Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4143

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
20/993
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

studiefinanciering; maandbedrag; draagkracht; vervallen termijnen; ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/993


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hummel).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van het maandbedrag voor 2020 voor het aflossen van de studieschuld voor eiser voor de periode van februari tot en met december 2020 vastgesteld op

€ 0,00. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020 via Skype. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Op 7 januari 2020 heeft eiser een verzoek tot verlaging van het maandbedrag van € 389,01 ingediend. Verweerder heeft het maandbedrag in het primaire besluit van 7 januari 2020 over de periode februari tot en met december 2020 verlaagd naar € 0,00 per maand.

3. In geschil is of verweerder het maandbedrag terecht heeft verlaagd met ingang van februari 2020 en niet met ingang van 1 januari 2020.

4. De wettelijke maandelijkse termijnbetalingen worden gebaseerd op de hoogte van de lening, de periode dat er nog moet worden afgelost en de nog te berekenen rente.1 Inkomen en draagkracht spelen daarbij geen rol. Op dat uitgangspunt is de vaststelling van het maandbedrag op € 389,01 in het besluit van 12 november 2019 gebaseerd. Dat is in overeenstemming met de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

5. Eiser kan een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende duur van de aflosfase.2 De maandelijkse termijnbetalingen kunnen dan op de inkomenssituatie van eiser worden afgestemd. Het is vaste rechtspraak dat de draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is.3 Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verzoek van 7 januari 2020 de nieuwe aflossing op basis van zijn draagkracht dan ook terecht met ingang van 1 februari 2020 en niet al met ingang van 1 januari 2020 toegewezen en een maandbedrag van € 0,00 vastgesteld. De nadelige gevolgen van het niet (tijdig) aanvragen van een draagkrachtmeting komen voor rekening en risico van eiser.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2020 door

mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Dit volgt uit artikel 10a.6. van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

2 Dit volgt uit artikel 10.a7. van de Wsf 2000.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4146).