Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4137

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1599
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, herziening en intrekking, sprake van inkomsten i.v.m. contante stortingen, lening niet nader onderbouwd, onduidelijkheid over eisers werkzaamheden, geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres], eiseres, te [woonplaats] , hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. I. Timmermans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.D. Klasen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand over de periode januari 2013 tot en met april 2013 en over de periode maart 2014 tot en met november 2014 herzien. Over de periode december 2014 tot en met oktober 2018 heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken. De als gevolg van de herziening en intrekking ten onrechte betaalde bijstand, totaal een bedrag van € 70.672,61, heeft verweerder van eisers teruggevorderd.

Bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 202026 augustus 2020 via Skype. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers ontvingen van 22 februari 2011 tot 1 november 2018 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van gehuwden, met verrekening van inkomsten van eisers werkzaamheden als kapper.

Herziening over de periode januari – april 2013 en maart – november 2014

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers de ING-rekening van eiser, eindigend op [Rekeningnummer] (de ING -rekening) niet bij verweerder hebben gemeld. Verweerder heeft het recht op bijstand over de periode januari tot en met april 2013 en maart tot en met november 2014 (de herzieningsperiode) herzien, omdat op de ING -rekening contante stortingen zijn gedaan en deze worden aangemerkt als inkomsten, waarmee eisers in hun levensonderhoud konden voorzien.

3. Eisers voeren aan dat de ING -rekening wel bij verweerder bekend was, omdat eisers uitkering die hij eerder ontving op die rekening werd gestort. Uiteindelijk heeft eiser van deze rekening ook alle gevraagde afschriften ingeleverd. De contante stortingen op de ING -rekening waren afkomstig van eiseres. Eiser heeft daarnaast wel eens geld uitgeleend dat hij contant kreeg terugbetaald. Van deze leningen hebben eisers bewijsstukken overgelegd. Deze bedragen zijn geen middelen die met de uitkering verrekend mogen worden. Dat de administratie onoverzichtelijk is geworden door opname van geld van de ene rekening en terugstorten van geld op de andere rekening, rechtvaardigt niet de herziening van de uitkering, aldus eisers.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er contante stortingen hebben plaatsgevonden op de rekening van eiser in de herzieningsperiode. Van die stortingen is geen melding gemaakt bij verweerder. In geschil is of deze stortingen aangemerkt kunnen worden als inkomsten.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het recht op bijstand in de herzieningsperiode heeft herzien, gelet op de contante stortingen op de ING -rekening. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.1

Volgens vaste rechtspraak1 worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

5.2

De rechtbank overweegt dat de stelling van eisers dat de stortingen bedragen zijn die van de rekening van eiseres komen, niet nader onderbouwd is met bijvoorbeeld bankafschriften van de rekening van eiseres waaruit dezelfde opnames blijken. Zonder onderbouwing, die ontbreekt, kan aan deze stelling niet de waarde worden gehecht die eisers daaraan gehecht willen zien. Eisers stelling dat hij geld heeft uitgeleend is niet nader onderbouwd. Het is bovendien niet objectief en controleerbaar dat een storting op eisers bankrekening een terugbetaling van een lening betreft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers het standpunt van verweerder dat sprake is van inkomsten niet hebben kunnen weerleggen. De herziening van het recht op bijstand kan dus in stand blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

Intrekking over de periode december 2014 – oktober 2018

6. Verweerder heeft het recht op bijstand ingetrokken over de periode van 1 december 2014 tot en met 30 oktober 2018 (de intrekkingsperiode), omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In de intrekkingsperiode beschikten eisers over middelen en/of inkomsten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Daarvan hebben eisers geen melding gemaakt, zodat de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw is geschonden. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie. Er is onduidelijkheid over de arbeidscontracten, de werktijden en het loon dat eiser ontving. Zo heeft eiser in acht jaar tijd amper loonsverhoging gekregen en zijn er vijf verschillende data van indiensttreding op de loonstroken vermeld, terwijl het om dezelfde werkgever gaat. Verder komt het op het arbeidscontract met startdatum 1 januari 2018 genoemde loon van € 559,20 netto per maand voor 5 uur werk per week niet overeen met de door eiser ingeleverde inkomstenformulieren en loonstroken waarop staat dat eiser gemiddeld 20 uur per maand werkt en netto € 211,05 verdient. Daarnaast zijn er waarnemingen verricht, waaruit blijkt dat eiser op tijdstippen werkzaamheden heeft verricht, terwijl eiser deze dagen niet of onjuist gewerkte tijdstippen heeft opgegeven aan verweerder. Verder zijn er in de periode 1 december 2014 tot 1 november 2018 structureel overschrijvingen van relatief kleine bedragen met omschrijvingen als “kapper” en “knippen”. Ook zijn er in de periode 8 december 2011 tot 1 november 2018 veelvuldig niet gemelde contante stortingen zichtbaar. Eiser kreeg met zijn kapperswerkzaamheden op verschillende wijze betaald, waardoor een volkomen onduidelijke situatie is ontstaan waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De ontstane onduidelijkheid en problemen met de boekhouding van eisers werkgever komen voor rekening en risico van eisers.

7. Eisers voeren aan dat van een schending van de inlichtingenplicht geen sprake is. De conclusie dat eiser meer zou hebben gewerkt dan hij heeft opgegeven kan niet worden getrokken uit de urenlijsten, salarisstroken en waarnemingen. Dat de werkgever een puinhoop maakte van de administratie kan eisers niet worden tegengeworpen. Uit de waarnemingen blijkt niet dat eiser meer uren werkte dan hij opgaf. Hoogstens kan worden vastgesteld dat een enkele keer de urenlijst niet overeenkwam met de dagen waarop gewerkt was. De bijschrijvingen op de ING -rekening van klanten zijn verrekend met het salaris dat eiser van zijn werkgever ontving. Het is eisers niet gelukt om de administratie van de (ex-)werkgever over te leggen, zodat zij hun stellingen niet kunnen onderbouwen. Eiser heeft zijn arbeidsovereenkomst vrijwel blind getekend, nu hij amper kan lezen en schrijven en hij zijn werkgever vertrouwde.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand over de intrekkingsperiode niet is vast te stellen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

8.1

Verweerder heeft terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er een discrepantie zit tussen eisers laatste arbeidsovereenkomst en de ingeleverde loonstroken en inkomstenformulieren. Het loon dat genoemd is in de arbeidsovereenkomst stemt niet overeen met het loon dat eiser heeft ontvangen, terwijl het om nagenoeg een gelijk aantal gewerkte uren gaat. Daar komt bij dat bij de waarnemingen meerdere keren is geconstateerd dat eiser werkte op een tijdstip/dag die niet als werktijd op het ingeleverde urenformulier staat. Verder is onweersproken dat eiser op de ING -rekening betalingen ontving van klanten, waarvan eiser geen melding heeft gemaakt bij verweerder. De stelling van eisers dat deze betalingen werden verrekend met zijn salaris is op geen enkele wijze onderbouwd. Dat de werkgever zijn boekhouding niet overlegt, zodat eisers hun stellingen niet nader kunnen onderbouwen, komt voor hun rekening. Immers, het is aan eisers om duidelijkheid en inlichtingen te verschaffen over alles wat relevant kan zijn voor het recht op bijstand. Eisers stelling ter zitting dat de contante uitbetalingen aan eiser rechtstreeks naar de werkgever gingen en dat daarom uitgegaan moet worden van de stortingen, volgt de rechtbank niet omdat die stelling verder niet is onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vanaf 1 december 2014, het moment waarop de eerste klantbetaling op de ING -rekening heeft plaatsgevonden, onduidelijkheid bestaat over eisers werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen. Verweerder heeft daarom terecht het recht op bijstand vanaf dat moment ingetrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Dringende redenen

9. Eisers doen ten slotte een beroep op dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Eisers hebben alle beschikbare stukken bij verweerder ingeleverd. Zij wisten niet dat eisers werkgever de administratie niet goed bijhield en dat de goedheid van eiser zulke grote gevolgen zou hebben. Eisers gaan onderdoor aan het bestaan van een grote schuld, die zij waarschijnlijk nooit meer terug kunnen betalen.

10. De rechtbank oordeelt dat het beroep op dringende redenen niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak2 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) doen dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken, aldus de CRvB. In hetgeen eisers hebben aangevoerd heeft verweerder geen dringende redenen hoeven zien om van terugvordering af te zien. Immers, van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen is niet gebleken. Hetgeen eisers aanvoeren met betrekking tot de werkgever van eiser is geen grond om van terugvordering af te zien, maar ziet op de intrekking van het recht op bijstand. Dat eisers vanwege de terugvordering een grote schuld krijgen is inherent aan de terugvordering en kan reeds daarom niet als dringen reden worden aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Eindconclusie

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 29 september 2020 gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.


Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier de rechter

is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450

2 uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1713