Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4173

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
C/16/17/9 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging Wsnp zonder schone lei. Volgens een vonnis van de rechtbank staat vast dat schuldenaar zijn huurwoning heeft onderverhuurd terwijl hij in de Wsnp zat. Schuldeisers trachten te benadelen en de bewindvoerder niet geïnformeerd over de onderhuur. Ook andere informatie niet aan de bewindvoerder doorgegeven en daarmee niet voldaan aan de informatieplicht. Bovendien is als gevolg van het vonnis inzake de huurovereenkomst een nieuwe schuld ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/17/9 R

nummer verklaring: HLV0151600862

uitspraakdatum: 2 oktober 2020

uitspraak op grond van artikel 354 van de Faillissementswet

(“einduitspraak zonder schone lei na verificatievergadering”)

enkelvoudige kamer

Bij vonnis van deze kamer van 4 januari 2017 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar] ,

geboren op [geboortedatum] -1968 te [geboorteplaats] (Egypte),

wonende op een geheim adres,

hierna: [schuldenaar] .

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

 de openbare verslagen van de bewindvoerder;

 het vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2019 waarbij de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is afgewezen;

 het bericht van de bewindvoerder van 1 december 2019;

 het vonnis van de rechtbank van 14 januari 2020 waarbij de schuldsaneringsregeling met 6 maanden is verlengd;

 de aantekeningen van de zitting van 30 juli 2020, waar [schuldenaar] en de bewindvoerder mevrouw E.J.M. van den Dungen (Okkerse & Schop advocaten) zijn verschenen;

 de berichten met bijlagen van de bewindvoerder van 14 en 17 september 2020.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[schuldenaar] heeft 14 schuldeisers die € 10.834,61 van hem te vorderen hebben. Hij is alleenstaand en huurt een woning van de Stichting Woningcorporatie het Gooi en omstreken (hierna: woningstichting).

2.2.

Op 4 juli 2019 heeft er een zitting plaatsgevonden waarbij de voordracht van de rechter-commissaris om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen is behandeld. In het vonnis van diezelfde datum is de voordracht afgewezen. “De rechtbank zal schuldenaar, ondanks het onvoldoende nakomen van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, toch een laatste kans geven om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Zij geeft schuldenaar een laatste kans omdat hij sinds kort fulltime werkt. De rechtbank gaat er van uit dat schuldenaar deze laatste kans ten volle zal benutten en alle verplichtingen voortvloeiende uit de regeling stipt zal nakomen.

De rechtbank benadrukt dat het van groot belang voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling is dat de schuldenaar de informatieplicht jegens de wsnp-bewindvoerder correct gaat nakomen. Er rust op hem een actieve informatieplicht. Wat inhoudt dat hij uit eigen beweging de wsnp-bewindvoerder van wijzigingen op de hoogte dient te stellen.”

2.3.

Op 1 december 2019 meldt de bewindvoerder dat de woningstichting haar heeft gemeld dat [schuldenaar] mogelijk woonfraude heeft gepleegd door zijn woning, zonder toestemming van de woningstichting en voor een hoger bedrag dan zijn huursom onder te verhuren aan anderen. De woningstichting wil daarom de huurovereenkomst ontbinden.

2.4.

Op 2 december 2019 is in de schuldsaneringsregeling een pro forma verificatievergadering gehouden.

2.5.

Om de uitkomst van het geschil met de woningstichting af te kunnen wachten verlengt de rechtbank op 14 januari 2020 de schuldsaneringsregeling met 6 maanden verlengd tot uiterlijk 4 juli 2020.

2.6.

Op 30 juli 2020 vindt een beëindigingszitting plaats. Er is dan nog geen duidelijkheid over de rechtszaak met betrekking tot de huurovereenkomst. De rechtbank houdt de uitspraak over de beëindiging van de schuldsanering aan tot uiterlijk 1 oktober 2020. Mogelijk is er binnen die periode alsnog een uitspraak in het geschil met de woningstichting, in ieder geval kan de bij [schuldenaar] inwonende jongen de bewindvoerder van informatie voorzien over (onder meer) zijn inkomsten.

2.7.

De bewindvoerder meldt op 14 september 2020 dat de rechtbank Midden-Nederland afdeling civiel recht op 9 september 2020 uitspraak heeft gedaan in het geschil met de woningstichting. In dat vonnis overweegt de rechtbank het volgende:

“4.4. Het is aan [schuldenaar] om tegenbewijs te leveren of zijn betwisting goed te motiveren en te onderbouwen. Temeer nu [schuldenaar] heeft erkend zijn woning in gebruik te hebben gegeven aan de heer [A] , ligt het op zijn weg feiten en omstandigheden aan te voeren, waaruit blijkt dat hij in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft. [schuldenaar] is daar niet in geslaagd. De stelling dat sprake zou zijn van pesterijen door omwonenden en de meldingen daaruit zijn voortgekomen, is op geen enkele wijze door hem onderbouwd. [schuldenaar] heeft in het geheel geen bewijsstukken in het geding gebracht om aannemelijk te maken dat hij wel - zoals hij beweert - zelf in de woning zijn hoofdverblijf heeft. De verklaring van [A] die [schuldenaar] inbrengt, is hiertoe niet afdoende.

4.5.

Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat vast is komen te staan dat

[schuldenaar] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad en hij de woning in ieder geval aan

een ander in gebruik heeft gegeven. […] Daarnaast is [schuldenaar] er bij brief

van 3 oktober2017 reeds op gewezen dat Het Gooi en Omstreken berichten had ontvangen

dat hij mensen laat inwonen in de woning en zij daarover met hem in gesprek wilde.”

De rechtbank wijst de vordering van de woningstichting tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning toe.

3 De verzoeken en de standpunten

3.1.

De bewindvoerder, zo begrijpt de rechtbank, houdt vast aan haar eerdere advies zoals opgenomen in het eindverslag. Die houdt in dat als uit de procedure blijkt dat [schuldenaar] zijn woning heeft onderverhuurd, zij negatief adviseert ten aanzien de schone lei.

3.2.

[schuldenaar] heeft verzocht de regeling te beëindigen met een schone lei. Hij heeft zijn best gedaan, hij heeft gewerkt en hij is van mening dat de rechtszaak over de huurovereenkomst los staat van de schuldsaneringsregeling. Hij erkent dat er iemand in zijn huis woont, maar ontkent dat hij daar ooit geld voor heeft ontvangen.

4 De beoordeling

4.1

Op grond van artikel 354 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) dient de rechtbank aan het eind van de schuldsaneringsregeling te beoordelen of schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en of deze tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat [schuldenaar] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en dat deze tekortkomingen aan [schuldenaar] kunnen worden toegerekend. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Schuldeisers trachten te benadelen

4.3.1.

Uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2020 volgt dat [schuldenaar] zijn woning heeft onderverhuurd. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de rechtbank moet uitgaan van de juistheid van dit vonnis. Uit het vonnis blijkt dat er al in oktober 2017 meldingen bij de woningstichting zijn binnengekomen dat er mogelijk sprake was van onderhuur en dat de onderhuurder € 800,00 huur aan [schuldenaar] zou hebben betaald. Dit is zo’n € 200,00 per maand meer dan de huur die [schuldenaar] aan de woningstichting betaalde. [schuldenaar] heeft dus (een deel van de tijd) in de schuldsanering extra (illegale) inkomsten gehad en deze niet doorgegeven aan de bewindvoerder. Niet alleen toont [schuldenaar] hiermee een gedrag dat niet hoort bij iemand die in de schuldsanering zit, verwacht mag immers worden dat deze zich, net als anderen, aan de wetten en regels houdt. Illegale onderverhuur en illegale inkomsten horen daar niet bij. [schuldenaar] heeft op die manier ook zijn schuldeisers trachten te benadelen, door doelbewust inkomsten achter te houden. Dit kan ook aan [schuldenaar] worden toegerekend, immers bij de toelating, bij het huisbezoek en in de openbare verslagen is hij er op gewezen dat hij zijn inkomsten boven het vrij te laten bedrag dient af te dragen aan de boedel.

4.3.2.

Overigens ook als in het vonnis van 9 september jl. niet zou zijn geconcludeerd dat er sprake was van onderhuur, dan nog zou [schuldenaar] zijn schuldeisers hebben trachten te benadelen. [schuldenaar] heeft erkent dat er een jongen in zijn huis woonde en dat die jongen eigen inkomsten had. De inkomsten van medebewoners tellen (onder voorwaarden) mee bij het bepalen van het vrij te laten bedrag. Per saldo zou het vrij te laten bedrag van [schuldenaar] , met de inkomsten van de medebewoner lager zijn geweest en zijn afdracht aan de boedel dus hoger.

Nieuwe schuld

4.4.

Ten tweede heeft het vonnis er toe geleid dat [schuldenaar] is veroordeeld in het betalen van de proceskosten van de woningstichting. Door de rechtbank zijn deze begroot op € 586,96. Hiermee is voor [schuldenaar] ook een nieuwe schuld ontstaan.

Informatieplicht

4.5.

Ten derde heeft [schuldenaar] ook niet voldaan aan zijn informatieplicht. Immers hij heeft de bewindvoerder niet ingelicht over de onderhuur of over, zoals hij het zelf zegt, het in huis nemen van een jongen. [schuldenaar] had zijn bewindvoerder hierover moeten inlichten. Dat heeft hij niet gedaan. Informatie over de inkomsten van de inwonende jongen heeft de bewindvoerder nooit van [schuldenaar] ontvangen. Ook niet nadat de bewindvoerder na de zitting van 30 juli 20020 contact met die jongen hierover heeft gehad. [schuldenaar] had moeten zorgen dat die informatie wel beschikbaar was en hij had kunnen weten dat het onderverhuren dan wel het in huis nemen van een ander financiële consequenties kon hebben (zie ook 4.3.2.). In het vonnis van 4 juli 2019 is [schuldenaar] expliciet gewezen op zijn actieve informatieplicht naar de bewindvoerder toe. Het gaat daarom om een toerekenbare tekortkoming.

4.6.

Bovenstaande tekortkomingen in de nakoming van de op [schuldenaar] op grond van de schuldsaneringsregeling rustende verplichtingen leiden er toe dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling zal beëindigen zonder de toekenning van de schone lei.

4.7.

De rechtbank stelt de vergoeding voor de bewindvoerder vast op € 3.662,58 (inclusief onkosten en omzetbelasting).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

stelt vast dat [schuldenaar] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, zonder daarbij toepassing te geven aan artikel 354 lid 2 van de Faillissementswet (geen schone lei);

5.2.

verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst;

5.3.

stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op € 3.662,58.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Hofman en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2020.1

1 Hoger beroep tegen dit vonnis kan slechts worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen na de dag van de uitspraak van het vonnis.