Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4098

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
16/249810-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging van twee politieagenten, belaging van ex-vrouw en smaad tot een gevangenisstraf van 102 dagen met aftrek.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de bevindingen van de deskundigen dat verdachte (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar is, mede als gevolg van niet aangeboren hersenletsel. In het reclasseringsadvies, wordt aangegeven dat verdachte hulp en begeleiding nodig heeft, maar dat het forensische kader niet het juiste kader is. Daarom legt de rechtbank geen voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op.

Vrijspraak voor bedreiging van een medewerker van Altrecht. Verdachte heeft een medewerker van Altrecht wie zij aan de telefoon had bedreigd door te zeggen dat zij de gasleiding van haar woning heeft doorgesneden. Deze bedreiging is niet gericht aan de medewerker van Alterecht.

Uit het dossier blijkt wel dat men vreesde voor een ontploffing die direct gevaar en schade voor de omwonenden tot gevolg zou kunnen hebben.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed ook op het spel kan staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking heeft. Vereist is dat er sprake is van een voldoende nauwe relatie tussen de degene tegen wie de bedreiging wordt geuit (vreesobject) en degene tegen wie de bedreiging is gericht(schadeobject). Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het onderhavige geval deze nauwe relatie tussen het vreesobject, de medewerker van Altrecht, en het schadeobject, de onbekend gebleven personen/omwonenden voor wie de eventuele verwezenlijking van de bedreiging een gevaar had kunnen opleveren. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de uitlatingen van verdachte aan de medewerker van Altrecht een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de medewerker opleveren als een bedreiging die op de medewerker zelf betrekking had gehad. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging van de medewerker van Altrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/249810-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. W.B. Gaasbeek en van hetgeen verdachte en mr. S. Wortel, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 17 oktober 2019 te Utrecht een medewerker van Altrecht heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en met brandstichting;

feit 2:

op 17 oktober 2019 te Utrecht [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling;

feit 3:

in de periode van 21 september 2018 tot en met 16 juli 2019 te Utrecht [slachtoffer]
heeft belaagd;

feit 4:

op 14 augustus 2019 te Utrecht de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft
aangerand door één filmpje op YouTube te plaatsen waarop te horen is dat verdachte zegt dat die [benadeelde] haar heeft geschopt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarvoor op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de onder feit 4 ten laste gelegde smaad. Het filmpje is op YouTube gezet, maar het is slechts vier keer bekeken. Er is daarom niet voldaan aan het voor smaad vereiste ‘ruchtbaarheid geven’.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat, omdat alleen getuige [getuige 1] de bedreiging zoals ten laste gelegd heeft gehoord.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de agenten zich niet bedreigd kunnen hebben gevoeld. Zij stonden op vijf meter afstand van verdachte en achter een schutting. Bovendien had verdachte geen koksmes in haar hand, maar een paletmes. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van belaging. Verdachte wilde in contact komen met aangeefster om de boedel te verdelen, zoals gebruikelijk is wanneer je gaat scheiden. Bovendien was het contact alleen gericht aan de broer van aangeefster en haar collega’s en met betrekking tot de gestuurde e-mails kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat deze door verdachte zijn gestuurd.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte het filmpje niet zelf op YouTube heeft gezet en dat niet kan worden vastgesteld dat het filmpje openbaar toegankelijk was. Het is bovendien maar door vier mensen bekeken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

Onder feit 1 is verdachte ten laste gelegd dat zij [getuige 1] – een medewerker van Altrecht die verdachte op 17 oktober 2019 aan de telefoon kreeg – heeft bedreigd door tegen deze [getuige 1] te zeggen dat zij de gasleiding van haar eigen woning heeft doorgesneden, haar huis heeft gebarricadeerd en dat niemand erin komt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het dossier niet blijkt dat [getuige 1] zich in de directe nabijheid van de woning van verdachte bevond. Daaruit volgt dat de (be)dreiging die van de woorden van verdachte uitging zich niet direct tegen [getuige 1] richtte. Uit het dossier blijkt wel dat men vreesde voor een ontploffing die direct gevaar en schade voor de omwonenden tot gevolg zou kunnen hebben.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed ook op het spel kan staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking heeft (Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400). De bedreiging kan kortom tegen de een zijn gericht, terwijl zij tegen de ander wordt geuit.

Dit betekent echter niet dat elke mededeling dat een ander iets zal worden aangedaan, een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Vereist is dat er sprake is van een voldoende nauwe relatie tussen de degene tegen wie de bedreiging wordt geuit (vreesobject) en degene tegen wie de bedreiging is gericht(schadeobject). Hierbij kan gedacht worden aan een familieverband, zoals een bloedverwantschap in de eerste graad. Wanneer bijvoorbeeld een moeder wordt bedreigd met de mededeling dat haar kind iets zal worden aangedaan, dan kan dit een inbreuk opleveren op de persoonlijke vrijheid van de moeder (vgl. Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1790).

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het onderhavige geval deze nauwe relatie tussen het vreesobject, [getuige 1] van Altrecht, en het schadeobject, de onbekend gebleven personen/omwonenden voor wie de eventuele verwezenlijking van de bedreiging een gevaar had kunnen opleveren. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de uitlatingen van verdachte aan [getuige 1] een vergelijkbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [getuige 1] opleveren als een bedreiging die op [getuige 1] zelf betrekking had gehad. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging van [getuige 1] .

Bewijsmiddelen feit 2 1

Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [hoofdagent 1] :

De straten als benoemd in dit proces verbaal bevinden zich in de stad Utrecht. Op 17 oktober 2019 kreeg ik de melding om te gaan naar de [adres] . Aldaar zou de bewoonster genaamd [verdachte] , de gasleiding hebben doorgesneden in haar woning en zij zou hebben gezegd de woning op te blazen. Ik, verbalisant, ben vervolgens met collega [hoofdagent 2] naar de achterzijde van de woning gelopen via de tuin van perceelnummer [nummer] . Toen ik verbalisant [hoofdagent 1] via een stoel tegen het hek van [verdachte] op klom kwam [verdachte] naar buiten via de achterdeur naar de tuin. Ik hoorde haar zeggen dat ik niet de tuin in mocht komen en dat wanneer ik dat wel deed zij haar honden tegen mij in zou zetten. Ik zag dat ze hierna weer naar binnen ging. Ik zag dat ze kort hierop weer naar buiten kwam en een groot vleesmes in haar handen had. Ik zag en hoorde dat ze tegen mij en collega [hoofdagent 2] zei: "Kom maar de tuin in." of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat ze hierbij zwaaide met het mes in onze richting. Ik zag dat ze hierbij op ongeveer 3 meter van mij af stond.2

Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [hoofdagent 2] :

Ik zag en hoorde dat de verdachte naar ons keek en riep, "als jullie mij tuin betreden dan stuur ik mijn honden op jullie af". Ik schrok op dat moment best wel omdat ik weet dat de verdachte twee herdershonden heeft waarvan er één van de politie is geweest, daardoor voelde ik mij bedreigd. Ik zag dat de verdachte de tuindeur weer dicht deed. Ik zag dat direct daarna de tuindeur weer openging. Ik zag en hoorde dat de verdachte weer naar ons keek en nu een groot mes in haar handen had en dat ze riep "kom maar kom maar deze kant op" Ik zag dat terwijl ze dat zei de punt van het mes in onze richting wees. Ik schrok wederom van deze bedreiging. Ondanks dat er een hek tussen ons inzat schoot het even door mijn hoofd wat als ze dit grote mes mijn richting op gooit. Ik voelde mij bedreigd door deze bedreiging.3

Een proces-verbaal van verhoor verdachte:

Ik moet wel vermelden dat ik wel met een mes bezig was. Het kan dat ik daarmee gezwaaid heb: zo van je komt niet mijn tuin in.4

V: Wat voor mes had je vast gehad?

A: Een koksmes.5

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de agenten heeft bedreigd met zware mishandeling. Daarbij heeft de rechtbank niet alleen gekeken naar de aard van de uitlatingen maar ook naar de omstandigheden waaronder en de context waarbinnen die uitlatingen zijn gedaan. Verdachte heeft in korte tijd tot twee keer toe dreigende uitlatingen gedaan richting de agenten, eerst door te dreigen haar twee herdershonden los te laten en daarna door te dreigen met een groot koksmes. Deze dreigende uitlatingen vonden plaats kort nadat de politie een melding had gekregen dat verdachte een gasleiding in haar eigen huis zou hebben doorgesneden. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat bij verbalisanten [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar dreigementen waar zou gaan maken.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij geen koksmes, maar een paletmes in haar hand had. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gelet op de eerdere verklaringen van verdachte bij de politie dat zij een koksmes in haar hand had.

Bewijsmiddelen feit 3:

Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] :

Ik doe aangifte van stalking. Ik ben in het jaar 2002 getrouwd met [verdachte] . Sinds dat ik in september 2018 ben weggegaan bij [verdachte] is de ellende begonnen.

[verdachte] kon het niet accepteren dat ik bij haar weg ben gegaan. Zij heeft constant

contact gezocht via omwegen bij mijn vrienden, broer en werkgever om te achterhalen waar ik woon. Sinds dat ik weg ben gegaan bij [verdachte] , weet zij niet waar ik woonachtig ben. Ik wil absoluut niet dat dit bekend is bij [verdachte] . Zij probeert

echter met man en macht mijn adresgegevens te achterhalen. Dit doet zij door onder

andere diverse mensen van mijn werk, broer door hun te mailen en te appen etc. Tevens probeert [verdachte] mij zwart te maken bij mijn werkgever [werkgever] door te vertellen dat ik drugs gebruik, dat ik steel en dat ik medicijnen gebruik in de hoop dat ik mijn baan hierdoor kwijt raak. Ik ben bang dat ik door al deze beschuldigen daadwerkelijk mijn baan kwijt raak. Ik heb [verdachte] op alle fronten geblokkeerd zodat [verdachte] niet rechtstreeks contact met mij kan opnemen. Dit doet zij alleen via allerlei omwegen bij mijn broer, collega's en vrienden. Deze berichten overhandig ik u, zodat u deze bij de aangifte kunt voegen. Op 11 juli 2019, heb ik van mijn werkgever een brief ontvangen waarin vermeld staat dat het kantoor van schoonmaakbedrijf [werkgever] regelmatig telefonisch wordt benaderd door mijn ex vrouw [verdachte] . Dat zij op een zeer drammerige en slinkse wijze probeert te achterhalen wat mijn nieuwe adres is. Ik ben door deze aantijgingen zeer beperkt in mijn doen en laten. Het beheerst mijn leven en ik vind het lastig om de dag goed door te komen. Bij de aangifte zijn diverse stukken gevoegd6

Gevoegde bijlagen bij het proces-verbaal van aangifte:

Mail kantoor [werkgever]

11 juli 2019

Geachte mevrouw [aangever] , beste [aangever]

Met deze brief wil ik je informeren dat de medewerkers op het kantoor van

Schoonmaakbedrijf [werkgever] , regelmatig telefonisch worden benaderd door jouw ex-vrouw; mevr. [verdachte] , die op zeer drammerige- en slinkse wijze probeert erachter te komen wat jouw nieuwe adres is. Dit wordt als zeer vervelend ervaren.7

Met vriendelijke groet,

Schoonmaakbedrijf [werkgever]

E-mail [verdachte] aan [werkgever] (werkgever aangever)

Van: [werkgever] < [e-mail] .nl>

Datum: 15 juli 2019 om 12:43:45 CEST

Aan: " [e-mail] @ziggo.nl" < [e-mail] @ziggo.nl> _ ..

Onderwerp: FW: Beste mevr [werkgever] . In dien u personeel, in gebroken heeft krijgt u bericht, wij zetten personen op zwarte lijst8

Whatsapp [aangever]

[28-05-19 16:40:23] [verdachte] 2018: Als ik jou zus tegen kom, dan weet ze wat er gebeurt met al die problemen Waar ik nog steeds tegen aan loop9

[23-04-19 12:36:19] [verdachte] 2018: Ik wil mijn erfgoed terug en al niets op internet zetten, en jij krijgt wat van je zus is10

[15-01-19 11:53:36] [verdachte] 2018: Ik lieg nooit, en samen met mia, [werkgever] krijgt bewijs stelen, bel haar maar, ik blijf het hats lachen jij kent me echt niet, jij en je zus moeten uit kijken ik ben niet bang, voor jullie, als je wilt. Weten wie ik echt kan zijn bel de politie hahaha11

[27-12-18 12:32:05] [verdachte] 2018: Ik weet dat ze een man heeft Maakniet uit ze zal boeten hihi12

Messenger [aangever]

[B]

Beste [verdachte] , ik heb zojuist contact gehad met jou advocaat en die weet helemaal nergens van, er ligt dus ook helemaal niets bij de rechter volgens jou advocaat.

Ik heb afgesproken met hem dat hij mij laat weten wat er verder gaat gebeuren.

Verder verzoek ik je vriendelijk om GEEN contact met mij of [A] te zoeken hierover alles gaat vanaf nu via de advocaat. En [aangever] wil het netjes en rustig afwikkelen maar jij blijft maar moeilijk doen dus als de scheiding

zolang gaat duren dan is dat jou eigen schuld.

Groetjes [B] .

17 okt. 2018 17:4513

[verdachte]

En vergeet niet, dat ik meer weet dan jij ik kan er voor zorgen dat ze haar baan verliest, laat haar mij niet boos maken ik ben niet gek.

10 okt. 2018 12:4614

Verklaring [getuige 2]

Mevrouw [verdachte] gaf dan als antwoord dat ze er alles aan zou doen om mevrouw [aangever] kapot te maken. Ze uitte behoorlijk wat bedreigingen richting mevrouw [aangever] . Ondanks het feit dat ik aangaf dat dat voor niemand iets zou oplossen, was zij van mening dat ik er nog wel achter zou komen, waar zij toe in staat is. Ze zou er voor zorgen dat ze kapot ging. Ze bleef maar doorgaan en ik werd het zat om het aan te moeten horen. Ik heb er uiteindelijk voor gekozen het contact met haar te verbreken en haar te blokkeren op Facebook.15

Een proces-verbaal van bevindingen:

Ik vroeg de heer [aangever] wat hij mij kon vertellen over de stalking van zijn zus

[aangever] door haar ex, [verdachte] . Ik hoorde hem zeggen dat hij bij het opnemen van de aangifte aanwezig was geweest. Hij was degene die alle berichten van [verdachte] had ontvangen omdat zij geen direct contact kreeg met zijn zus. Ook de werkgever van zijn zus was lastig gevallen door [verdachte] . Hij vertelde verder dat hij [verdachte] meerdere keren had verzocht om hem en zijn zus met rust te laten, maar dat zij gewoon door ging met het sturen van berichten via Messenger en WhatsApp.

Dit gebeurde ook nog nadat zij aangifte hadden gedaan. .16

De verklaring van verdachte ter terechtzitting:

Ik heb mevrouw [werkgever] een paar keer gebeld. Het klopt dat ik WhatsApp berichtjes heb gestuurd naar de broer van [aangever] .17

Bewijsoverweging

Voor de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b Wetboek van Strafrecht is volgens vaste jurisprudentie de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer van belang.

Uit de weergegeven bewijsmiddelen volgt dat aan bovengenoemd criterium is voldaan.

Verdachte heeft nadat aangeefster de relatie en het contact met haar heeft verbroken via de omgeving van aangeefster geprobeerd om toch in contact met aangeefster te komen. Gedurende een langere periode heeft verdachte meerdere malen en op een indringende wijze contact gezocht met de broer, de werkgever, de collega’s en een vriendin van aangeefster met als doel om achter het adres van aangeefster te komen. Verdachte heeft zich daarbij meerdere malen negatief uitgelaten over aangeefster en bedreigingen geuit. Dat daarbij geen direct contact heeft plaatsgevonden met aangeefster, maakt niet dat deze handelingen niet als belagingshandelingen kunnen worden aangemerkt. Door de wetgever zijn als belagingshandeling ook aangemerkt die gedragingen waarbij de belager zich richt tot familieleden, de werkgever, collega’s, en vrienden van het slachtoffer (zie Kamerstukken II 1997/98, 25768, nr. 5). Dergelijke handelingen kunnen immers bijdragen aan het beklemmende gevoel waarmee een slachtoffer van belaging doorgaans wordt geconfronteerd en ondermijnen (daarmee) een normaal functioneren van het slachtoffer.

Wederrechtelijkheid van het handelen

Verdachte heeft verklaard dat zij contact had met de broer en het werk van aangeefster omdat er dingen met betrekking tot de scheiding moesten worden geregeld. De rechtbank maakt uit de WhatsApp-gesprekken (die zich in het dossier bevinden) op dat dit in het begin misschien zo was, maar dat al op 17 oktober 2018 door de broer van aangeefster aan verdachte duidelijk is gemaakt dat alles via de advocaat gaat en dat verdachte moet stoppen met het sturen van berichten. Verdachte is toch doorgegaan met het sturen van berichten, terwijl vanaf dit moment zonder meer duidelijk moet zijn geweest dat het contact niet gewenst was. Overigens is de aard en inhoud van de berichten zodanig dat het voor verdachte ook zonder die waarschuwing duidelijk had moeten zijn dat dergelijke berichten ongewenst waren.

Bewijsmiddelen feit 4:

Een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] :

Ik doe aangifte van smaad. Mijn eer/goede naam is door de verdachte [verdachte] aangerand doordat ik op sociaal media zwart ben gemaakt. De verdachte had het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Dit bleek mij uit het volgende: Ik wil u vertellen dat mijn buurvrouw [verdachte] , wonende op de [adres] te [woonplaats] , aangifte tegen mij heeft gedaan van mishandeling. Hierover ben ik al gehoord als verdachte. Nu is er dus een filmpje verschenen op YouTube. In het filmpje zijn geen gezichten te zien. Wel is er te horen dat een vrouwenstem welke ik herken als die van de verdachte [verdachte] zegt: “Dat ding staat op de invalideparkeerplaats. Ik moet weg ik met boodschappen doen. Dat ding staat in de weg. Dit is toch niet normaal. En ik word net gewoon geschopt door meneer [benadeelde] .”18

Een proces-verbaal van bevindingen:

Op 18 oktober 2019, ontving ik, van de aangever een bericht met daarbij het filmpje waar naar verwezen wordt in de aangifte. Ik zag dat het filmpje op een mobiele telefoon werd afgespeeld en werd gefilmd met een andere mobiele telefoon. Ik zag dat het om een filmpje ging op de website YouTube met de naam [verdachte] Silva [verdachte] en dat er vier weergaven waren. Er waren geen likes of dislikes geplaatst bij het filmpje. Er is een vrouwenstem te horen, waardoor wordt gezegd dat zij weg moet in verband met vrijwilligerswerk. Door de vrouwenstem wordt vervolgens gezegd: "en ik word net gewoon geschopt door de heer [benadeelde] .”

De verklaring van verdachte ter terechtzitting:

Het klopt dat ik dat heb gezegd. Ik heb een vriendin gebeld en gevraagd hoe ik het filmpje op YouTube moest zetten. Ik wilde hem terugpakken.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van voorgaande bewijsmiddelen vast dat verdachte een filmpje op YouTube heeft gezet, althans dat heeft laten doen door een ander, met daarin de tekst zoals omschreven op de tenlastelegging. De rechtbank dient te beoordelen of daarmee ook sprake is van smaad.

Voor bewezenverklaring van smaad in de zin van artikel 261 lid 1 Sr moet sprake zijn van het opzettelijk aanranden van iemands eer of goede naam, door een beschuldiging van een – min of meer – concreet omschreven misdrijf of een zodanig omschreven feit dat strijdig is met de positieve moraal, welk feit geschikt moet zijn om iemands integriteit aan te tasten. Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit vereiste voldaan. Verdachte beschuldigt aangever namelijk van een concreet misdrijf (mishandeling).

De beschuldiging moet voorts zijn gedaan met het oogmerk van belediging en met het kennelijke doel om aan die beschuldiging ruchtbaarheid te geven. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan. Wel moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat die mededeling is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat aan dit vereiste niet is voldaan.

De rechtbank oordeelt anders en overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat publicatie van een filmpje op YouTube en de inhoud daarvan in het openbaar plaatsvindt, met het kennelijke doel om daar ruchtbaarheid aan te geven. Uit de verklaring van verdachte maakt de rechtbank ook op dat dit haar doel was. Zij wilde aangever terugpakken. Dat het filmpje op YouTube uiteindelijk ‘maar’ vier keer is bekeken doet daaraan niet af. Evenmin is aannemelijk geworden dat het filmpje (enkel) is geplaatst op een besloten YouTube-omgeving, waartoe alleen verdachte toegang had. De politie heeft (de hyperlink naar) het filmpje immers van aangever ontvangen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaad.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2

op 17 oktober 2019 te Utrecht, [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] de woorden toegevoegd; “als jullie mijn tuin betreden dan stuur ik mijn honden op jullie af” en “kom maar kom maar deze kant op” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en daarbij met een koksmes zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van voornoemde [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] ;

3

op meer tijdstippen in de periode van 21 september 2018 tot en met 16 juli 2019 te Utrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door

- meermalen via WhatsApp en sms en facebook en email berichten te sturen naar een vriendin en familie ( [woonplaats] ) en collega’s en de werkgever van voornoemde [aangever] en

-meermalen te bellen naar collega’s en de werkgever van voornoemde [aangever]

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen;

4

op 14 augustus 2019 te Utrecht, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een filmpje op YouTube te plaatsen waarop te horen is dat zij, verdachte, zegt dat die [benadeelde] haar heeft geschopt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 2: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 3: belaging

Feit 4: smaad

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

7.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging, omdat de feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Uit het reclasseringsadvies volgt namelijk dat verdachte niet in staat zou zijn om andere ‘gedragskeuzes’ te maken, omdat zij in haar keuzevrijheid is beperkt als gevolg van het geconstateerde niet aangeboren hersenletsel. In het triple onderzoek wordt ook geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten leed aan een stoornis en dat er een relatie bestaat tussen de stoornis en de feiten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Triple onderzoek Pro Justitia van 10 augustus 2020, opgemaakt door drs. H.A. Gerritsen, psychiater, dr. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog & neuropsycholoog, prof. dr. C. Jonker, (gedrags)neuroloog, en mevrouw A. van As-van der Zwan, forensisch milieuonderzoeker. Hieruit volgt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een hersenorganische stoornis (uitgebreide neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel met stoornissen in het executief functioneren, met gedragsstoornissen). Verdachte heeft hersenschade opgelopen door een ongeval op jonge leeftijd, als gevolg waarvan bij haar een frontaalsyndroom en een emotieregulatiestoornis zou zijn opgetreden. Daarnaast is een stoornis in het gebruik van alcohol geconstateerd. Verder zou verdachte lijden aan een conversiestoornis (in de zin van pseudo-epileptische aanvallen) en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten slotte zou bij verdachte sprake zijn van zwakbegaafdheid. Hieraan leed verdachte ook ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. De rapporteurs concluderen dat de feiten verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend en overwegen daartoe als volgt:

Na het onaangekondigd vertrek van ex-partner [aangever] in 2018 – en daarmee het verlies van een belangrijk persoon met een structurerende en regulerende functie - ging het snel bergafwaarts met betrokkene. Het lukte betrokkene niet meer om de dagelijkse structuur vast te houden en de conflicten met de buurt op te lossen, en al helemaal niet meer als zij onder invloed van alcohol was. Er is bij alle drie de tenlastegelegde feiten sprake van een verband met de bij betrokkene aanwezige stoornissen, die haar, indien bewezen, tenminste in een verminderde mate kunnen worden toegerekend. Indien er gebruik zou worden gemaakt van de vroegere 5-puntsschaal (in plaats van de huidige 3-puntsschaal) ter beoordeling van de mate van toerekenbaarheid, dan zou het advies zijn om betrokkene de tenlastegelegde feiten in een sterk verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is gelet op de bevindingen van de deskundigen van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate . De rechtbank volgt de deskundigen en de reclassering in hun oordeel dat verdachte beperkt was in haar keuzevrijheid als gevolg van (hoofdzakelijk) het niet aangeboren hersenletsel. Dat betekent echter niet dat verdachte in zijn geheel niet in staat was om andere gedragskeuzes te maken, zoals gesteld door de advocaat.

Verdachte is dan ook strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 22 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan de tijd die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Een voorwaardelijk strafdeel al dan niet met bijzondere voorwaarden is gelet op het advies van de reclassering niet noodzakelijk.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, belaging en smaad. Verdachte heeft twee agenten bedreigd die naar aanleiding van een melding bij de woning van verdachte waren. De agenten waren bang dat verdachte de bedreiging daadwerkelijk uit zou voeren. Hierdoor hebben zij gevoelens van angst en onveiligheid ondervonden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van haar ex-vrouw. Verdachte heeft mensen in de directe omgeving van aangeefster benaderd om achter het adres van aangeefster te komen en zich daarbij ook negatief uitgelaten over aangeefster en bedreigingen geuit. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en voor overlast in haar directe omgeving gezorgd. Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan smaad door een filmpje op YouTube te zetten waarin zij zegt door aangever te zijn geschopt. Door zo te handelen heeft verdachte de eer en goede naam van aangever geschonden.

Persoon verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 augustus 2020. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Triple onderzoek Pro Justitia en verwijst voor de bespreking van dit rapport naar paragraaf 7.3 van dit vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. De onderzoekers van het NIFP adviseren aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met een reclasseringstoezicht voor de duur van 10 jaar op te leggen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 27 augustus 2020, opgemaakt door B. Westra. In het advies wordt uitgebreid ingegaan op de situatie van verdachte en wordt uitgelegd waarom een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden niet het juiste kader is voor verdachte:

De reclassering stelt dat het advies van het NIFP de nodige vragen doet rijzen en de haalbaarheid hiervan zeer betwijfeld wordt. Intensieve bemoeienis vanuit het schorsingstoezicht leidde niet tot een stabiele situatie en bij terugmelding van het schorsingstoezicht kon enkel een verslechtering van de situatie geconstateerd worden waarbij verdachte niet stuurbaar bleek en de meeste instanties uit het ambulante veld zich terugtrokken. Een termijn van 10 jaar toezicht verandert hier niets aan en de kans wordt als groot geacht dat een toezicht het karakter zal krijgen van 'aanmodderen' waarbij de kans op mislukken groot is. Een terugkeer naar detentie als gevolg van een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf ligt dan in het verschiet en dat is gezien haar problematiek eveneens zeer onwenselijk.

Aangezien de aanpak van niet NAH een zeer specifieke tak van sport is binnen de GGZ, kan in het geval van verdachte gesteld worden dat de gedurende haar leven ingezette hulp slechts een doekje voor het bloeden betreft, een vorm van symptoombestrijding, maar niet de kern van de problemen heeft geraakt. Hersenletsel is onomkeerbaar en valt niet te verhelpen met interventies die afgestemd zijn op cliënten bij wie de problematiek terug te voeren is op pure gedragsproblematiek of psychiatrische aandoeningen. Deze interventies vereisen een bepaalde mate van leerbaarheid en keuzevrijheid bij de cliënt. Mensen met NAH hebben die vrijheid niet, of in sterk verminderde mate en zijn in die zin feitelijk gehandicapt in hun leerbaarheid. Ingezet zou moeten worden op een revalidatieproces, waarbij de cliënt vooral moet leren om met zijn handicap om te gaan en er naar externe mogelijkheden gezocht moet worden om de cliënt zoveel mogelijk hierin te ondersteunen. De verwachtingen hierbij moeten afgestemd worden op de -blijvende- beperking. De reclassering stelt zich op het standpunt dat verdachte gedurende haar hele leven en zonder ‘einddatum’ een sterk ondersteunend hulpverleningstraject behoeft, maar dwang hierbij uit den boze – en indien goed georganiseerd ook niet nodig – is. Een GGZ-traject zou dan meer gepast en helpend zijn, waarbij de kern moet liggen in het vinden van een passende stabiele woonplek en de juiste intensiteit van zorg. Tijdens het Veiligheidsoverleg is door de aanwezige partijen overeengekomen dat verdachte niet tot een ‘forensische’ cliënt gerekend moet worden en de verantwoordelijkheid moet komen te liggen bij de GGZ. Verdachte is aangemeld bij het WMO-loket van de gemeente Utrecht. Gelijktijdig loopt een aanmelding voor de WLZ (Wet Langdurige zorg), het loket waar verdachte uiteindelijk thuis hoort en van waaruit een levenslang traject georganiseerd kan worden (de aanmeldingsperiode hiervoor is echter lang, waardoor er gekozen is voor een tijdelijke tussenoplossing via de WMO). Op moment van uitbrengen van huidige adviesrapportage ligt in praktische zin het speerpunt bij het vinden van een woonplek voor verdachte na detentie.

Mevrouw B. Westra heeft voornoemd rapport ter terechtzitting toegelicht. Het is de reclassering helaas nog niet gelukt geschikte woonruimte te vinden voor verdachte. Het is geen optie om verdachte een kamer te geven in een setting waarin zij met andere personen woont. Er wordt daarom momenteel gezocht naar een geschikte woning in de omgeving van Utrecht op een afgelegen plek met weinig prikkels, waar verdachte vervolgens ambulant kan worden begeleid door een gespecialiseerde zorgverleningsinstantie. Hier staat verdachte ook voor open, zo heeft zij ter zitting aangegeven. De reclassering zal verdachte ook – op vrijwillige basis – blijven begeleiden, totdat dit is overgedragen aan de reguliere GGZ.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de conclusie van de rechtbank dat de feiten verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een straf opleggen gelijk aan de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht. Dit betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf van 102 dagen aan verdachte oplegt. Met de reclassering en onder verwijzing naar de daarvoor door de reclassering gegeven motivering, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke straf en een reclasseringstoezicht gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet het passende kader is. Wel acht de rechtbank het van groot belang dat voor verdachte zo snel mogelijk na haar vrijlating een passende stabiele woonplek wordt gevonden en dat dit gecombineerd wordt met ambulante zorg door een geschikte GGZ-partij.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 57, 261, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 102 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. ter Meulen voorzitter, mrs. I.J,B. Corbeij en N.M. Spelt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2020.

De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

Zij op of omstreeks 17 oktober 2019 te Utrecht, gemeente Utrecht, in elk geval in

Nederland,een medewerker van Altrecht ( [getuige 1] ) heeft bedreigd met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat,

- brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde medewerker(s) dreigend de woorden toegevoegd :"ik heb de gasleiding van mijn woning doorgesneden/losgemaakt" en/of "ik heb mijn huis gebarricadeerd dus niemand komt er in" en/of "ik heb dat vanochtend al gedaan" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

Zij op of omstreeks 17 oktober 2019 te Utrecht, gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [hoofdagent 1] en/of [hoofdagent 2] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland,heeft bedreigd metenig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [hoofdagent 1] en/of [hoofdagent 2] de woorden toegevoegd; “als jullie mijn tuin betreden dan stuur ik mijn honden op jullie af” en/of “kom maar kom maar deze kant op” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) met een (vlees/koks)mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, stekende en/of zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van voornoemde [hoofdagent 1] en/of [hoofdagent 2] ;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 september 2018 tot en met 16 juli 2019 te Utrecht, gemeente Utrecht, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door

- ( meermalen) (via WhatsApp en/of sms en/of facebook en/of email) berichten te sturen naar vrienden, althans bekenden en/of familie (waaronder [woonplaats] en/of [D] ) en/of collega’s en/of de werkgever van voornoemde [aangever] en/of

-(meermalen) te bellen naar collega’s en/of de werkgever van voornoemde [aangever] en/of

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4

zij op of omstreeks 14 augustus 2019 te Utrecht, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand

door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door één of meer filmpje(s) op Youtube te plaatsen waarop te horen is dat zij,

verdachte, zegt dat die [benadeelde] haar heeft geschopt;

( art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 december 2019, PL0900-2019310905 opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 174. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 91 en 92.

3 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 93 en 94.

4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 151.

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 156.

6 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 12 en 13.

7 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 15.

8 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 17.

9 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 25.

10 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 28.

11 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 32.

12 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 33.

13 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 37.

14 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 38.

15 Bijlage bij een proces-verbaal van aangifte, pagina 64.

16 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 99.

17 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 september 2020.

18 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 79.