Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4176

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
01-03-2021
Zaaknummer
UTR 19/4854
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen belang meer bij zijn fictieve beroep omdat Vw inmiddels een besluit heeft genomen en dwangsom heeft toegekend. Ook is er geen van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: M. Verduijn).

Inleiding

1. Op 12 juli 2019 heeft eiser twee omgevingsvergunningen aangevraagd bij

verweerder. De aanvragen zijn in het Omgevingsloket online (Olo) geregistreerd met twee aparte nummers: Olo-nummer [nummeraanduiding 1] en Olo-nummer [nummeraanduiding 2] .

Beide aanvragen zien op verschillende activiteiten uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waaronder bouwen en het plaatsen van vlaggenmasten op het perceel van eiser aan de [adres] in [woonplaats] .

2. Met het besluit van 2 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van eiser met Olo-nummer [nummeraanduiding 1] . Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft eiser ook verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig bekend maken van een - volgens eiser - van rechtswege verleend onderdeel in de aanvraag met Olo-nummer [nummeraanduiding 1] . Daarnaast heeft eiser verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende vergunning in de aanvraag met Olo-nummer [nummeraanduiding 2] .

3. In reactie hierop heeft verweerder wisselende standpunten ingenomen, waar hij ook weer van is terug gekomen. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld in verband met het niet tijdig bekendmaken van de rechtswege verleende (deel)vergunningen.

Procedure bij de rechtbank

4. In verband met de uitbraak van het Coronavirus en de sluiting van de gerechten was het niet mogelijk om in deze zaak op korte termijn een zitting te houden. Met de brief van 23 april 2020 heeft de rechtbank daarom aan partijen gevraagd om toestemming om in deze zaak zonder zitting uitspraak te doen. Verweerder heeft daarop laten weten dat hij zijn standpunt schriftelijk wil toelichten. Met de brief van 8 mei 2020 is verweerder in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Na ontvangst van het verweerschrift krijgen partijen de gelegenheid voor repliek (eiser) en dupliek (verweerder).

5. Op 18 mei 2020 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is op 20 mei 2020 per aangetekende post, op 28 mei 2020 per reguliere post en op 2 juli 2020 per beveiligde mail aan eiser doorgezonden met het verzoek om te reageren. De rechtbank heeft van eiser geen repliek ontvangen. Met de brief van 3 augustus 2020 zijn partijen nogmaals gevraagd om binnen twee weken te reageren als zij op een zitting willen worden gehoord. Hierop heeft de rechtbank van partijen geen reactie ontvangen. Vervolgens is het onderzoek op 19 augustus 2020 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Olo-nummer [nummeraanduiding 2]

6. Volgens eiser is er voor deze aanvraag van rechtswege een vergunning verleend omdat verweerder niet binnen de termijn op de aanvraag heeft beslist. Vervolgens heeft eiser verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig bekendmaken van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Omdat verweerder hierop niet binnen de termijn heeft gereageerd, heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiser verzoekt de rechtbank om alsnog op zijn vergunningaanvraag te beslissen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen procesbelang meer bij een uitspraak over deze omgevingsvergunning. Uit het dossier volgt dat verweerder met de brief van 14 januari 2020 heeft vastgesteld dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend omdat niet tijdig op de aanvraag is beslist. Op 21 januari 2020 heeft verweerder de van rechtswege verleende vergunning bekend gemaakt. Bij besluit van 12 maart 2020 heeft verweerder aan eiser de maximale dwangsom toegekend vermeerderd met wettelijke rente omdat de van rechtswege verleende vergunning niet tijdig is bekend gemaakt. Uit het verweerschrift volgt dat de dwangsom inmiddels ook aan eiser is uitbetaald. Het is niet gebleken dat eiser schade heeft geleden doordat de van rechtswege verleende vergunning niet tijdig bekend is gemaakt. Dat heeft hij ook niet aangevoerd. Gelet op het voorgaande heeft eiser inmiddels bereikt wat hij met deze procedure wilde bereiken: de van rechtswege verleende omgevingsvergunning is bekend gemaakt en aan eiser is de volledige dwangsom toegekend. Omdat eiser geen procesbelang meer heeft is zijn beroep op dit onderdeel niet-ontvankelijk.

Olo-nummer [nummeraanduiding 1]

8. Deze omgevingsvergunning is aangevraagd voor verschillende activiteiten. Het gaat om

het plaatsen van vlaggenmasten, het bouwen van een verkoopruimte, het plaatsen van handelsreclame en het uitvoeren van werkzaamheden. Tussen partijen is niet geschil dat voor de activiteiten ‘het plaatsen van vlaggenmasten’ en ‘het bouwen van een verkoopruimte’ is beslist met het primaire besluit van 2 september 2019 en dat de activiteit ‘het uitvoeren van werkzaamheden’ niet vergunningsplichtig is.

9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor de activiteit ‘het plaatsen van handelsreclame’ zodat hiervoor van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft verweerder daarom in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig bekendmaken van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Na het uitblijven van een reactie van verweerder heeft eiser rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het plaatsen van handelsreclame’. Eiser heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Met het primaire besluit van 2 september 2019 heeft verweerder op de aanvraag van eiser beslist. Omdat verweerder met een beschikking op de aanvraag heeft beslist, is er geen sprake van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat verweerder heeft nagelaten om in zijn beschikking te beslissen op de aanvraag voor de activiteit ‘het plaatsen van handelsreclame’, maakt niet dat voor deze activiteit sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Eiser kan in een procedure tegen de verleende omgevingsvergunning aanvoeren dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op deze aangevraagde activiteit. Omdat sprake is van een omgevingsvergunning waarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, is de eerste stap in die procedure het indienen van een bezwaarschrift.

11. Eiser heeft dit ook gedaan: hij heeft op 12 oktober 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 2 september 2019. Uit het dossier blijkt dat verweerder niet op dit bezwaarschrift heeft beslist. Als eiser wil afdwingen dat verweerder (als beslissing op bezwaar) alsnog beslist over de activiteit ‘het plaatsen van handelsreclame’, dan had het op zijn weg gelegen om verweerder eerst in gebreke te stellen in verband met het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2019. Eiser heeft verweerder niet in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Daarentegen heeft eiser beroep ingesteld in verband met het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende deelvergunning. Er is in deze beroepsprocedure dus geen sprake van de vereiste ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Bovendien is niet gebleken dat er omstandigheden zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet van eiser kon worden verlangd om verweerder in gebreke te stellen. Dit betekent dat het instellen van beroep (nog) niet mogelijk is. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie

12. Het beroep van eiser gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning met Olo-nummer [nummeraanduiding 2] is niet-ontvankelijk in verband met het ontbreken van procesbelang. Het beroep van eiser gericht tegen het uitblijven van bekendmaking van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het plaatsen van handelsreclame’ is niet-ontvankelijk omdat eiser heeft nagelaten om verweerder in gebreke te stellen in verband met het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2019.

12. Verweerder heeft de van rechtswege verleende vergunning op de aanvraag met Olo-nummer [nummeraanduiding 2] niet tijdig bekend gemaakt. De rechtbank ziet daarin aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt. Verweerder wordt niet veroordeeld in de proceskosten van eiser, omdat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het fictieve beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag met Olo-nummer [nummeraanduiding 2] niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiser tegen het primaire besluit van 2 september 2019 niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 174,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2020 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.