Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4108

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1720
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, intrekking en herziening bijstand vanwege kasstortingen en bijschrijving, terugvordering, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1720

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Kouw),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.D. Klasen).

Inleiding en procesverloop

1.1.

Eiser, geboren op [1989] , ontvangt sinds 23 november 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een inkomensconsulent is door Team Handhaving van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het Tip-rapport van 4 oktober 2019. In het kader van dit onderzoek zijn bankafschriften opgevraagd. Hieruit blijkt van een bijschrijving en stortingen op de bankrekening van eiser in de maanden april en mei 2019. Op 18 april 2019 respectievelijk 3 mei 2019 hebben stortingen plaatsgevonden op de bankrekening van eiser van
€ 3.000,- respectievelijk € 320,-. Op 8 mei 2019 is een bedrag van € 320,- bijgeschreven op de bankrekening van eiser, afkomstig van [A] , een neef van eiser ( [A] ).

1.3.

Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser over de maand april 2019 ingetrokken en over de maand mei 2019 herzien, omdat de kasstortingen en de bijschrijving moeten worden aangemerkt als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31 van de Pw, en meer in het bijzonder als in aanmerking te nemen inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw. Voorts heeft verweerder kosten van ten onrechte verleende bijstand tot een netto bedrag van € 1.665,55 van eiser teruggevorderd. Verweerder heeft het terugvorderingsbedrag niet gebruteerd omdat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht.

1.4.

Bij besluit van 26 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.5.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.6.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020 door middel van een beeld- en geluidverbinding (Skype). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw Naji. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Intrekking en herziening

1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen als in aanmerking te nemen inkomsten heeft aangemerkt, omdat verweerder niet heeft onderkend dat de bijschrijving en storting geen periodiek karakter hebben.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen als in aanmerking te nemen middelen heeft aangemerkt, omdat verweerder niet heeft onderkend dat hij niet vrijelijk over de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen kon beschikken voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. De bijgeschreven en gestorte bedragen heeft eiser voor een specifiek doel geleend van [A] . Eiser is deze leningen aangegaan om in te lopen op de huurachterstand en op andere achterstanden. Eiser heeft de geleende bedragen direct na ontvangst daarvan gebruikt voor het aflossen van de huurachterstand en voor andere betalingsachterstanden.

3. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Daaraan ligt het volgende ten grondslag.

3.1.

Vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 is dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden beschouwd.
Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.
Dat sprake zou zijn van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak van de CRvB als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt.2Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

3.2.

Eiser heeft naar eigen zeggen bedragen van [A] geleend die op zijn bankrekening zijn bijgeschreven of zijn gestort en die eiser direct na ontvangst heeft aangewend om huurachterstanden en overige betalingsachterstanden te betalen. Vaststaat dat [A] op 8 mei 2019 een bedrag heeft overschreven naar de bankrekening van eiser alsook dat op 18 april 2019 respectievelijk op 3 mei 2019 stortingen op eisers bankrekening zijn verricht.
Gelet op het voorgaande is sprake van ontvangen gelden met een periodiek karakter.

3.3.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet vrijelijk kon beschikken over de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen.
Eiser kon door de kasstortingen en de bijschrijving op zijn bankrekening feitelijk over deze bedragen beschikken en kon deze bedragen aanwenden voor zijn levensonderhoud. Dit heeft eiser, gezien zijn in deze procedure ingenomen stellingen, ook gedaan. Eiser heeft immers verklaard dat hij de bijgeschreven en gestorte bedragen onder meer heeft gebruikt voor de betaling van huurachterstanden. Dit zijn nu juist wel algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
De stelling dat eiser leningen is aangegaan met een specifiek doel, nog los van de vraag of daadwerkelijk sprake is van leningen, laat onverlet dat eiser feitelijk over de bijgeschreven en gestorte bedragen kon beschikken. Uit de eerst achteraf opgestelde schriftelijke verklaring van [A] over de gestelde leningen, blijkt niet van bestedingsvoorwaarden. De omstandigheid dat het door eiser op 18 april 2019 aan zijn verhuurder betaalde bedrag inzake achterstallige huur niet correspondeert met en lager is dan het op 18 april 2019 gestorte bedrag, duidt evenmin op het bestaan van bestedingsvoorwaarden.

4. Eiser voert aan dat hij met de intrekking, herziening en de terugvordering ten onrechte driedubbel wordt gestraft. In de eerste plaats heeft eiser door een eerder door verweerder opgelegde maatregel al een periode ver onder bijstandsniveau geleefd, waardoor er achterstanden zijn ontstaan. In de tweede plaats moet eiser invorderingskosten betalen in verband met de betalingsachterstanden. In de derde plaats worden de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen in mindering gebracht op zijn bijstand.

5. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Intrekking, herziening en terugvordering van bijstand zijn in een geval als hier aan de orde gericht op herstel in de rechtmatige toestand en hebben daarmee een reparatoir karakter3. Van een punitieve sanctie is geen sprake.

6. Eiser voert aan dat verweerder het recht op bijstand niet mocht intrekken en herzien omdat hij niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte bijstand ontving. Ter motivering van deze beroepsgrond verwijst eiser naar Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 76. Verweerder heeft in het procesdossier zelf het standpunt ingenomen dat eiser ‘mogelijk door de taalbarrière niet volledig op de hoogte is geweest van zijn plichten’.

7. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Inzicht in de financiële situatie is van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Eiser had dit redelijkerwijs kunnen weten. In het kader van het aanvragen van bijstand en de beoordeling daarvan is immers de financiële situatie van de bijstandsaanvrager van belang en worden de door de bijstandsverlener daarover verstrekte gegevens beoordeeld. Eiser had dus ook redelijkerwijs kunnen weten dat een verandering in zijn financiële situatie van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat verweerder voor mogelijk heeft gehouden dat eiser door een taalbarrière niet op de hoogte is geweest van de op hem rustende plicht om veranderingen in zijn financiële situatie bij verweerder te melden en dat verweerder daarom heeft afgezien van het opleggen van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht.

Terugvordering

8. Eiser voert aan dat verweerder niet mag terugvorderen indien verweerder in redelijkheid niet kan overgaan tot intrekking en herziening van het recht op bijstand.

9. Gelet op wat onder 2. tot en met 7. is overwogen en geoordeeld, slaagt deze grond niet.

10. Eiser voert aan dat terugvorderen op grond van artikel 58, tweede lid, van de Pw een bevoegdheid is van verweerder en dat het discretionaire karakter hiervan met zich brengt dat verweerder de rechtstreeks bij het terugvorderingsbesluit betrokken belangen moet afwegen.

Eiser heeft financiële problemen, die zich al voordoen omdat verweerder tot daadwerkelijke invordering is overgegaan. Met de terugvordering wordt eiser ten onrechte driedubbel gestraft. Ook is van belang dat verweerder het standpunt heeft ingenomen dat eiser mogelijk door een taalbarrière niet volledig op de hoogte is geweest van zijn plichten.

Eiser voert aan dat verweerder op grond van bijzondere omstandigheden van de ter zake geldende beleidsregels moet afwijken dan wel op grond van dringende redenen van terugvordering moet afzien.

11. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van terugvordering. De enkele, niet onderbouwde verwijzing naar zijn financiële problemen is daartoe onvoldoende4. Ook eisers gevoel dat hij gestraft wordt5 en de omstandigheid dat verweerder voor mogelijk heeft gehouden dat eiser door een taalbarrière niet op de hoogte is geweest van de op hem rustende plicht om veranderingen in zijn financiële situatie bij verweerder te melden, kunnen niet worden aangemerkt dringende redenen op grond waarvan verweerder van de terugvordering had moeten afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1055) respectievelijk 17 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:818).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van respectievelijk 22 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138), 23 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB: 2013:1106) en 4 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:705).

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:541), r.o. 5.13.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1064).

5 Zie in dit verband wat onder 5. staat.