Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4130

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
16.225044-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van een grote hoeveelheid brandstof bij een benzinestation. De rechtbank houdt rekening met de professionele wijze waarop de diefstal heeft plaatsgevonden en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.225044-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 15 september 2019 in Urk samen met een ander of anderen 2000 liter diesel, gasolie of benzine, althans een grote hoeveelheid brandstof, heeft gestolen bij [tankstation] , welke diefstal heeft plaatsgevonden door middel van braak, verbreking of inklimming.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal, om reden dat niet vast is komen te staan welk type brandstof is gestolen. Subsidiair is partiële vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde braak, verbreking en/of inklimming.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Sinds begin april 2019 wordt bij diverse benzinestations van het bedrijf [bedrijf] geconstateerd dat sprake is van verschillen tussen de hoeveelheid geleverde brandstof en de hoeveelheid verkochte brandstof.2 Bij [tankstation] in Urk zijn verschillen geconstateerd tussen 1500 en 4000 liter.3

Op 15 september 2019 omstreeks 22.29 uur ontvangt politie Midden-Nederland een melding van een heterdaad diefstal van brandstof bij een benzinestation in Urk.4 Een getuige ziet een witte Citroën bestelbus5 bij benzinestation [tankstation] in Urk geparkeerd staan boven een peilput en hij ziet dat uit de Citroën een slang in de peilput hangt. Nadat de personen in de Citroën de slang uit de peilput hebben getrokken, rijdt de auto weg.6 De getuige volgt de Citroën die, vergezeld van een grijze BMW7, de A6 oprijdt richting Lelystad.8

Op 15 september 2019 omstreeks 22.43 uur zien verbalisanten op de A6 een witte Citroën Jumper en een grijze BMW rijden.9 De Citroën wordt met een stopteken tot stilstand gebracht. De bestuurder is [verdachte] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] , en de bijrijder [medeverdachte] , geboren op [1993] te [geboorteplaats] .10 Achterin de bestelbus zien verbalisanten twee grote doorzichtige vaten staan met daarin een vloeistof11 en zij ruiken een sterke lucht van gasolie.12 Achterin de bus staat een pompinstallatie waaraan een accu is bevestigd.13

Bewezenverklaring

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 september 2019 samen met een ander bij een tankstation in Urk een grote hoeveelheid brandstof heeft gestolen.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat (partieel) dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde braak, verbreking en/of inklimming. In het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat de diefstal van brandstof op 15 september 2019 uit de peilput van benzinestation [tankstation] in Urk gepaard is gegaan met braak of verbreking van het deksel van de peilput of van een aan het deksel bevestigd slot, terwijl voorts het hangen van een slang in een peilput teneinde daarmee benzine omhoog te pompen niet kan worden gekwalificeerd als inklimming.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 september 2019 te Urk tezamen en in vereniging met een ander een grote hoeveelheid brandstof, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 2 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf van 100 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de eis van de officier van justitie niet te volgen en een eventueel op te leggen straf (ten opzichte van deze eis) te matigen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een grote hoeveelheid, kostbare brandstof. Deze diefstal is door verdachte en zijn mededader op uiterst professionele wijze uitgevoerd met behulp van een daartoe gehuurde en geprepareerde auto.

Diefstallen betreffen ernstige strafbare feiten. Het handelen van verdachte en zijn mededader was uitsluitend gericht op het verrijken van zichzelf. Zij hielden daarbij geen rekening met de gevolgen voor de benadeelde, die niet alleen is geconfronteerd met fors financieel nadeel, maar voor wie de diefstal ook de nodige overlast heeft veroorzaakt.

Op grond van het bovenstaande kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. De aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zou door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend worden. De rechtbank ziet aanleiding van de op te leggen gevangenisstraf een deel in voorwaardelijke zin op te leggen als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen.

Als strafverzwarende omstandigheden houdt de rechtbank rekening met de professionele wijze waarop de diefstal heeft plaatsgevonden, de omstandigheid dat verdachte de bewezenverklaarde diefstal heeft gepleegd in samenwerking met een ander en het feit dat verdachte, ook ter zitting, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 12 augustus 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook voor vermogensdelicten. De rechtbank merkt verdachte om die reden aan als recidivist en weegt dit mee in het nadeel van verdachte.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht zal op deze gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. H.J. Bos en M.C. Danel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 september 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks 15 september 2019 te Urk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 2000 liter diesel/gasolie/benzine, althans een grote hoeveelheid brandstof, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [tankstation] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 september 2019, genummerd PL0900-2019277645, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 01 tot en met 105. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

2 Pagina 39

3 Pagina’s 36 en 38

4 Pagina 46

5 Pagina’s 40 en 41

6 Pagina 40

7 Pagina 46

8 Pagina’s 40 en 41

9 Pagina 46

10 Pagina’s 51 en 52

11 Pagina’s 52 en 64

12 Pagina 52

13 Pagina 52