Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4136

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 748
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand, Wet werk en bijstand, participatiewet, bewind, afgewezen: te laat ingediend, geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind over de goederen van [belanghebbende] (belanghebbende) te [woonplaats] , eiseres, vertegenwoordigd door L. Rox

en

het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende is bij beschikking van deze rechtbank van 15 april 2019 onder bewind gesteld.

Op 18 juli 2019 heeft eiseres namens belanghebbende een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering.

Bij besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag gedeeltelijk toegewezen. Aan belanghebbende is het recht op bijzondere bijstand toegekend over de periode van 18 juli 2019 tot en met 17 juli 2022. Belanghebbende heeft geen bijzondere bijstand gekregen voor de periode voorafgaand aan 18 juli 2019 en voor de kosten van de intake bij de bewindvoerder. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat geen van partijen heeft aangegeven ter zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De bijzondere bijstand voor de periode voorafgaand aan 18 juli 2019 en voor de intake is door verweerder afgewezen omdat deze aanvraag te laat is ingediend. Op grond van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel bijzondere bijstand 20171 (de Beleidsregel) moest de aanvraag zijn ingediend binnen twee maanden na de beschikking tot onderbewindstelling. In dit geval moest de aanvraag dus vóór 15 juni 2019 zijn ingediend. De aanvraag van belanghebbende is ingediend op 18 juli 2019 en is daarmee dus te laat.

2. Eiseres erkent dat de aanvraag te laat is ingediend, maar beroept zich op overmacht. Na de onderbewindstelling moest een beheer- en leefgeldrekening voor belanghebbende worden geopend, maar de bank is in gebreke gebleven door de aanmelding pas na zes weken in behandeling te nemen. Omdat het bij een aanvraag om bijzondere bijstand van groot belang is dat de informatie die bij de aanvraag wordt verstrekt correct en actueel is, kon de aanvraag pas ingediend worden nadat de bank de bankrekeningnummers had doorgegeven. Eiseres wijst er verder op dat overige handelingen ook niet probleemloos verliepen. Zo heeft het enige tijd geduurd voordat de “oude” bank van belanghebbende de benodigde bankafschriften aanleverde. Het indienen van de aanvraag binnen de termijn van twee maanden was niet mogelijk. De afhandeling van het openen van de beheer- en leefgeldrekeningen ligt bovendien bij de bank: belanghebbende heeft hier geen invloed op gehad.

3. Volgens vaste rechtspraak over de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand2, welke rechtspraak haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de artikel 43 en 44 van de Participatiewet, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4. Volgens artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel moet bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten aangevraagd worden binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking tot onderbewindstelling.

5. Volgens de toelichting bij artikel 8 van de Beleidsregel kunnen er - kort gezegd - bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Wat die bijzondere omstandigheden zijn, is afhankelijk van het individuele geval. Bij elke aanvraag moet hier naar gekeken en over gerapporteerd worden.

6. Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering over de periode voorafgaand aan
18 juli 2019 en de kosten van de intake bij de bewindvoerder, zijn opgekomen vóór de datum waarop de aanvraag is ingediend. Ook is niet in geschil dat de bijzondere bijstand niet binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking tot onderbewindstelling is aangevraagd. Het beroep spitst zich toe op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet blijkt waarom de aanvraag niet tijdig ingediend had kunnen worden. Ook zonder een bankrekening had de aanvraag ingediend kunnen worden. Het hebben van een bankrekening is geen voorwaarde voor het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten voor bewindvoering. Als eiseres de aanvraag tijdig had ingediend, had zij een hersteltermijn gekregen zodat dit gebrek naderhand hersteld had kunnen worden. Het recht op bijzondere bijstand had ook door middel van een incomplete aanvraag veilig gesteld kunnen worden, aldus verweerder.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat in wat eiseres heeft aangevoerd over het openen een beheer- en leefgeldrekening en het inleveren van de oude bankafschriften, geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen als hiervoor bedoeld. De omstandigheid dat de bewindvoerder om haar moverende redenen heeft gewacht met het indienen van de aanvraag, moet voor rekening van de bewindvoerder en daarmee ook voor rekening en risico van belanghebbende worden gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 te raadplegen via www.overheid.nl

2 uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875