Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4132

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 111
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om rectificatie van gegevens (artikel 2.58 Wet Brp). Geen procesbelang. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] (eiser) & [eiser 2] (bewindvoerder), te [vestigingsplaats] , tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: E.A.M. Brouwers).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van de bewindvoerder om aanpassing van de Basisregistratie personen (Brp) niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 2 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [eiser 2] is de bewindvoerder van eiser. De bewindvoerder heeft op 22 augustus 2019 een aanvraag bij verweerder ingediend tot aanpassing van de Brp wat betreft de inschrijving van medebewoners op het adres van eiser. Volgens de bewindvoerder heeft eiser zich laten misleiden tot de inschrijving van de medebewoners op zijn adres en betreft het daarmee een onjuiste inschrijving, die gecorrigeerd diende te worden.

2. Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om rectificatie van gegevens in de zin van artikel 2.58 van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp). Het tweede lid van artikel 2.55 van de Wet Brp is op grond van het vierde lid van artikel 2.58 Wet Brp van overeenkomstige toepassing op het verzoek. In dit lid staan limitatief de personen opgesomd die een dergelijk verzoek kunnen doen. Dit betreft de betrokkene, de persoon van wie de gegevens zijn, Daarnaast worden de verzoeken gedaan door ouders, voogden of verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar of curatoren voor onder curatele gestelden. De bewindvoerder wordt niet genoemd. Verweerder heeft de aanvraag om die reden afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder besloten dat hij de afwijzing van het verzoek van de bewindvoerder ten onrechte als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt, waartegen bezwaar openstaat. De bewindvoerder is volgens verweerder namelijk geen belanghebbende bij het rectificatieverzoek. Er is daarom geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Er is daarmee ook geen besluit genomen. De bezwaren van eisers zijn om die reden niet-ontvankelijk.

3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit waarbij de bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard. Gesteld wordt dat eiser financiƫle schade heeft geleden door het besluit. Omdat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de bewindvoerder heeft het onnodig lang geduurd voordat de medebewoners weer uitgeschreven waren van het adres van eiser. Hierdoor heeft eiser toeslagen misgelopen. Eisers wensen een oordeel van de rechter over de rechtmatigheid van het besluit teneinde een verzoek tot vergoeding van de schade te kunnen doen.

4. De rechtbank bekijkt allereerst ambtshalve of er procesbelang bestaat. Of er procesbelang is, hangt af van wat eisers met het instellen van beroep willen bereiken. Ten aanzien van de bewindvoerder is geen procesbelang gesteld. De rechtbank ziet niet in welk belang de bewindvoerder heeft bij een uitspraak over het bestreden besluit. Aan het rectificatieverzoek kan namelijk niet meer worden voldaan, nu gebleken is dat de uitschrijving van de medebewoners van eisers Brp-adres reeds heeft plaatsgevonden. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Voorts is gesteld noch gebleken dat de bewindvoerder schade heeft geleden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep van de bewindvoerder niet-ontvankelijk is, omdat hij onvoldoende procesbelang heeft. De rechtbank laat daarbij in het midden of de bewindvoerder een rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit.

5. Ten aanzien van eiser komt de rechtbank eveneens tot het oordeel dat het procesbelang ontbreekt. In dit verband acht de rechtbank van betekenis dat de gestelde financiƫle schade als gevolg van het stopzetten van de toeslagen van eiser geen rechtstreeks gevolg is van het bestreden besluit. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op het uitschrijven van medebewoners van het adres van eiser, maar op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. De door eiser gestelde schade staat niet in verband met het bestreden besluit. Een vernietiging van het bestreden besluit leidt niet tot een recht op schadevergoeding.

6. Omdat de rechtbank geen procesbelang aanwezig acht, zal hij het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep van eisers niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 30 september 2020 door mr. L.M. Reijnierse, rechter,
in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.