Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4189

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
C/16/502776 / KG ZA 20-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

art. 21 Wna, ministerieplicht notarisart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2021/30 met annotatie van Waaijer, B.C.M.
JONDR 2021/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/502776 / KG ZA 20-236

Vonnis in kort geding van 22 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaten mr. S.W. Holterman en mr. L. Peereboom-Bogers te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling, tijdens welke [eiseres] haar eis heeft verminderd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

De kernvraag en het antwoord van de voorzieningenrechter

2.1.

De kernvraag is of [gedaagde] , als notaris, moet meewerken aan het passeren van een fusieakte. Het antwoord is ja.

Waar gaat het over?

2.2.

Het [eiseres] concern bestaat uit een aantal bedrijven gespecialiseerd in zuivelproducten. [eiseres] B.V. ( [eiseres] ), de houdstermaatschappij, wil om organisatorische redenen haar concern herstructureren. [eiseres] wil twee van haar dochterondernemingen fuseren tot één nieuw bedrijf: [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ), waarvan [eiseres] 100% van de aandelen houdt.

Die dochterondernemingen zijn [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ), waarvan [eiseres] 100% van de aandelen houdt, en [bedrijfsnaam 3] B.V. ( [bedrijfsnaam 3] ). [eiseres] houdt 97,5% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] . De heer [A] , de voormalig financieel directeur van [eiseres] , houdt de andere 2,5% van de aandelen.

Een van de doelen van [eiseres] bij de voorgenomen fusie is dus om [A] als minderheidsaandeelhouder uit te stoten.

2.3.

[A] heeft op 24 oktober 2019 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Daarbij bood hij, op grond van een aanbiedingsplicht in de met hem gesloten aandeelhoudersovereenkomst, zijn aandelen in [bedrijfsnaam 3] aan [eiseres] aan. [A] en [eiseres] zijn er niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over de koopprijs van deze aandelen. Zij voeren daarover nu een procedure bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo.

2.4.

Voor notariële begeleiding bij de fusie heeft [eiseres] het kantoor in geschakeld waarbij [gedaagde] als notaris werkzaam is. [gedaagde] en/of zijn collega’s zijn al vanaf het begin bij de fusie betrokken.

2.5.

Het besluit tot deze fusie is volgens de wettelijke regels genomen. De fusiestukken zijn op 24 december 2019 gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ook is het fusievoornemen gepubliceerd in een landelijk dagblad. Gelet op de daarvoor geldende termijn, dient de fusieakte uiterlijk op 24 juni 2020 te zijn gepasseerd. Na die termijn zullen de fusiestukken opnieuw gedeponeerd moeten worden.

2.6.

[gedaagde] heeft sinds december 2017 herhaaldelijk bij [eiseres] aan de orde gesteld dat hij het belang van [eiseres] bij de fusie moet afzetten tegen dat van [A] als minderheidsaandeelhouder om te kunnen bepalen of hij zijn dienst tot het passeren van de fusieakte moet weigeren. Partijen hebben hierover uitgebreid contact gehad. [gedaagde] heeft in maart 2020 aan [eiseres] bericht dat hij zijn dienst zal moeten weigeren.

2.7.

[eiseres] eist in dit kort geding [gedaagde] te veroordelen de fusieakte, overeenkomstig het fusievoorstel van 24 december 2019, uiterlijk op 23 juni 2020 te passeren, bij gebreke waarvan de dit vonnis in de plaats treedt van de fusieakte.

[eiseres] eist ook veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten. Ter zitting heeft [eiseres] haar eis verminderd, in die zin dat niet langer een kostenveroordeling van [naam notariskantoor] wordt gevraagd.

Wat is het toetsingskader?

2.8.

Voor het treffen van een voorziening in kort geding is ingevolge artikel 254 Rv plaats in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. Onbetwist is dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

2.9.

Of de vordering kan worden toegewezen, wordt getoetst aan artikel 21 van de Wet op het notarisambt (Wna). Hierin is de ministerieplicht van de notaris vastgelegd. De notaris is verplicht bepaalde werkzaamheden, waaronder het passeren van deze fusieakte, te verrichten. Hierop gelden wel uitzonderingen.

2.10.

[gedaagde] beroept zich op de uitzondering neergelegd in art. 21 lid 2 Wna. Hij is verplicht zijn dienst te weigeren indien hij gegronde redenen voor weigering heeft.

Wat zijn de ‘gegronde redenen’ volgens [gedaagde] ?

2.11.

Duidelijk is dat de fusie van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] tot [bedrijfsnaam 1] als gevolg heeft dat de aandelen in de twee dochtermaatschappijen verloren gaan. Daaronder dus ook het minderheidsbelang van 2,5% van [A] in [bedrijfsnaam 3] . En juist over die aandelen loopt een procedure tussen [eiseres] en [A] . In die procedure dient [A] uiteindelijk zijn aandelen in [bedrijfsnaam 3] te leveren aan [eiseres] tegen een bepaalde - tussen partijen ter discussie staande - prijs.

2.12.

[gedaagde] voert aan dat het voor hem niet vast staat dat [A] door de fusie niet in zijn belangen wordt geschaad. [gedaagde] heeft als notaris ook een zorgplicht voor een minderheidsaandeelhouder en daarmee dient hij rekening te houden.

Hoe beoordeelt de voorzieningenrechter deze redenen?

2.13.

Door de fusie zullen de aandelen in [bedrijfsnaam 3] verdwijnen. In de lopende procedure tussen [eiseres] en [A] over die aandelen en de koopprijs ervan, kan mogelijk geconcludeerd worden tot een toerekenbare tekortkoming van [A] , omdat hij de aandelen in [bedrijfsnaam 3] dan niet meer aan [eiseres] kan leveren. [eiseres] heeft uitgebreid betoogd dat zij zich in die procedure vervolgens niet met succes zal kunnen beroepen op schuldeisersverzuim door [A] , vanwege het niet leveren van de aandelen. De oorzaak van dit verzuim kan aan [A] immers niet worden toegerekend, omdat hij niet voor de fusie heeft gekozen of voor het besluit tot fusie heeft gestemd. [eiseres] heeft ook uiteengezet dat [A] in die procedure vervolgens zijn eis kan wijzigen en vervangende schadevergoeding van [eiseres] kan vorderen, in plaats van betaling van de koopprijs voor de (dan verdwenen) aandelen. Op die manier is er volgens [eiseres] geen sprake van een verslechtering van de positie van [A] .

2.14.

Uit het Novitaris-arrest (ECLI:NL:HR:2015:831) blijkt dat als de voor de notaris bekende feiten het oordeel rechtvaardigen dat het recht van een derde (zoals nu dus [A] ) een beletsel is voor vervreemding, dat de notaris dan zijn dienst móet weigeren. Van zo’n beletsel is sprake als [eiseres] geen rechtmatig belang heeft bij de bij de transactie. Partijen zijn het erover eens dat [A] niet bijvoorbeeld een sterker recht heeft dan [eiseres] . Een rechtmatig belang van [eiseres] kan ook ontbreken indien zij onrechtmatig handelt jegens [A] door het passeren van de fusieakte (en daarmee het tot stand brengen van de fusie) te verlangen van [gedaagde] . Uitdrukkelijk heeft de Hoge Raad in het arrest vermeld dat voor onrechtmatig handelen niet voldoende is dat, in dit geval [eiseres] , met de fusie wanprestatie pleegt jegens, in dit geval, [A] .

2.15.

[gedaagde] heeft gewezen op het advies van zijn beroepsaansprakelijkheid verzekeraar. De verzekeraar deelt de mening van [eiseres] dat de positie van [A] niet substantieel slechter wordt, maar zegt dat [A] wel extra advocaatkosten zal moeten maken om zijn eis te wijzigen. Hij adviseert [gedaagde] terughoudend te zijn.

2.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het handelen van [eiseres] met als doel de fusie door te zetten onrechtmatig is. De verzekeraar noemt een kostenaspect, maar dat is onvoldoende zwaarwegend. Daarbij is van belang dat een eiswijziging, naar inschatting van de voorzieningenrechter, waarschijnlijk niet noodzakelijk is. Nog steeds zal [A] betaling van een geldsom wensen, dat verandert niet. Mogelijk dienen zijn stellingen aangepast te worden, maar het is niet aannemelijk dat daaruit zulke hoge kosten voor hem voortvloeien dat dit als onrechtmatig handelen van [eiseres] kan worden gekwalificeerd. Het aanvullen van de rechtsgronden dient een rechter immers ambtshalve te doen.

2.17.

De slotsom is dat [gedaagde] geen gegronde reden heeft om zijn diensten te weigeren aan [eiseres] . De vordering zal worden toegewezen zoals hierna te melden.

2.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

2.19.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze nu al kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 23 juni 2020 over te gaan tot het passeren van de akte tot het aangaan van een juridische fusie tussen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V., waarbij [bedrijfsnaam 1] B.V. wordt opgericht, conform het fusievoorstel van 24 december 2019,

3.2.

bepaalt dat bij het uitblijven van het volledig voldoen door [gedaagde] aan de veroordeling in 3.1, dit vonnis in de plaats treedt van de notariële akte van fusie voor de juridische fusie tussen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V., waarbij [bedrijfsnaam 1] B.V. wordt opgericht, conform het fusievoorstel van 24 december 2019,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.636,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2020.1

1 FvG (4197)