Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4090

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
UTR 20/2762
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht, onvoorwaardelijk strafontslag, voorlopige voorziening in bezwaar, spoedeisend belang bij verzoeker maar geen evident onrechtmatig besluit, bezwaar geen redelijke kans van slagen, belang verweerder weegt dan zwaarder, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2762

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: M. Chouaibi),

en

de korpschef van politie, namens deze, politiechef van de Landelijke Eenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. P.J.C.D. Oey).

Inleiding en procesverloop

Verzoeker is sinds 1 augustus 1978 bij verweerder in dienst geweest. Hij heeft sinds 2009 een creditcard van verweerder, die hij - kort gezegd - mag gebruiken voor zakelijke kosten (hierna: de dienstcreditcard). De regels over het gebruik van de dienstcreditcard staan in het Creditcardkader Politie, in werking getreden op 1 mei 2015 (hierna: het kader).

Verzoeker is in 2017 fulltime gedetacheerd als deelprojectleider [project 1] . Dit gebeurde vanuit zijn functie als [functie] bij de landelijke eenheid, [afdeling] ( [afdeling] ), team [team] ( [team] ), waar hij teamleider [naam] was. Per 18 april 2018 is verzoeker tijdelijk ingezet voor werkzaamheden bij [afdeling] die direct onder de sectorleiding vielen. Op 19 april 2018 heeft verzoeker zijn creditcard ingeleverd. Hij heeft zich per 20 april 2018 ziekgemeld.

Bij controle van de uitgaven van verzoeker met de dienstcreditcard over 2017 en 2018, rezen er bij de teamchefs achteraf vragen. Vervolgens is op 4 juli 2018 een intern onderzoek aangezegd en is op 6 november 2018 een aanvullend onderzoek aangezegd.

In de tussentijd is verzoeker eerst buiten functie gezet en vervolgens geschorst. Verweerder heeft de schorsing met zes maanden verlengd. De bezwaren van verzoeker tegen de (verlenging van de) schorsing heeft verweerder ongegrond verklaard.

Op basis van de uitkomsten van de interne onderzoeken heeft verweerder verzoeker in het besluit van 10 juli 2020 (het primaire besluit), na een voornemen daartoe, de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd1. Subsidiair heeft verweerder verzoeker ontslagen wegens ongeschiktheid2.

Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de inwerkingtreding van het primaire besluit wordt geschorst en zijn bezoldiging wordt doorbetaald.

Verweerder heeft een verweerschrift en de relevante stukken ingediend. Daarbij heeft verweerder ten aanzien van een schriftelijke verklaring van verzoeker verzocht om beperkte kennisneming toe te passen3. Verzoeker heeft toestemming gegeven voor deze beperkte kennisneming. De rechtbank heeft bij beslissing van 18 september 2020 besloten dat de beperking van de kennisneming van de schriftelijke verklaring zoals door verweerder verzocht, gerechtvaardigd is. Dat betekent dat de voorzieningenrechter voor de beoordeling van de zaak kennis heeft genomen van de schriftelijke verklaring van verzoeker, maar dat de (inhoud van de) schriftelijke verklaring niet in de uitspraak staat.

Het onderzoek ter zitting heeft op 21 september 2020 via Skype for business plaatsgevonden. Verzoeker deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn echtgenote [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [B] , teamchef C bij verweerder.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter treft4 alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

Spoedeisend belang

2. Verzoeker heeft ter zitting verklaard geen inkomsten te ontvangen en geen aanspraak te kunnen maken op een uitkering of bijstand. Zijn partner ontvangt een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers, omdat haar onderneming door de coronacrisis zwaar is getroffen. Het spaargeld op de gezamenlijke rekening is gebruikt om de vaste lasten mee te betalen en de bedrijfsrisico’s van de onderneming te verzekeren.

3. Verweerder heeft deze omstandigheden niet weersproken.

4. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter verzoeker spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet worden ontzegd.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van het onvoorwaardelijk strafontslag

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat verzoeker met name verweten wordt dat hij uitgaven, die hij gedaan heeft met de dienstcreditcard, niet op juiste wijze kan verantwoorden. Dit is in strijd met het kader.

Van bepaalde uitgaven heeft verzoeker geen factuur of proces-verbaal overgelegd. Dit betreft uitgaven bij [bedrijf 1] in [woonplaats] op 29 januari 2018, bij [bedrijf 2] op 15 en 20 februari 2018 en bij [bedrijf 3] op 19 januari 2018 (tweemaal).

Van bepaalde uitgaven heeft verzoeker volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven in het belang van de dienst zijn gedaan. Dit betreft uitgaven bij [bedrijf 4] (vier routers ter waarde van totaal € 1.883,83), uitgaven bij [bedrijf 2] (klusspullen ter waarde van totaal € 1.818,26), uitgaven bij [bedrijf 5] (een poortmotorisatiesysteem, elektrisch slot, striking plate, verlichtingspakker, scenariospeler, vier slimme rookmelders, een inbouwontvanger, een afdekplaatje een bewegingsmelder en een binnensirene ter totale waarde van € 1.800,-), uitgaven bij [bedrijf 6] (een CCTV-set, een domecamera, een bewakingscameraset ter totale waarde van € 4.131,-) en uitgaven bij [bedrijf 1] (ter waarde van ten minste € 1.297,90).

Voor zover verzoeker over uitgaven heeft verklaard dat hij deze in verband met werkzaamheden voor de [project 2] heeft gedaan, vindt verweerder die verklaringen tegenstrijdig en leugenachtig. De verklaring van verzoeker bij één uitgave dat hij per ongeluk zijn dienstcreditcard heeft verwisseld met zijn privécreditcard, acht verweerder ook tegenstrijdig en leugenachtig.

Ook verwijt verweerder verzoeker dat hij tegenstrijdig en leugenachtig heeft verklaard over het gebruik van zijn diensttelefoon, het wissen van de gegevens op zijn diensttelefoon en het gebruik van zijn privételefoon voor contacten met infiltranten.

Bijkomend verwijt verweerder verzoeker ten slotte dat hij uit eigenbelang een medewerker heeft bewogen onder diensttijd en met apparatuur van de dienst een hek voor verzoeker te lassen en dat verzoeker de met mevrouw [D] gemaakte afspraken over het inleveren van de dienstauto heeft geschonden.

Zorgvuldigheid van het onderzoek

6. Ten aanzien van het onderzoek heeft verzoeker gesteld het bijzonder te vinden dat verweerder een speciale eenheid in [land] heeft ingezet. Verder heeft verzoeker een schriftelijke verklaring van [C] ingebracht, strekkende dat [C] de overtuiging kreeg dat er voor het diensthoofd maar één gewenste uitkomst bij het onderzoek was, te weten strafontslag.

7. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend geen aanleiding om het onderzoek van verweerder onzorgvuldig te achten. Verweerder heeft op basis van verklaringen van verzoeker meerdere getuigen gehoord en onderzoek gedaan bij (de buitenkant van) het tweede huis van verzoeker in [land] . De voorzieningenrechter acht dit zorgvuldig.

Van partijdigheid of vooringenomenheid is de voorzieningenrechter voorlopig oordelend ook niet gebleken. De schriftelijke verklaring van [C] is voorlopig oordelend onvoldoende concreet en verifieerbaar om partijdigheid of vooringenomenheid aan de zijde van verweerder aan te nemen. Het betoog slaagt niet.

De verantwoording van het gebruik van de dienstcreditcard

8. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat hij een semi-afgeschermde dienstcreditcard had, waarop het kader niet van toepassing was.

9. De voorzieningenrechter volgt dit betoog voorlopig oordelend niet. Verzoeker heeft niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij over een andersoortige creditcard beschikte dan waar het kader op ziet. Uit het kader volgt ook niet dat dit slechts op een bepaald soort creditcards van toepassing is. Verweerder heeft ter zitting ook verklaard dat het kader geldt voor alle soorten dienstcreditcards.

10. Verzoeker stelt verder dat zijn uitgaven zijn geaccordeerd en naderhand geen vragen zijn gesteld. Met terugwerkende kracht vragen stellen, is dan bijzonder.

11. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend in de stelling van verzoeker geen strijd met wet- en regelgeving dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het gegeven dat verweerder naderhand alsnog uitvoerig onderzoek doet naar de rechtmatigheid van de uitgaven van verzoeker, omdat er pas later aanwijzingen kwamen dat de uitgaven wellicht niet rechtmatig gedaan waren. Het betoog slaagt niet.

Ontbreken van factuur of proces-verbaal

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft betwist dat hij van de uitgaven bij [bedrijf 1] in [woonplaats] op 29 januari 2018, bij [bedrijf 2] op 15 en 20 februari 2018 en bij [bedrijf 3] op 19 januari 2018 (tweemaal) geen factuur of proces-verbaal heeft overgelegd. Door geen originele bewijsstukken van de uitgaven te overleggen, heeft verzoeker de uitgaven niet conform artikel 8, tweede lid, van het kader verantwoord. Ten aanzien van deze gedragingen heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan terecht plichtsverzuim aangenomen. Niet gesteld of gebleken is dat dit verzoeker niet valt aan te rekenen.

Ontbreken van dienstbelang

[bedrijf 2] 15-2-2018

13. Verzoeker heeft over de uitgave bij [bedrijf 2] op 15 februari 2018 verklaard dat sprake was van een privéuitgave, die hij per ongeluk met de dienstcreditcard in plaats van zijn [naam] creditcard heeft betaald.

14. Verweerder acht de verklaring van verzoeker dat sprake is geweest van een vergissing ongeloofwaardig. Verweerder heeft de verklaring van verzoeker niet kunnen verifiëren, door gebrek aan bewijs van de kant van verzoeker. Verweerder meent dat sprake is van plichtsverzuim.

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker heeft erkend dat hij op 15 februari 2018 oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de dienstcreditcard. Hij heeft de dienstcreditcard dus in strijd met artikel 2, zevende lid, van het kader gebruikt voor privégebruik. Het ligt dan op de weg van verzoeker om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit privégebruik op een vergissing berustte en hem dit niet kan worden aangerekend. Verzoeker heeft hiertoe in een eerder stadium verklaringen afgelegd en een kopie van zijn [naam] creditcardpas overgelegd. Verweerder heeft in het primaire besluit en het verweerschrift uitgebreid gemotiveerd dat de verklaring van verzoeker en de kopie van de creditcardpas onvoldoende eensluidend, transparant en verifieerbaar zijn om verzoeker te kunnen volgen. De voorzieningenrechter ziet in de herhaling van de verklaring van verzoeker, zonder nadere schriftelijke bewijsmiddelen, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van verweerder. Dan blijft staan dat verzoeker de dienstcreditcard in strijd met het kader privé heeft gebruikt. Niet gesteld of gebleken is dat dit verzoeker niet valt aan te rekenen. Voorlopig oordelend heeft verweerder dan terecht plichtsverzuim aangenomen. Het betoog slaagt niet.

[bedrijf 2] 20-2-2018

16. Verzoeker stelt dat de aankopen bij [bedrijf 2] op 20 februari 2018 ten behoeve van een workshop voor een heimelijk project zijn gedaan. Verzoeker heeft de aankopen bij het verantwoordingsgesprek ingeleverd. Daaruit blijkt dat hij ze niet voor eigen gebruik heeft gekocht.

17. Verweerder acht de verklaring van verzoeker ongeloofwaardig. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat verzoeker op 20 februari 2018 spullen aankoopt voor (i) een workshop waarvan hij alleen nog maar de intentie heeft om die op een (ii) nog niet nader bepaalde datum te organiseren, (iii) in samenwerking met collega’s die van niets weten, maar voor wie het heimelijk houden van de plannen niet nodig was, omdat zij al volledig op de hoogte waren van het (eerste) [project 2] -project, (iv) voor betrokkenen die nog niet weten dat zij voor de workshop de agenda vrij moeten houden, dat verzoeker (v) na de aanschaf allereerst de spullen een maand in de kofferbak van zijn auto laat liggen, (vi) daarna enkele weken naar zijn huis in [land] gaat, (vii) bijna twee maanden na de aankoop weer aan het werk gaat (met de spullen nog steeds in de auto en hij heeft dan nog niemand geïnformeerd), (viii) kort voor de auto medio juni opgehaald wordt de spullen uit de kofferbak haalt en (ix) en in eerste zijn verklaring bij [naam] op 11 juli 2018 niet het verband ziet tussen de spullen op de bon en die in de kofferbak. Verweerder acht zowel de uitgave als het wisselend en niet-transparant verklaren hierover plichtsverzuim.

18. Het betoog van verzoeker slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie van verweerder. Verzoeker heeft zijn stelling niet onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken. Dat verzoeker middels teruggave van de aankopen heeft aangetoond dat de aankopen voor de dienst zijn gedaan, ziet de voorzieningenrechter voorlopig oordelend niet. Uit de teruggave kan namelijk niet herleid worden wat de beweegredenen van verzoeker bij aankoop zijn geweest. Vaststaat dat verzoeker op 20 februari 2018 met de dienstcreditcard aankopen heeft gedaan, hij die aankopen niet met een factuur of proces-verbaal heeft verantwoord en niet anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de aankopen voor de dienst zijn gedaan. Dat betekent dat niet vaststaat dat verzoeker de dienstcreditcard conform artikel 2, vijfde lid, van het kader uitsluitend voor zakelijke kosten heeft gebruikt. Niet gesteld of gebleken is dat dit verzoeker niet valt aan te rekenen. Voorlopig oordelend heeft verweerder dan terecht plichtsverzuim aangenomen.

[bedrijf 4] , [bedrijf 1] , [bedrijf 3] , [bedrijf 2] , [bedrijf 6] en [bedrijf 5]

19. Verzoeker stelt dat hij de vier routers bij [bedrijf 4] heeft aangeschaft ten behoeve van het [project 2] . Over de overige uitgaven bij [bedrijf 1] , [bedrijf 3] , [bedrijf 2] , [bedrijf 6] en [bedrijf 5] stelt verzoeker dat hij de aankopen voor infiltranten heeft gedaan. Hij kan zijn stellingen niet onderbouwen, omdat hij geen toegang heeft tot de politiesystemen en het heimelijke informatie betreft. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij deze werkzaamheden niet uit hoofde van zijn functie bij [project 1] , maar ernaast deed. Hij werd als ‘oude rot in het vak’ door infiltranten benaderd voor klusjes.

20. Verweerder ziet gelet op de aard van de aangekochte spullen en verklaringen vanuit de afdeling van de infiltranten geen aanknopingspunt verzoeker te volgen in zijn stellingen. De aankopen worden niet herkend door de infiltranten of hun leidinggevenden. Verweerder acht niet aannemelijk gemaakt dat de aankopen in het belang van de dienst zijn gedaan. Tevens acht verweerder de verklaringen van verzoeker hieromtrent niet transparant en ongeloofwaardig. Beide aspecten merkt verweerder aan als plichtsverzuim. Het plichtsverzuim kan verzoeker volgens verweerder worden verweten.

21. Het betoog van verzoeker slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoeker, zonder concrete en verifieerbare schriftelijke onderbouwing, geen aanknopingspunt om hem te volgen. Dat verzoeker in bewijsnood stelt te verkeren, ontslaat hem niet van verantwoordingsverplichting om aannemelijk te maken dat de gedane aankopen in het belang van de dienst zijn geweest. Verzoeker betwist de door verweerder geconstateerde tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen niet. Vaststaat dan dat verzoeker met de dienstcreditcard aankopen heeft gedaan, hij niet aannemelijk kan maken dat deze aankopen voor de dienst zijn geweest en hij hierover eerder tegenstrijdig en niet transparant heeft verklaard. Niet gesteld of gebleken is dat dit verzoeker niet valt aan te rekenen. Voorlopig oordelend ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de conclusie van verweerder dat sprake is van plichtsverzuim te betwijfelen.

Gebruik van diensttelefoon en privételefoon

18. Verzoeker stelt dat hij toestemming had om zijn telefoon gereset in te leveren. Verzoeker was gewend zo afgeschermd te werken. De verklaring van het sectorhoofd dat hij geen toestemming had, vindt verzoeker opmerkelijk.

19. Volgens verweerder kan het gebruik van een privételefoon voor de dienst schadelijk zijn. Daarnaast worden de verklaringen van verzoeker over het gebruik van zijn diensttelefoon tegenstrijdig, niet-transparant en ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder is sprake van plichtsverzuim.

20. Het betoog van verzoeker slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het verwijt omtrent het gebruik van zijn privételefoon voor de dienst niet heeft betwist. Wat betreft het wissen van zijn diensttelefoon, stelt verzoeker dat hij hiervoor toestemming had. Deze stelling heeft verzoeker echter niet met concrete en verifieerbare schriftelijke bewijsstukken onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet dan geen aanknopingspunt verzoeker te volgen in zijn stelling. Vaststaat dat verzoeker de gegevens op de diensttelefoon heeft gewist en niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming had. Niet gesteld of gebleken is dat dit verzoeker niet valt aan te rekenen. Voorlopig oordelend ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de conclusie van verweerder dat sprake is van plichtsverzuim te betwijfelen.

Geheime werkzaamheden voor [project 2]

21. Verzoeker stelt dat hij op juiste wijze heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij project [project 2] .

22. Volgens verweerder blijkt uit de getuigenverklaringen dat verzoeker niet technisch/inhoudelijk betrokken was bij het project [project 2] , voor reparaties een budget was en geen creditcard nodig was, verzoeker niet bij storingen betrokken was en de voor storingen benodigde materialen op voorraad waren. Verweerder acht de verklaringen van verzoeker dan ongeloofwaardig. De verklaring van verzoeker over gestelde aankopen voor dit project acht verweerder ongeloofwaardig en onjuist. Er is sprake van plichtsverzuim.

23. Het betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet zonder concrete en verifieerbare onderbouwing geen aanleiding de stellingen van verzoeker te volgen.

Lassen hek

24. Verzoeker stelt dat de medewerker op eigen initiatief het hek heeft gelast, zoals de medewerker ook zelf heeft verklaard.

25. Verweerder acht verzoekers verklaringen op dit punt onaannemelijk.

26. Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend onvoldoende aanknopingspunten om op dit punt plichtsverzuim aan te nemen. Ter zitting is naar voren gekomen dat het lassen van het hek al in 2012 heeft plaatsgevonden. Welke positie en functie verzoeker toen bekleedde en welke regels en verplichtingen toen voor hem golden zijn de voorzieningenrechter onduidelijk. Dat de gedraging heeft plaatsgevonden, deze tot plichtsverzuim leidt en verzoeker valt aan te rekenen, kan de voorzieningenrechter dan niet vast stellen. De voorzieningenrechter acht het primaire besluit op dit punt van een onvoldoende motivering voorzien.

Inleveren dienstauto

27. Verzoeker stelt dat hij de dienstauto niet op 1 juni 2018 heeft kunnen inleveren wegens ziekte.

28. Volgens verweerder pleit ziekte verzoeker niet vrij. Hij heeft de dienstauto niet tijdig ingeleverd en daarmee de afspraken geschonden, wat leidt tot plichtsverzuim.

29. Dit betoog slaagt. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend onvoldoende aanknopingspunten om op dit punt plichtsverzuim aan te nemen. Ter zitting is naar voren gekomen dat de afspraak met verzoeker over het inleveren van de dienstauto is gemaakt vóór zijn ziekmelding op 20 april 2018. Verzoeker verkeerde vanwege zijn ziekte in de veronderstelling dat hij zijn dienstauto tijdens ziekte niet kon inleveren en verweerder hem zou komen ophalen. Verweerder verkeerde daarentegen in de veronderstelling dat verzoeker de dienstauto zou inleveren. De voorzieningenrechter ziet hier voorlopig oordelend onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verzoeker daadwerkelijk een afspraak niet is nagekomen en er sprake is van plichtsverzuim. Veeleer lijkt sprake van miscommunicatie.

Evenredigheid

30. Verzoeker stelt dat bij gebrek aan plichtsverzuim, hij geen strafontslag verdient. Voor zover sprake is van plichtsverzuim, staat de straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet in verhouding tot dat wat is vastgesteld. Daarbij is door verweerder ook onvoldoende aandacht geweest voor de duur van de disciplinaire onderzoeken.

31. Volgens verweerder is sprake van plichtsverzuim en is strafontslag een passende straf, gezien de aard en omvang van het plichtsverzuim. Het lange dienstverband is geen reden om hiervan af te zien. De lange duur van de onderzoeken ook niet. Die zijn volgens verweerder namelijk mede aan verzoeker te wijten.

32. Het betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet in de stelling van verzoeker geen aanleiding om de zorgvuldigheid of juistheid van de afweging van verweerder te betwijfelen. De lengte van de onderzoeken doet niet af aan de ernst en de omvang van het plichtsverzuim. Daarbij is ook van belang dat van verzoeker als politiefunctionaris, die ook nog eens teamleider was, de hoogste mate van zorgvuldigheid en integriteit verwacht mocht worden. Dit heeft hij onvoldoende laten zien.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van het ongeschiktheidsontslag

33. Verzoeker stelt dat geen sprake is van ongeschiktheid. Er is hem geen verbeterkans gegeven. De waarschuwing bij de incidenten in 2014 en 2015 telt niet als zodanig. Eerdere functioneringsgesprekken of nadere afspraken zijn er niet geweest. De houding en het gedrag van verzoeker zijn nooit onderwerp van gesprek geweest.

34. Verweerder acht verzoeker ongeschikt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de ongeschiktheid voortkomt uit een gebrek aan transparantie, openheid en medewerking gedurende de interne onderzoeken. De tegenstrijdige en leugenachtige verklaringen van verzoeker in combinatie met de functie van verzoeker, leiden bij verweerder tot een gebrek aan vertrouwen in verzoeker. Daarbij acht verweerder verzoeker voldoende gewaarschuwd, op basis van eerdere incidenten in 2014 en 2015 en een daarover geschreven memo door [E] .

35. Naar vaste rechtspraak5 zal van eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Op dit uitgangspunt laat de rechtspraak uitzonderingen zien in gevallen waarin - voor zover hier van belang - de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Die laatste conclusie mag echter slechts in bijzonder sprekende gevallen worden getrokken.

36. Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter ziet voorlopig oordelend onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de voorwaarden voor een ongeschiktheidsontslag wordt voldaan. Dat verzoeker is aangesproken op zijn functioneren of gedrag en de mogelijkheid heeft gehad dit te verbeteren, ziet de voorzieningenrechter niet. Weliswaar is verzoeker naar aanleiding van een drietal incidenten in 2014 en 2015 aangesproken op zijn gedrag, maar niet in geschil is dat dit met het organiseren van een integriteitsdag door verzoeker is rechtgetrokken. Dat verzoeker een officiële waarschuwing heeft ontvangen is niet gebleken. De memo van [E] bevat daarvoor onvoldoende onderbouwing. De memo is niet gericht aan verzoeker. Ook is niet gebleken dat deze aan verzoeker bekend is gemaakt.

Belangenafweging

37. De voorzieningenrechter ziet alles afwegend geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Enerzijds ziet de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker, hij heeft financieel belang bij hervatting van zijn bezoldiging. Anderzijds ziet de voorzieningenrechter niet dat het primaire besluit evident onrechtmatig is en het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Voorlopig oordelend blijven de dragende verwijten voor het onvoorwaardelijk strafontslag in stand. Dat betreft het niet/onvoldoende verantwoorden van aankopen met de dienstcreditcard (zowel met facturen of proces-verbalen als door aannemelijk te maken dat de aankopen in het belang van de dienst zijn gedaan) en het niet transparant en leugenachtig verklaren over het gebruik van de diensttelefoon en de werkzaamheden voor [project 2] . Dat de bijkomende verwijten (het inleveren van de dienstauto en het lassen van het hek) en de subsidiaire ontslaggrond voorlopig oordelend geen stand zullen houden, maakt het primaire besluit dan niet evident onrechtmatig. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze gebreken in bezwaar door verweerder hersteld worden. Daarbij komt het (financieel) belang van verweerder om het primaire besluit niet te schorsen. Dit weegt voor de voorzieningenrechter zwaarder dan het individuele belang van verzoeker.

Conclusie

38. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat weliswaar sprake is van spoedeisend belang van de zijde van verzoeker, maar dat niet is gebleken dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft en het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

39. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 september 2020.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)

2 artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g van het Barp

3 Artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

4 artikel 8:81, eerste lid, van de Awb

5 Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2015:AS2575