Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4085

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
UTR 19/3929
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA. Melding verslechtering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3929


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.A. de Kock),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

1. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Hij heeft bij het UWV gemeld dat zijn gezondheidssituatie vanaf 15 mei 2018 is verslechterd.

2. In een besluit van 13 december 2018 heeft het UWV beslist dat de WIA-uitkering van eiser niet wijzigt, omdat zijn arbeidsgeschiktheid niet is gewijzigd. In een beslissing op bezwaar van 29 augustus 2019 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is in beroep gegaan tegen die beslissing op bezwaar.

3. Het beroep is behandeld op de zitting van 20 augustus 2020. Vanwege de coronacrisis vond die zitting plaats via Skype. Eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV waren aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht besloten dat de uitkering van eiser niet wordt gewijzigd. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot die conclusie is gekomen.

5. Eiser voert aan dat zijn beperkingen door het UWV zijn onderschat. Er is sprake van een nieuwe en toegenomen klacht: uitstralende pijn in het linkerbeen. De diagnose wortelprikkeling S1 links is gesteld, de medicatie van eiser is aangepast en hij is verwezen naar het pijnteam. Eiser heeft in april 2019 een ingreep gehad, maar die heeft niet geholpen. De stukken die over die ingreep gaan zijn door de verzekeringsartsen van het UWV niet meegenomen. Hij vindt dat de verzekeringsartsen van het UWV er ten onrechte van uit zijn gegaan dat sprake is van een goede functie van de onderrug en normale kracht in de benen. Vanwege de pijnklachten zijn er volgens eiser meer beperkingen aan de orde ten aanzien van lopen, staan, zitten en buigen, en een vergaande urenbeperking. Ter onderbouwing heeft eiser twee brieven van zijn revalidatiearts van 31 oktober 2019 en 14 februari 2020 ingediend, en een overzicht van zijn medische afspraken in december 2019 en januari 2020.

6. Met betrekking tot de beoordeling door verzekeringsartsen van het UWV stelt de rechtbank voorop dat het UWV besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen als die op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet aan die voorwaarden voldoen. Om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. De manier waarop iemand zelf zijn klachten en beperkingen ervaart, vormt geen toereikende grondslag voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

7. Het is de rechtbank niet gebleken dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen van het UWV hebben dossierstudie verricht, eiser zelf gezien en onderzocht en informatie van de behandelaars van eiser, waaronder informatie van de neuroloog van juli en november 2018, bij hun beoordeling betrokken. Zij hebben eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe hun beoordeling tot stand is gekomen.

8. De verzekeringsartsen van het UWV geloven dat eiser nu ook last heeft van pijn in zijn linkerbeen, maar dat leidt volgens hen niet tot het aannemen van meer beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst in zijn rapport naar de informatie van de neuroloog. Bij onderzoek vond die in juli 2018 een goede functie van de onderrug en een normale kracht van de benen, en de MRI-scan gaf een ongewijzigd beeld. De vastgestelde beperkingen komen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep logisch voort uit de aard en ernst van de aandoening. Hij ziet daarom geen medische argumenten om meer fysieke beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook nog gereageerd op de medische informatie die eiser in beroep heeft ingediend. Hij geeft aan dat daaruit geen nieuwe feiten naar voren komen en dat die informatie geen ander beeld geeft van het medische feitencomplex op de datum in geding (15 mei 2018).

9. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat eiser last heeft van een nieuwe gezondheidsklacht, betekent nog niet automatisch dat dit ook tot meer beperkingen moet leiden. Het is de specifieke deskundigheid van verzekeringsartsen om gezondheidsklachten om te zetten in arbeidsbeperkingen. De medische informatie die eiser in beroep heeft ingediend, bevat geen nieuwe informatie over zijn gezondheidssituatie in mei 2018. Dat eiser zelf zijn klachten en beperkingen ernstiger inschat, weegt niet op tegen het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beroepsgrond slaagt niet.

10. De beperkingen van eiser zijn niet gewijzigd. Dat betekent dat zijn arbeidsgeschiktheid ook niet wijzigt. Het UWV heeft daarom terecht besloten dat de WIA-uitkering van eiser niet gewijzigd wordt.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 25 september 2020 gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.