Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4125

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
16/143360-20 en 16/041128-19 (vordering TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende meer dan drie maanden in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Ook heeft hij harddrugs en een nabootsing van een vuurwapen in bezit gehad. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 156 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Ook legt de rechtbank de verdachte een taakstraf op van 180 uur en een vrijheidsbeperkende maatregel: een contactverbod met de medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/143360-20 en 16/041128-19 (vordering TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2003] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van 15 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw en van hetgeen door verdachte en mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Eersel, alsmede namens de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder 1: in de periode van 15 februari 2020 tot en met 3 juni 2020 in Utrecht, samen met anderen, heeft gehandeld in cocaïne, heroïne, MDMA, amfetamine en/of metamfetamine;

onder 2: op 3 juni 2020 in Utrecht 37,43 gram MDMA, 21,16 gram cocaïne en/of 4,94 gram amfetamine aanwezig heeft gehad;

onder 3: op 3 juni 2020 in Utrecht een nabootsing van een pistool (merk Walther P22, kaliber 6mm BB) voorhanden heeft gehad;

onder 4: in de periode van 15 februari 2020 tot en met 3 juni 2020 in Utrecht heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

onder 5: in de periode van 1 februari 2020 tot en met 9 april 2020 in Utrecht, samen met anderen, geldbedragen heeft witgewassen;

onder 6: op 7 maart 2020 in Bilthoven samen met anderen heeft ingebroken in een woning aan de [adres] en daarbij een kluis met inhoud, sieraden en/of een geldbedrag heeft weggenomen;

onder 7: op 31 mei 2020 in Epe samen met anderen door middel van braak een kluis met daarin sieraden en/of een muntenverzameling heeft weggenomen;

onder 8: in de periode van 18 april 2020 tot en met 3 juni 2020 in Utrecht een gestolen telefoon voorhanden heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 8 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs onvoldoende overtuigend is om deze feiten te kunnen bewijzen. Naast de aangiftes zijn er tapgesprekken, maar uit die gesprekken kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraken. Medeplegen of medeplichtigheid kunnen ook niet worden aangenomen. Op basis van de paallocaties die zijn aangestraald, kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraken. Nu er geen enkel bewijsmiddel is dat verdachte in verband brengt met de inbraken en wat zijn rol daarbij zou zijn, is er in dit geval geen sprake van een situatie die schreeuwt om een verklaring van verdachte. Het kan verdachte onder deze omstandigheden niet worden tegengeworpen dat hij zich op zijn zwijgrecht dan wel zijn verschoningsrecht beroept.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde

Verdachte heeft de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 september 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2020, genummerd PL0900-2019272700-28, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 414 tot en met 418;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2020, genummerd PL0900-2020164482-179, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 1686 tot en met 1688;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2020, genummerd PL0900-2020164482-208, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 1959 tot en met 1961;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2020, genummerd PL0900-2020164482-40, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 1338 tot en met 1340;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen van 8 juni 2020, genummerd PL0900-2020175225-268, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 1730 tot en met 1738;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 juni 2020, aanvraag 006, pagina 1739;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 juni 2020, aanvraag 009, pagina 1740;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 juni 2020, aanvraag 011, pagina 1741;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 juni 2020, aanvraag 010, pagina 1742;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 8 juni 2020, aanvraag 013, pagina 1743;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 8 juni 2020, aanvraag 012, pagina 1744;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 8 juni 2020, aanvraag 014, pagina 1745;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 8 juni 2020, aanvraag 015, pagina 1746;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ) van 27 juni 2020, genummerd PL0900-2020164482-11, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 2065 tot en met 2070;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Voor-categorisering van 4 juni 2020, genummerd PL0900-2020164482-159, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina 565;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van 3 juni 2020, genummerd PL0900-2020164502-5, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, pagina’s 1655 tot en met 1664;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2020, genummerd PL0900-2020164482-216, met als bijlage de pagina’s 2089 tot en met 2096.

Overweging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank overweegt dat uit het feit dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde minderjarig was en nu ook nog steeds minderjarig is, het openbaar ministerie verdachte kennelijk verwijt dat hij dit wapen voorhanden heeft gehad terwijl hij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt zonder dit expliciet in de tenlastelegging op te nemen. De rechtbank herstelt deze kennelijk misslag in de bewezenverklaring.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 tenlastegelegde

[benadeelde 1] heeft verklaard dat er tussen 7 maart 2020 om 16.00 uur en 8 maart 2020 om 0.45 uur is ingebroken in zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] . Het bovenraam van de achterdeur was geforceerd. Uit de woning was een kluis met inhoud weggenomen. In deze kluis zaten drie horloges, trouwringen, oorbellen, een ketting, een ring met een rode steen en een geldbedrag van € 2.500,-. Daarnaast zijn er ook sieraden weggenomen.2

Uit afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte (met telefoonnummer [telefoonnummer] ) van 7 maart 2020 bleek het volgende.

Om 11.35 uur zegt de broer van verdachte tegen verdachte dat hij een paar goede locaties heeft en dat ze als beesten gaan toeslaan.3

Om 22.51 uur belt de broer van verdachte met de telefoon van verdachte naar hun moeder en zegt dat zij hen op moet komen halen en dat daar een hele dikke kluis is.4

Om 23.09 uur belt de broer van verdachte met de telefoon van verdachte naar hun moeder en zegt ‘ [straat] . Op de achtergrond zegt verdachte dat hij het naar haar heeft geappt.5

Om 23.17 uur belt de broer van verdachte met de telefoon van verdachte naar hun moeder en zegt hoe ze moet rijden. De moeder geeft de aanwijzingen door aan ‘ [A] ’.6

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat op 7 maart 2020 om 23.09 uur vanaf deze telefoon via WhatsApp de locatie ‘ [straat] is verzonden naar de telefoon van de moeder van verdachte. Dit bericht werd verzonden vanuit [woonplaats] .7

[aangever] heeft verklaard dat er op 31 mei 2020 tussen 12.30 uur en 18.30 uur is ingebroken in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] .8 De uitzetijzers van verschillende ramen waren geforceerd en stonden open.9 Hierbij is een kluis weggenomen, waarin sieraden zaten. Daarnaast is er een geldbedrag van € 60.000,- weggenomen en zijn er munten weggenomen.10

Uit afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte van 31 mei 2020 bleek het volgende.

Om 17.57 uur zegt verdachte tegen zijn moeder: “mama, we hebben een hele mooie”. De paallocatie betrof op dat moment de Dwarsweg in Epe.11

Om 18.04 uur belt de broer van verdachte met de telefoon van verdachte naar zijn vriendin, [A] , en zegt: “schat, we zijn onderweg naar huis”, waarop [A] vraagt of ze vissen hebben gevangen. De broer van verdachte zegt: “ik heb een hele grote dikke vis, een hele grote die helemaal vol zit met geklingelingeling”.12

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging de desbetreffende woninginbraken heeft gepleegd. Zonder andersluidende steekhoudende verklaring van verdachte, die ontbreekt, kan de inhoud van de afgeluisterde tapgesprekken – mede gelet op de locatie waar verdachte zich op dat moment bevond – niet anders worden begrepen dan dat deze betrekking hebben op de gepleegde inbraken waarbij kluizen zijn weggenomen met waardevolle inhoud. Uit de gesprekken kan verder worden opgemaakt dat het hier een vooropgezet plan betreft tussen meerdere personen, waaronder verdachte, zodat reeds om die reden van medeplegen kan worden gesproken. Of daadwerkelijk verdachte degene is geweest die de woning is binnengegaan, is in die zin irrelevant.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde

[getuige] heeft verklaard dat hij via de app Bullchat is benaderd door een persoon die vroeg of hij drugs wilde kopen. Verder heeft [getuige] verklaard dat hij op 18 april 2020 in Utrecht een afspraak had gemaakt met deze persoon om een fles GHB te kopen.13 Nadat [getuige] erachter kwam dat er geen GHB in de fles zat en hij zijn geld niet terugkreeg, wilde hij de persoon en de twee jongens die bij deze persoon waren, filmen met zijn telefoon. Een van de jongens trok de telefoon van [getuige] , een iPhone XR, uit zijn handen en rende ermee weg.14

In de woning van verdachte is op 3 juni 2020, tijdens een doorzoeking15, op zijn slaapkamer, deze telefoon gevonden16.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat de telefoon die van die man was afgepakt bij hem in huis lag17 en dat hij wist dat deze telefoon gestolen was.18

Bewijsoverweging

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij niet wist dat deze telefoon gestolen was. De rechtbank heeft echter geen reden te twijfelen aan de door de verdachte eerder bij de politie afgelegde verklaring, zodat zij van die verklaring uitgaat.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

in de periode van 15 februari 2020 tot en met 3 juni 2020 te Utrecht, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en mdma en amfetamine en metamfetamine, zijnde middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet;

2

op 3 juni 2020 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 37,43 gram MDMA en 21,16 gram cocaïne en 4,94 gram amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

op 3 juni 2020 te Utrecht een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, een nabootsing van een vuurwapen, te weten een pistool (merk Walther P22, kaliber 6mm BB), zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen voorhanden heeft gehad, terwijl hij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt;

4

in de periode van 15 februari 2020 tot en met 3 juni 2020 te Utrecht, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en meer personen, onder wie [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid van de Opiumwet, namelijk het (telkens) bereiden en bewerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en mdma en amfetamine en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet;

5

in de periode van 1 februari 2020 tot en met 9 april 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een aantal voorwerpen, te weten geldbedragen (contante stortingen op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 4] ) heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;

6

op 7 maart 2020 te [woonplaats] , gemeente De Bilt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, uit een woning (gelegen aan de [adres] ) een kluis (met inhoud) en sieraden (waaronder drie horloges en trouwringen en oorbellen en een ketting en een ring met rode steen) en een geldbedrag (te weten: 2500,00 euro), die geheel of ten dele toebehoorden aan [benadeelde 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

7

op 31 mei 2020 te Epe, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een kluis met daarin in grote hoeveelheid sierraden en een muntenverzameling, die toebehoorden aan [aangever] en/of [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

8

in de periode gelegen tussen 18 april 2020 tot en met 3 juni 2020 Utrecht, een goed, te weten een telefoon (merk iPhone XR) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

onder 1: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 2: Opzettelijk handelen in strijd met het artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 3: Handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie;

onder 4: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

onder 5: Medeplegen van eenvoudig witwassen;

onder 6 en 7: Telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

onder 8: Opzetheling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 156 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als (bijzondere) voorwaarden dat verdachte:

  • -

    meewerkt aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan de eerste 6 maanden bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering;

  • -

    zich houdt aan het locatiegebod en zich daartoe onder elektronisch toezicht zal stellen;

  • -

    zich onder behandeling zal stellen van De Waag;

- een werkstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen jeugddetentie;

- de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte, voor de duur van twee jaren, waarbij wordt bevolen dat verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan vordert de officier van justitie voor iedere overtreding 1 week vervangende jeugddetentie, met een maximum van 3 maanden.

De officier van justitie heeft daarbij gevorderd te bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ter zake van het door de officier van justitie onder 3 bewezen geachte, heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een werkstraf van 20 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafmatigende zin rekening gehouden moet worden met de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Omdat verdachte moet worden vrijgesproken van de twee woninginbraken, kan de eis van de officier van justitie ook om die reden niet gevolgd worden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende meer dan drie maanden in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Ook heeft hij harddrugs en een nabootsing van een vuurwapen in bezit gehad. Het gebruik van drugs is schadelijk voor de gezondheid van gebruikers. De handel in drugs vormt bovendien een schakel in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht. Verdachte heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin ten koste van de volksgezondheid en daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van het geld dat hij verdiende met de drugshandel. Door witwassen wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Verdachte heeft eraan meegewerkt dat de opbrengst van gepleegde misdrijven aan het zicht werd onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee woninginbraken. Woninginbraken zijn ernstige strafbare feiten. Het handelen van verdachte en zijn mededader(s) was uitsluitend gericht op het verrijken van zichzelf. Zij hielden daarbij geen rekening met de gevolgen voor de slachtoffers, voor wie een woninginbraak niet alleen schade en overlast veroorzaakt, maar ook een gevoel van onveiligheid creëert op een plaats waar zij zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen. Dergelijke misdrijven veroorzaken bovendien ook in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 9 september 2020 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Verdachte liep ten tijde van de onderhavige feiten nog in de proeftijd van een voorwaardelijke straf, ook dat weerhield hem niet van het plegen van de onderhavige feiten.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het Pro Justitia rapport naar aanleiding van een psychologisch onderzoek, van 14 augustus 2020, opgemaakt door drs. S. Verhaaren, GZ-psycholoog. Daarin komt naar voren dat verdachte een benedengemiddeld intelligente tot licht verstandelijk beperkte jongen is met ADHD, een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een aantal gebrekkige executieve functies. Verdachtes gedragskeuzes ten aanzien van de verdenking van handel in harddrugs en het in bezit hebben van harddrugs, lijken te zijn beïnvloed door met name de vastgestelde verminderde cognitieve vermogens en ADHD. Voor zowel het in bezit hebben van harddrugs als de handel in harddrugs, wordt geadviseerd om verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Voor de delen die verdachte bekent en waarbij geadviseerd wordt hem deze in verminderde mate toe te rekenen, wordt geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen waarbij de ITB Harde Kern wordt voortgezet. Ook wordt geadviseerd als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling op te leggen, ter voorkoming van recidive en om de ontwikkeling van verdachte te stimuleren. Het recidiverisico wordt ingeschat op matig tot hoog.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige ten aanzien van het (al dan niet in verminderde mate) toerekenen van de begane feiten aan de verdachte over.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 10 september 2020, opgesteld door R.J. Verhoek. Daarin komt naar voren dat de risicofactoren zoals vermeld in het rapport van de Raad van december 2019 ten aanzien van een andere strafzaak tegen verdachte, nog steeds aanwezig zijn. Op het oog leek verdachte het afgelopen anderhalf jaar positief te functioneren, maar gezien de onderhavige verdenkingen hebben zich het afgelopen half jaar verschillende risicofactoren voorgedaan waar vanuit de thuissituatie geen zicht op was. Onderhavig delictgedrag kan voor een deel verklaard worden door de risicofactoren waar de Raad in december 2019 over gerapporteerd heeft. Voor het voorkomen van herhaling op korte termijn, is er een ITB Harde Kern traject gestart. Om herhaling op langere termijn ter voorkomen is het belangrijk dat verdachte middels training en behandeling met name meer inzicht krijgt in het leren overzien van gevolgen van zijn eigen keuzes en zijn eigen kwetsbaarheid in contact met antisociale leeftijdsgenoten. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich in het kader van Toezicht en Begeleiding zal laten begeleiden, waarvan zes maanden zullen bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern;

- zich houdt aan het locatiegebod en zich ter controle onder elektronisch toezicht zal stellen;

- zich onder behandeling zal stellen van de Waag;

- geen contact heeft met de medeverdachten.

Verder heeft de rechtbank gelet op het advies van Samen Veilig Midden-Nederland van 14 september 2020, opgesteld door N. el Addouti. Daarin komt naar voren dat het op dit moment wenselijk lijkt de huidige begeleiding te continueren. De afgelopen periode heeft verdachte zich goed aan de afspraken en aanwijzingen gehouden. Het is vooral belangrijk dat verdachte zich op zijn toekomst gaat richten en de positieve ontwikkeling blijft vasthouden. Geadviseerd wordt aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich in het kader van Toezicht en Begeleiding zal laten begeleiden, waarvan zes maanden zullen bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern;

- zich houdt aan het locatiegebod en zich ter controle onder elektronisch toezicht zal stellen;

- zich onder behandeling zal stellen van de Waag;

- geen contact heeft met de medeverdachten.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan zo ernstig dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie van langere duur daarop een passende sanctie is.

In beginsel zou een langere gevangenisstraf dan verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, gerechtvaardigd zijn. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het op dit moment opnieuw gedetineerd raken van verdachte niet in het belang van de verdere ontwikkeling van verdachte is. Een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte is een belangrijk uitgangspunt bij het opleggen van een straf en/of maatregel. Gelet hierop en op de jonge leeftijd van verdachte, zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het ondergane voorarrest. De rechtbank zal hem daarnaast tevens een werkstraf opleggen van na te noemen duur.

Voor het niet opheffen van de voorlopige hechtenis zoals door de officier van justitie gevraagd, biedt de wet geen ruimte.

Voor de onder 3 bewezenverklaarde overtreding, zal de rechtbank aan verdachte ook een werkstraf opleggen van na te noemen duur.

Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden, te weten toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan de eerste zes maanden bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern, een locatiegebod met elektronische controle en een behandeling bij De Waag.

De rechtbank ziet, gelet op het recidivegevaar, voorts aanleiding om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor de duur van 2 jaren.

Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van 1 week, met een maximum van 3 maanden.

De rechtbank overweegt dat de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt.

9 BESLAG

Onder verdachte zijn goederen inbeslaggenomen, zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd te beslissen zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 6.550,-, dat op de slaapkamer van de moeder van verdachte is aangetroffen, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de rechtbank daarover in deze zaak geen beslissing kan nemen, aangezien dit niet onder verdachte in beslag is genomen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet van alle goederen kan worden vastgesteld dat zij uit de baten of door middel van de strafbare feiten zijn verkregen. De inbeslaggenomen kleding en geldbedragen dienen daarom te worden teruggegeven aan verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal beslissen overeenkomstig de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

Ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen drugs en toebehoren, messen en het nepvuurwapen en toebehoren overweegt de rechtbank dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte wordt verdacht, aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Zij zullen dan ook worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen merkkleding en geldbedragen overweegt de rechtbank dat de rechtbank ervan uitgaat dat deze zijn verkregen uit de baten of door middel van de strafbare feiten. Verdachte heeft immers geen legale inkomsten die het bezit van deze kleding en geldbedragen verklaren en voor het overige heeft verdachte ook geen aannemelijke verklaring afgelegd hoe deze goederen op een legale wijze in zijn bezit zijn gekomen. Deze goederen zullen dan ook verbeurd worden verklaard.

Ten aanzien van het geldbedrag dat in de slaapkamer van de moeder van verdachte is aangetroffen, zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu dit geldbedrag niet onder verdachte (maar onder moeder) in beslag is genomen.

Bij het opleggen van de verbeurdverklaring heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

10 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 9.417,-. Dit bedrag bestaat uit € 9.122,- materiële schade en € 295,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 6 tenlastegelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De materiële schade ter hoogte van in totaal € 9.122,- komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 maart 2020 tot de dag van volledige betaling

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade bij gebrek aan een wettelijke grondslag afwijzen. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat gevoelens van angst en onveiligheid of verlies van emotionele goederen niet aangemerkt worden als psychische schade. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 9.122,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 maart 2020 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal, omdat verdachte minderjarig is, geen vervangende gijzeling opleggen.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 24 januari 2020 (parketnummer 16/041128-19) is aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, opgelegd.

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging te gelasten van deze voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    33, 33a, 36b, 36d, 36f, 38v, 77we, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 11b van de Opiumwet; en

  • -

    26 en 54 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 200 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 156 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zijn medewerking verleent aan de maatregel van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, waarvan de eerste 6 maanden zullen bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern;

* zich zal laten behandelen door De Waag, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

* aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] te [woonplaats] . Daarbij heeft verdachte een aaneengesloten blok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling) zoals met de jeugdreclassering wordt afgesproken, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het locatiegebod zal gecontroleerd worden door middel van een elektronisch controlemiddel;

- waarbij Samen Veilig Midden Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen jeugddetentie;

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren;

- beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 1 week jeugddetentie, met een maximum van 3 maanden;

Oplegging straf ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 20 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 10 dagen jeugddetentie;

Beslag

- beslist overeenkomstig hiervoor onder rubriek 9 is vermeld en zoals weergegeven in de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [benadeelde 1] ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde toe tot een bedrag van € 9.122,-;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2020 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- wijst de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 9.122,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2020 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/041128-19

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in deze rechtbank bij vonnis van 24 januari 2020 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. R.L.M. van Opstal en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2020.

Mr. Verkuijlen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2020 tot

en met 3 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (telkens) hoeveelhe(i)d(en)

van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of mdma en/of

amfetamine en/of metamfetamine, zijnde (een) middel(en) als bedoeld op lijst I

van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de

Opiumwet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 3 juni 2020 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 37,43

gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 21,16

gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 4,94

gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevatttende amfetamine,

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

3

hij op of omstreeks 3 juni 2020 te Utrecht een wapen van categorie IV, onder 7 van

de Wet wapens en munitie, een nabootsing van een vuurwapen, te weten een

pistool (merk Walther P22, kaliber 6mm BB), zijnde een voorwerp waarvan, gelet

op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen,

redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan

personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen en/of voorhanden heeft

gehad;

( art 27 lid 1 Wet wapens en munitie )

4

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2020 tot

en met 3 juni 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan

een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en

één of meer perso(o)n(en), onder wie [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid en/of artikel 11 derde en vijfde lid van de

Opiumwet, namelijk het (telkens) bereiden, bewerken en/of verwerken en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig

hebben van (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende

cocaïne en/of heroïne en/of mdma en/of amfetamine en\of metamfetamine,

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 11b lid 1 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

5

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot

en met 9 april 2020 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, (een) aantal voorwerp(en), te weten (een)

geldbedrag(en) (contante stortingen op de bankrekening van medeverdachte

[medeverdachte 4] ) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die

voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren

uit enig (eigen) misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond b, 420bis1 Wetboek van Strafrecht )

6

hij op of omstreeks 7 maart 2020 te [woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) een kluis (met inhoud) en/of

sieraden (waaronder drie horloges en/of trouwringen en/of oorbellen en/of een

ketting en/of een ring met rode steen) en/of een geldbedrag (te weten: 2500,00

euro), in elk geval enig(e) goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1]

, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of

verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht,

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

7

hij op of omstreeks 31 mei 2020 te Epe, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, een kluis met daarin in grote hoeveelheid sierraden en/of

een muntenverzameling, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever]

en/of [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht,

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

8

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 18 april 2020 tot en met 3 juni 2020

Utrecht, althans in Nederland (telkens) een goed, te weten een telefoon (merk

iPhone XR) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij

ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed

betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a

Wetboek van Strafrecht )

Bijlage II: de beslaglijst

voorwerp goednr toelichting beslissing

Nepvuurwapen 2638134 slaapkamer verdachte onttrekking

“toebehoren 2638316 slaapkamer verdachte onttrekking

Messen 2638135 slaapkamer verdachte onttrekking

2638142 slaapkamer verdachte onttrekking

2638146 slaapkamer verdachte onttrekking

2638451 slaapkamer verdachte onttrekking

2638460 slaapkamer verdachte onttrekking

2638466 slaapkamer verdachte onttrekking

Drugs 2638233 slaapkamer verdachte onttrekking

2638274 slaapkamer verdachte onttrekking

2638366 slaapkamer verdachte onttrekking

2638387 slaapkamer verdachte onttrekking

2638401 slaapkamer verdachte onttrekking

2638411 slaapkamer verdachte onttrekking

“toebehoren 2638158 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638282 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638295 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638303 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638332 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638353 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638356 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638350 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638414 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638450 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638453 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638454 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

2638458 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

638461 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

€ 100,00 2638417 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

€ 50,00 2638423 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

€ 30,00 2638440 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

100 dollar 2638420 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Bankp. [medeverdachte 4] 2638407 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Dealtelefoon 2638360 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Dealtelefoon 2638459 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Dealtelefoon 2638462 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Gucci riem 2638165 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Prada bril 2638212 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Muts 2638277 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

ST petje 2638279 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

NF jas 2638284 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Givenchy trui 2638288 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Kenzo shirt 2638292 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Kenzo trui 2638294 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

ST trui 2638297 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Fendi trui 2638300 slaapkamer verdachte verbeurdverklaring

Nokia E72 2638138 retour rechthebbende

Samsung 2638143 retour rechthebbende

Blackberry 2638144 retour rechthebbende

USB-stick 2638148 retour rechthebbende

Simkaart 2638151 retour rechthebbende

Fotocamera 2638153 retour rechthebbende

Laptop 2638175 retour rechthebbende

Kluis 2638172 retour rechthebbende

Horloge 2638180 retour rechthebbende

Horloge 2638189 retour rechthebbende

Horloge 2638195 retour rechthebbende

Horloge 2638198 retour rechthebbende

Horloge 2638199 retour rechthebbende

Horloge 2638202 retour rechthebbende

Camera 2638193 retour rechthebbende

Camera 2638203 retour rechthebbende

Nokia 710 2638210 retour rechthebbende

Spaarpot 2638213 retour rechthebbende

Sony Xperia 2638218 retour rechthebbende

Iphone 2638222 retour rechthebbende

USB 2638224 retour rechthebbende

USB 2638231 retour rechthebbende

USB 2638232 retour rechthebbende

USB 2638236 retour rechthebbende

USB 2638238 retour rechthebbende

USB 2638242 retour rechthebbende

Geheugenk. 2638247 retour rechthebbende

Geheugenk. 2638249 retour rechthebbende

Geheugenk. 2638250 retour rechthebbende

Simkaart 2638254 retour rechthebbende

Simkaart 2638258 retour rechthebbende

Playstation 2638317 retour rechthebbende

Horloge 2638321 retour rechthebbende

2638325 retour rechthebbende

Tablet 2638391 retour rechthebbende

Playstation 2638426 retour rechthebbende

Iphone 2638464 retour rechthebbende

Iphone 2638465 retour rechthebbende

Nokia 2638467 retour rechthebbende

Homtom 2638469 retour rechthebbende

Aantekening 2638468 retour rechthebbende

J&J bodyw. 2638272 slaapkamer verdachte retour rechthebbende

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal in het onderzoek 09Robijn, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2096. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte, pagina 1779.

3 Proces-verbaal restinformatie, pagina 1759 in combinatie met pagina 1762.

4 Proces-verbaal restinformatie, pagina 1760 in combinatie met pagina 1769.

5 Proces-verbaal restinformatie, pagina 1760 in combinatie met pagina 1773.

6 Proces-verbaal restinformatie, pagina 1760 in combinatie met pagina’s 1777 en 1778.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1960 in combinatie met pagina 1963.

8 Proces-verbaal aangifte, pagina 1806.

9 Proces-verbaal aangifte, pagina 1807.

10 Proces-verbaal aangifte, pagina 1808.

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1784 in combinatie met pagina 1799.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1784 in combinatie met pagina 1802.

13 Proces-verbaal aangifte, pagina 322.

14 Proces-verbaal aangifte, pagina 323.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1338.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 566.

17 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, pagina 1878.

18 Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, pagina 1879.