Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4084

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2038
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

studiefinanciering, meerinkomen, bijverdiengrens, hardheidsclausule, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2038

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: drs. P.M.S Slagter).

Procesverloop

In het besluit van 5 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder voor het jaar 2016 voor eiser een vordering van € 2.223,87 vastgesteld vanwege meerinkomen.

In het besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Iemand die studeert mag geld (bij)verdienen. Als iemand met zijn inkomsten boven een bepaald bedrag uitkomt, spreekt de wet van meerinkomen. In zo’n geval ontstaat er een vordering op die student.1 De bijverdiengrens in 2016 was € 13.989,13. Eisers inkomsten in dat jaar waren € 16.213,- en lagen daar boven.

3. Eiser betwist niet dat hij in 2016 met zijn inkomen boven de bijverdiengrens uitkomt. Hij vindt echter dat de vordering moet worden kwijtgescholden vanwege persoonlijke bijzondere omstandigheden. Eiser voert aan dat hij in 2014, 2015 en 2017 een lager inkomen had dan in 2016. In 2016 is hij meer gaan werken om ervoor te zorgen dat hij 2017 financieel kon overbruggen. In 2017 kon hij namelijk minder geld verdienen omdat hij stage moest lopen en een scriptie moest schrijven. Daar merkt eiser bij op dat zijn ouders niet de middelen hebben om hem financieel te ondersteunen. Verder was 2016 een hectisch jaar voor eiser. De (geestelijke) gezondheid van zijn broer, die vermist was geraakt, had veel invloed op zijn situatie in 2016. Hierdoor heeft hij geen rekening gehouden met de bijverdiengrens en de regels hierover. Tot slot wil eiser benadrukken dat de lasten die voortvloeien uit het besluit zwaarder zijn dan strikt noodzakelijk om het door verweerder beoogde doel te bereiken.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een vordering voor eiser heeft vastgesteld, omdat hij de bijverdiengrens heeft overschreden. Het is niet in geschil dat eiser meer heeft verdiend dan de bijverdiengrens. Dan ontstaat er op grond van de Wsf 2000 een vordering. De beoordeling of sprake is van meerinkomen vindt plaats over het gehele kalenderjaar. In dit geval dus 2016. Het inkomen dat eiser in de jaren daarvoor en daarna heeft ontvangen, moet buiten beschouwing worden gelaten. Verder is niet gebleken dat een bepaald deel van eisers inkomen niet als meerinkomen kan worden gerekend of buiten beschouwing moet worden gelaten.2

5. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de vordering. Hoe begrijpelijk de situatie van eiser ook is, de wettekst is duidelijk. Bij een meerinkomen ontstaat er een vordering. De wettekst is duidelijk en verweerder kan hier niet zomaar van afwijken. Ook niet op grond van de hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is namelijk niet mogelijk voor wat betreft het toetsingsinkomen.3 Verder is het niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk was om met zijn bijverdiensten te stoppen of om zijn studiefinanciering tijdelijk stop te zetten. Dat het hem vanwege de situatie van zijn broer niet kan worden verweten dat hij destijds zijn studiefinanciering niet heeft stopgezet, speelt geen rol. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiser, maar de drempel om een succesvol beroep te doen op de hardheidsclausule wordt niet gehaald. Als een student teveel geld heeft verdiend moet het meerinkomen worden terugbetaald. Dat geldt voor eiser en ook voor andere studenten. Het is niet gebleken dat eisers situatie zo bijzonder is dat van de wettekst moet worden afgeweken.

6. Tot slot overweegt de rechtbank dat de vordering een compensatoire maatregel is. Bij zo’n vordering gaat het om herstel van een bepaalde toestand en daarbij is toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet aan de orde. Eiser moet immers terugbetalen wat hij teveel heeft ontvangen. Dat de vordering niet evenredig zou zijn, volgt de rechtbank dan ook niet.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geldend op 31 december 2016.

2 Op grond van artikel 3.17, derde tot en met het zesde lid, van de Wsf 2000 (geldend op 31 december 2016).

3 Zie artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4931).