Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4131

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
8690736 UV EXPL 20-158 AS/31467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming toegewezen. Laatste-kans-overeenkomst. Aannemelijk geworden dat huurder opnieuw overlast veroorzaakt, bestaande uit o.a. geluid- en stankoverlast, agressief/intimiderend gedrag en het aan en afvoer van spullen (ook ’s avonds) naar het gehuurde. Het gehuurde wordt vooral als opslagruimte gebruikt en is niet bewoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8690736 UV EXPL 20-158 AS/31467

Kort geding vonnis van 30 september 2020

inzake

de stichting

Stichting Viveste,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Viveste,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.J. Scholten,

tegen:

[gedaagde] , handelend onder de naam [naam] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [A],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R. van Veen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 augustus 2020 met 7 producties,

- het faxbericht van Viveste met de producties 8 en 9,

- het faxbericht van mr. Van Veen met productie 1,

- de pleitaantekeningen van Viveste,

- de mondelinge behandeling van 16 september 2020, waarvan door de griffier aantekeningen is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[gedaagde] is de bewindvoerder over het vermogen van mevrouw [A] (hierna: [A] ) en wordt daardoor als formele procespartij (gedaagde) aangemerkt. De kantonrechter zal hierna wanneer het gaat om formele overwegingen of beslissingen [gedaagde] noemen in plaats van [A] .

2.2.

Viveste verhuurt sinds 2 oktober 2018 aan [A] een woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). Het betreft een driekamerflatwoning op de bovenste verdieping van een uit vier woonlagen bestaand flatgebouw. Aan de huurovereenkomst is ook een allonge gehecht in het kader van een laatste kans/gedragsaanwijzing. Daarin heeft [A] zich onder meer bereid verklaard haar woon- en leefgedrag aan te passen. Een en ander is, voor zover relevant, als volgt verwoord:

Artikel 3. Gedragsaanwijzingen

3.2.

Huurder zal zich ten opzichte van andere huurders, vrienden, familie of ander bezoek

van ongepast gedrag onthouden.

(…)

3.5, Het is niet toegestaan privé eigendommen in de algemene ruimten te plaatsen.

3.6.

Het is niet toegestaan de woning als opslagruimte te gebruiken. Ook niet tijdelijk.

3.7.

Huurder wordt geacht geen overlast te veroorzaken. Dat betekent bijvoorbeeld dat

het niet is toegestaan in de nacht te stofzuigen of meubels te verplaatsen.

3.8.

Huurder zorgt ervoor dat de woning wordt ingericht met de basis benodigdheden

zoals bed, bank, stoel, tafel, vloerbedekking, vitrage enz.

3.9.

Huurder werkt mee aan dagbesteding.

3.10.

Huurder is verplicht zorgverleners, medewerkers van woningstichting Viveste binnen

te laten (wekelijks).

3.11.

Huurder zal de woning als goed huurder in de zin van de huurovereenkomst en

artikel 7:213 BW1 bewonen en uitsluitend conform de bestemming gebruiken.

(…)

Artikel 4. Zorgverlening

4.1.

Huurder zal hulp vanuit Loket Wijk en Kwintes aanvaarden en zal aan de

zorgverlening zijn volledige medewerking verlenen. Mocht blijken dat er andere

hulpverlening noodzakelijk is, zal huurder ook hieraan haar volledige medewerking

verlenen. Er wordt contact gezocht met de huisarts en de GGZ voor gespecialiseerde

hulp.

(…)”

2.3.

De aanleiding voor deze gedragsaanwijzing is de huurovereenkomst ten aanzien van de woning aan de [adres] in [woonplaats] geweest. Die huurovereenkomst is door de rechter op 19 juni 2018 ontbonden omdat [A] tekort was geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door het veroorzaken van overlast. Na ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van [A] uit die woning zijn Viveste en [A] een nieuwe huurovereenkomst aangegaan.

2.4.

Viveste heeft [A] op 2 juni 2020 gedagvaard en de kantonrechter gevraagd om de huidige huurovereenkomst ook te ontbinden en de ontruiming toe te wijzen. Vooruitlopend op de beslissing in die procedure vordert Viveste nu in deze procedure reeds ontruiming van het gehuurde. Viveste wil de beslissing in de bodemprocedure niet afwachten omdat ze ook na de dagvaarding in de bodemprocedure (en dit kort geding) klachten over [A] blijft ontvangen. Verder vordert Viveste veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2.5.

Aan haar vordering legt Viveste ten grondslag dat [A] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst met haar allonge (de gedragsaanwijzing). Volgens Viveste leidt [A] aan een psychische aandoening genaamd ‘verzamelwoede’ of ‘hoarding’, die een onbedwingbare drang oplevert om zaken naar en van haar woning te slepen. [A] gebruikt haar woning als opslagplaats voor spullen, waardoor een brandgevaarlijke situatie ontstaat. Omwonenden klagen over geluids- en stankoverlast. Dikwijls worden ook gemeenschappelijke ruimten gebruikt voor de opslag van spullen en worden zaken op de openbare weg voor het flatgebouw geplaatst. Indien confrontaties plaatsvinden tussen [A] en andere bewoners van het portaal dan gedraagt [A] zich fysiek en verbaal agressief. Zij gaat tekeer tegen omwonenden en intimideert de minderjarige kinderen in de buurt. Ondanks diverse pogingen wil of kan [A] geen hulp aanvaarden zodat ze haar gedrag structureel kan verbeteren; hetgeen waartoe [A] zich bereid heeft verklaard door middel van de allonge bij de huurovereenkomst. [A] heeft zich onlangs aangesloten bij een kerkgenootschap, maar ook dat heeft de problemen niet kunnen oplossen. Andere hulpverleners hebben de hulpverlening inmiddels beëindigd omdat zij niet in contact kunnen komen met [A] , aldus nog steeds Viveste.

2.6.

[A] betwist de gestelde overlast en meent dat er sprake is geweest van onenigheid met slechts twee buren. Zij heeft de andere buren gesproken en die hebben aangegeven geen overlast te ervaren. Verder voert ze aan dat ze wel heeft meegewerkt aan hulpverlening en dat het opruimen langer heeft geduurd vanwege persoonlijke omstandigheden zoals haar gezondheidsklachten en die van een vriendin en/of familieleden.

2.7.

Op de nadere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3 Wat vind vindt de kantonrechter ervan?

Spoedeisendheid

3.1.

Ter zitting heeft [A] aangevoerd dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat in de bodemprocedure een mondelinge behandeling is gepland op 24 september 2020. De kantonrechter volgt haar hierin niet. Op de zitting in dit kort geding bestond geen zekerheid of de mondelinge behandeling in de bodemprocedure ook doorgang zal vinden en evenmin wanneer een (eind) beslissing zal volgen, terwijl de klachten van omwonenden blijven binnenkomen. Daardoor is Viveste genoodzaakt deze procedure te voeren. De bodemprocedure moet bovendien hoe dan ook worden gevoerd. De huurovereenkomst kan in kort geding immers niet worden ontbonden.

Moet [A] het gehuurde ontruimen? Ja.

3.2.

Bij de beoordeling van de gevorderde ontruiming staat voorop dat dit een vergaande maatregel is, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Om die reden zal een onverwijlde ontruiming in kort geding slechts gerechtvaardigd zijn, als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst in de bodemprocedure zal worden ontbonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen. Het volgende is daartoe redengevend.

3.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Viveste haar stelling dat [A] zich niet als goed huurster gedraagt door overlast te veroorzaken, voldoende toegelicht en met stukken onderbouwd. Zij heeft van de buren bijgehouden telefoonnotities en verklaringen en e-mailberichten van de buren overgelegd, waaruit blijkt dat de buren van [A] bij haar meldingen hebben gemaakt van bijvoorbeeld: stankoverlast, geluiden zoals, gebonk, gestamp, verschuiven van spullen, de woede-uitbarstingen en/of agressief gedrag van [A] , waarbij ook kinderen aanwezig waren, aanwezigheid van spullen in de algemene ruimtes en dat [A] steeds (ook ’s avonds) bezig is met het aanvoeren van (nieuwe) spullen en het sjouwen van die spullen naar haar woning. De klachten zijn afkomstig van twee verschillende buren (de onder- en overburen), hebben betrekking op een periode van ruim anderhalf jaar (de eerste klacht dateert van 27 februari 2019 en de laatste van 10 september 2020), zijn gedetailleerd en in overwegende mate gelijkluidend. Bovendien zijn de klachten begonnen zodra [A] , na een korte periode elders te hebben verbleven, haar intrek in het gehuurde heeft genomen. Daarnaast heeft Viveste een overzicht overgelegd van de meldingen die de politie van de buren van [A] heeft ontvangen vanwege de bedreigingen die door haar zouden zijn geuit. Daarin is verder te lezen dat de wijkagent naar aanleiding van de meldingen bij [A] langs is geweest en heeft geconstateerd dat zij bezig was met ‘verhuizing van de verzamelde voorraad’ en dat op de ‘overloop’ spullen stonden die van of naar de woning van [A] moesten.

3.4.

Viveste heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat het huis onbewoonbaar is en als opslagruimte dient en dus niet conform de bestemming wordt gebruikt. Dit heeft zij onderbouwd door foto’s die zij en/of Het Loket Wijk met toestemming van [A] hebben gemaakt en de foto’s die [A] zelf in april 2020 heeft gemaakt en naar Viveste heeft verstuurd. Verder heeft Viveste een verslag van de begeleiding die Het Loket Wijk en Kwintes hebben getracht te bieden overgelegd waaruit blijkt dat [A] minimaal gebruik heeft gemaakt van de ondersteuning die haar is geboden. [A] heeft de afspraken steeds afgezegd door ziekte of verblijf bij haar partner in Hoogeveen.

3.5.

[A] heeft het voorgaande niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. [A] heeft slechts in algemene bewoordingen betwist dat zij overlast veroorzaakt, geen hulpverlening heeft aanvaard of dat het gehuurde niet zou zijn opgeruimd, de foto’s zijn gedateerd volgens haar. Een nadere toelichting op deze betwistingen ontbreekt echter. Verklaringen van buren die de overlast tegenspreken zijn niet in het geding gebracht. De gestelde persoonlijke omstandigheden en gezondheidsklachten heeft [A] niet aannemelijk gemaakt. De gestelde gezondheidsklachten rijmen in ieder geval niet met de onweersproken stelling dat [A] continu zware spullen van en naar haar woning, die zich op de derde verdieping bevindt, brengt. De kantonrechter wil geloven dat [A] vanwege omstandigheden direct na de verhuizing niet in staat is geweest het gehuurde op te ruimen. Maar [A] huurt het gehuurde inmiddels al bijna twee jaar, terwijl er voldoende aanwijzingen zijn dat de woning niet bewoonbaar is. Bovendien vertelde [A] desgevraagd ter zitting dat het gehuurde nog steeds niet is opgeruimd. Haar reactie was: half.

3.6.

De kantonrechter is van oordeel dat op basis van het voorgaande vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat [A] overlast veroorzaakt en het gehuurde niet conform de bestemming gebruikt. Aangezien dit reeds gedurende lange tijd (minimaal anderhalf jaar) plaatsvindt, [A] meerdere kansen op verbetering zijn geboden en hulpverlening niet, althans onvoldoende soelaas heeft geboden, weegt het woonbelang van [A] niet langer op tegen het belang van Viveste bij de bescherming van het woonbelang van de buren en de leefbaarheid in de buurt. De dreiging van dakloosheid die [A] ter zitting heeft gesteld, ziet de kantonrechter niet. [A] heeft in de aanloop naar deze procedure voldoende gelegenheid gehad een nieuwe woonruimte te zoeken. Daarnaast krijgt [A] na dit vonnis veertien dagen de tijd om opzoek te gaan naar een nieuwe woonruimte en het gehuurde te verlaten. Bovendien heeft [A] niet gesteld waarom de dreiging van dakloosheid voor rekening van Viveste moet komen. Gelet op hetgeen in het geding is gebracht, is de kantonrechter van oordeel dat Viveste zich voldoende heeft ingespannen de ontruiming te voorkomen. [A] heeft daar geen gebruik van gemaakt, hoewel zij een gewaarschuwd mens was gelet op de eerdere procedure die tot ontruiming van [A] uit de woning leidde en de gedragsaanwijzing die [A] heeft ondertekend. In artikel 8 van de allonge is aan [A] duidelijk gemaakt dat nieuwe tekortkomingen zullen leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming van het gehuurde. Naar het oordeel van de kantonrechter moet daarom worden geconcludeerd dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [A] die een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

De proces- en nakosten

3.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Viveste worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 124,00

- salaris gemachtigde € 480,00 (1 punten x tarief € 480,00)

Totaal € 704,89

3.8.

Als Viveste nog kosten moet maken om de beslissing uit te voeren, moet [gedaagde] die ook betalen. Die eventuele kosten worden hieronder vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats] met al wie en al wat zich daarin vanwege de gedaagde partij bevindt binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te (doen) ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Viveste te stellen;

4.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de eisende partij, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 704,89;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] , als zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Viveste volledig aan dit vonnis voldoet, om de na dit vonnis ontstane kosten te betalen, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, als het vonnis door de deurwaarder is betekend, met de explootkosten die hiervoor in rekening zijn gebracht;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. D.C.P.M. Straver op 30 september 2020.