Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4188

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
8215174
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering van een kok bij een lunchroom. Geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. De ktr sluit voor de hoogte van het uurloon aan bij het loon van de referentiefunctie bedrijfsmanager volgens de Horeca-cao.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8215174 UC EXPL 19-13389 SV/40160

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Gerritsen,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde sub 1,

2 [gedaagde sub 2] , vennoot van gedaagde sub 1,

wonend in [woonplaats 2] ,

gedaagde sub 2,

3 [gedaagde sub 3] , vennoot van gedaagde sub 1,

wonend in [woonplaats 2] ,

gedaagde sub 3,

gedaagden sub 1 tot en met 3 worden hierna gezamenlijk genoemd: [gedaagde sub 1] ,

gemachtigde: mr. E.J. Coxon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- de dagvaarding van [eiser] met producties 1 tot en met 15;

- de conclusie van antwoord met producties 2 tot en met 4;

- de nadere producties 16 tot en met 23 van [eiser] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft via skype plaatsgevonden op 1 september 2020. [eiser] heeft deelgenomen, in aanwezigheid van zijn gemachtigde. [gedaagde sub 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door [gedaagde sub 2] , gedaagde sub 2, en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.

1.3.

Aan het einde van de zitting is vonnis bepaald op 30 september 2020.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is per 1 juli 2019 opgericht en open voor publiek. [gedaagde sub 1] beschikt over een keuken en biedt gasten de mogelijkheid om koffie, ontbijt of lunch te gebruiken.

2.2.

[eiser] is op 1 juli 2019 in dienst getreden van [gedaagde sub 1] en heeft vervolgens 72 uur gewerkt. Na 20 juli 2019 heeft [eiser] niet meer voor [gedaagde sub 1] gewerkt.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft over de vanaf 1 juli 2019 gewerkte uren alleen een voorschot op het loon betaald van € 200,- netto.

2.4.

De bedrijfsactiviteiten van [gedaagde sub 1] vallen onder de werkingssfeer van de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (de cao). Door algemeen verbindendverklaring is de cao ook van toepassing op de arbeidsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] hoofdelijk te veroordelen:

  1. tot betaling aan [eiser] van het achterstallig salaris van € 11.819,13 bruto, minus de onbelaste inhouding van € 200,-;

  2. tot betaling aan [eiser] van de maximale wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het hiervoor genoemde bedrag;

  3. om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] een deugdelijke bruto-netto specificatie te verstrekken, bestaande uit een loonstrook van de hiervoor vermelde bedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 100,00 voor ieder ingegane dag dat [gedaagde sub 1] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 7.000,00 aan te verbeuren dwangsommen zal zijn bereikt;

tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de hiervoor gevorderde bedragen, te rekenen vanaf 8 september 2019 tot en met de dag van algehele voldoening;

in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] het navolgende ten grondslag. [eiser] heeft van

1 juli 2019 tot en met 20 juli 2019 72 uur gewerkt voor [gedaagde sub 1] , waarvoor hij geen loon heeft ontvangen, behalve een voorschot van € 200,-. [eiser] gaat voor de hoogte van zijn vordering uit van een uurloon van € 45,- omdat hij voor [gedaagde sub 1] meerdere rollen had, namelijk als chef-kok, bedrijfsleider en als manager. Naast het loon voor de in juli 2019 gewerkte uren vordert [eiser] € 230,- aan reiskostenvergoeding en vergoeding voor werkzaamheden die hij in de periode van 20 april 2019 tot en met 30 juni 2019 voor [gedaagde sub 1] heeft verricht, namelijk € 3.500,- netto voor het geven van adviezen en maken van tekeningen voor de indeling van de keuken, € 850,- netto voor het samenstellen van het menu.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert verweer. [gedaagde sub 1] erkent dat [eiser] vanaf 1 juli 2019 72 uur voor haar heeft gewerkt, maar stelt dat [eiser] alleen werkzaamheden als bedieningsmedewerker heeft verricht. Op grond van de Horeca-cao heeft [eiser] aanspraak op het loon van de referentiefunctie allround bedieningsmedewerker, schaal 4. De loonaanspraak bedraagt € 1.015,96 bruto, te verminderen met het reeds betaalde voorschot van € 200,00. [gedaagde sub 1] betwist dat [eiser] vóór 1 juli 2019 werkzaamheden voor haar heeft verricht en dat zij naast het hiervoor genoemde loon voor andere werkzaamheden een vergoeding verschuldigd is. [gedaagde sub 1] betwist ook dat zij een wettelijke verhoging verschuldigd is omdat het niet aan haar is te wijten dat het loon niet is betaald.

4 De beoordeling

Vergoeding van werkzaamheden in de periode tot 1 juli 2019

4.1.

[eiser] stelt dat hij in de periode van 20 april 2019 tot 1 juli 2019 al werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] heeft verricht, namelijk het adviseren en maken van tekeningen over de inrichting van de keuken en het samenstellen van het menu, en dat hij voor deze werkzaamheden recht heeft op vergoeding. [gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat zij met [eiser] is overeengekomen om in deze periode (betaalde) werkzaamheden te verrichten. [gedaagde sub 1] betwist ook dat [eiser] diensten heeft verleend waarvoor zij een vergoeding is verschuldigd, anders dan de werkzaamheden in de bediening vanaf 1 juli 2019.

4.2.

Nu [gedaagde sub 1] de door [eiser] gestelde (andere) werkzaamheden in deze periode heeft betwist, moet [eiser] bewijzen dat hij een overeenkomst had met [gedaagde sub 1] om al vóór 1 juli 2019 voor haar tegen betaling werkzaamheden te verrichten. [eiser] verwijst daarvoor naar tekeningen van een keukenopstelling met daarbij handgeschreven aantekeningen en foto’s van gerechten. Daaruit blijkt niet dat er een overeenkomst was.

[eiser] heeft geen andere stukken overgelegd, zoals brieven of e-mailberichten, waaruit dit kan worden opgemaakt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij met [gedaagde sub 1] een afspraak had om al vóór 1 juli 2019 tegen betaling werkzaamheden te verrichten. De vordering van [eiser] , voor zover deze is gebaseerd op de door hem gestelde werkzaamheden vóór 1 juli 2019, kan daarom niet worden toegewezen.

Loon voor werkzaamheden in de periode vanaf 1 juli 2019

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] van 1 juli 2019 tot en met 20 juli 2019

72 uur voor [gedaagde sub 1] heeft gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst, op grond waarvan [eiser] recht heeft op loon. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het loon dat [gedaagde sub 1] moet betalen. De mondelinge afspraken over de te verrichten werkzaamheden en het daarvoor te betalen loon zijn niet schriftelijk vastgelegd.

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij voor [gedaagde sub 1] ook als kok heeft gewerkt, naast werkzaamheden in de bediening, en dat hij ook betrokken was bij personele zaken van het team van [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft verder toegelicht dat hij met [gedaagde sub 1] vooraf het bruto minimumloon had afgesproken, aan te vullen tot ongeveer

€ 3.500,- netto per maand. [gedaagde sub 1] heeft het door [eiser] gestelde uurloon van € 45,- gemotiveerd betwist en stelt dat [eiser] alleen werkzaamheden heeft verricht die behoren tot de referentiefunctie allround bedieningsmedewerker, schaal 4.

4.5.

De kantonrechter stelt voorop dat de onduidelijkheid over de overeengekomen functie en beloning voor risico van [gedaagde sub 1] dient te komen, nu hierover geen afspraken in een schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd terwijl [gedaagde sub 1] als werkgever hiertoe op grond van de cao wel verplicht was.

4.6.

[gedaagde sub 1] heeft voor haar betwisting dat [eiser] als chef-kok, bedrijfsleider of manager heeft gewerkt, toegelicht dat de lunchroom sinds 1 juli 2010 is geopend voor ontbijt of lunch, zonder avondkaart. Dagelijks zijn bij [gedaagde sub 1] twee medewerkers tegelijkertijd werkzaam, gedaagde sub 2 als bedrijfsleider en een bedieningsmedewerker. Er is verder een beperkte omloop van gasten en de keuken is nooit operationeel geweest. [eiser] heeft tijdens de zitting erkend dat de keuken nog niet af was en dat er geen avondkaart was. Gelet op de uitleg van [gedaagde sub 1] dat de lunchroom alleen overdag geopend was, met een beperkte omloop van gasten, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor [gedaagde sub 1] werkzaamheden heeft verricht die passen bij de referentiefuncties manager of chef-kok. De enkele omstandigheid dat in het personeelsregistratiesysteem van [gedaagde sub 1] bij [eiser] de functie van manager is vermeld, waarop [eiser] heeft gewezen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij ook daadwerkelijk deze functie heeft verricht. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij naast de bediening ook andere werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] heeft verricht, zoals het voeren van een gesprek met een collega die haar dienstverband wilde opzeggen, wat [gedaagde sub 1] tijdens de zitting niet heeft betwist. [gedaagde sub 1] heeft ook erkend dat zij met [eiser] heeft gesproken over een uitgebreidere exploitatie van de keuken en een winstdeling van 20%. De kantonrechter zal voor het bepalen van het verschuldigde loon daarom uitgaan van de referentiefunctie bedrijfsmanager (schaal 8). In het referentiehandboek is hierbij vermeld dat de bedrijfsmanager leiding geeft aan een zelfstandig horecabedrijf en daarbij kan terugvallen op de eigenaar. Het cao-uurloon bedraagt voor functies in schaal 8 per 1 juli 2019 € 15,49. Voor 72 gewerkte uren bedraagt het verschuldigde loon (72 x € 15,49 =) € 1.115,28 bruto. [gedaagde sub 1] heeft in juli 2019 daarvan € 200,- netto als voorschot betaald. [gedaagde sub 1] moet daarom nog € 1.115,28 bruto, verminderd met € 200,- netto, aan [eiser] als achterstallig loon betalen. De gevorderde reiskostenvergoeding, die door [gedaagde sub 1] wordt betwist, is door [eiser] niet onderbouwd en is daarom niet toewijsbaar.

Wettelijke verhoging

4.7.

De gevorderde wettelijke verhoging is toewijsbaar. Daarvoor is het niet nodig dat de werkgever iets te verwijten valt. Het ontbreken van een ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst is geen belemmering om het loon voor verrichte arbeid op tijd te betalen. De niet-tijdige betaling valt in de risicosfeer van de werkgever. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om op verzoek van [gedaagde sub 1] tot matiging van de wettelijke verhoging over te gaan.

Bruto-netto specificatie

4.8.

Het verzoek om van het achterstallige loon en de wettelijke verhoging een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken is ook toewijsbaar. Ook de daaraan gekoppelde dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde sub 1] na betekening van het vonnis in gebreke blijft deze specificatie te verstrekken, zal worden toegewezen, tot een maximum van € 4.000,00.

Wettelijke rente

4.9.

De met ingang van 8 september 2019 gevorderde wettelijke rente over het achterstallige loon, minus het betaalde voorschot, kan worden toegewezen.

Wettelijke rente over de wettelijke verhoging

4.10.

Voor verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging is nodig dat de werkgever in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld, zoals dat ook geldt bij wettelijke rente over een boete die krachtens een boetebeding is verbeurd (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6537). Nu niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] in gebreke is gesteld en gesommeerd tot betaling van de wettelijke verhoging, is geen sprake van verzuim. Over de wettelijke verhoging is daarom thans nog geen wettelijke rente verschuldigd. De gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal eerst vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis worden toegewezen.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter zal toewijzen een bedrag van € 1.115,28 bruto ter zake van achterstallig loon, te verminderen met het reeds betaalde voorschot van € 200,- netto, het resterende saldo geheel te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% op de voet van artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente vanaf

8 september 2019 tot de dag van algehele voldoening.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 81,00

- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten x tarief € 120,00)

Totaal € 420,01

5 De beslissing

5.1.

De kantonrechter veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd:

a. om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.115,28 bruto aan achterstallig loon, verminderd met het reeds betaalde bedrag van

€ 200,- netto, het resterende saldo te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% op de voet van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf 8 september 2019 tot de dag van algehele voldoening;

om [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis van de hiervoor genoemde bedragen een deugdelijke bruto-netto specificatie te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] hiermee in gebreke is, tot een maximum van € 4.000,00 aan te verbeuren dwangsommen zal zijn bereikt;

in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 420,01, waarin begrepen € 240,00 aan salaris gemachtigde;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.