blijkt het juiste bedrag van de uiteindelijke overwaarde en daarvan moet worden uitgegaan.

2.15.

In de berichten van [eiseres] aan [gedaagde] van 22 februari 2019 noemt [eiseres] een belofte om er “25.000 van te maken” en die te zullen naleven (2.8.2). Zij zegt toe € 25.000,00 over te maken (2.8.3). In de mail van 5 maart 2019 staat twee maal dat de overwaarde wordt aangevuld tot € 25.000,00 (2.8.5). Daarin staat dat [eiseres] daarom € 23.250,00 zal betalen; dat resteert na afrekening van schulden. Dat dit slechts een rekenvoorbeeld is, blijkt nergens uit. [eiseres] legt ook niet uit waarom zij het dan herhaaldelijk over áánvullen heeft. [eiseres] noemt bovendien in de mail ook de reden voor het aanvullen van het bedrag tot € 25.000,00: “je het verdient gezien het verleden”.

Deze toezegging tot het aanvullen van het bedrag tot € 25.000,00 vormt de basis voor de vordering van € 23.250,00 verminderd met het reeds betaalde. Juridisch duidt de kantonrechter dit als een overeenkomst tot het doen van een schenking. Een schenking is een eenzijdige overeenkomst waarvan nakoming gevorderd kan worden. [eiseres] stelt dat er geen verplichting was tot het doen van een betaling. Dat klopt, maar de kern van een schenkingsovereenkomst is dat er iets wordt gegeven, zónder dat daar een andere prestatie tegenover staat. Het aanbod van [eiseres] tot aanvulling van het bedrag tot € 25.000,00 geldt als aangenomen door [gedaagde] , omdat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] het aanbod afwees. [gedaagde] kan dus nakoming van de overeenkomst vorderen, zoals zij nu doet. [eiseres] zal haar toezegging moeten nakomen.

2.16.

Tegen de hoogte van het bedrag dat [gedaagde] vordert, voert [eiseres] geen verweer. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen. De rentevordering betwist [eiseres] evenmin. Ook die zal worden toegewezen.

in conventie en in reconventie

De proceskosten

2.17.

Vanwege de relatie die partijen hadden, waarmee deze vorderingen verband houden, zullen de proceskosten in conventie en die in reconventie worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

3.3.

veroordeelt [eiseres] aan [gedaagde] te betalen € 4.348,98, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2020 tot de dag van betaling;

3.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 2 september 2020.