Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4083

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 1534
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

studiefinanciering, bijverdiengrens, meerinkomen, vertrouwensbeginsel, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1534

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).

Procesverloop

In het besluit van 15 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder voor het jaar 2015 voor eiser een vordering van € 4.439,04 vastgesteld vanwege meerinkomen.

In het besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Iemand die studeert mag geld (bij)verdienen. Als iemand met zijn inkomsten boven een bepaald bedrag uitkomt, spreekt de wet van meerinkomen. In zo’n geval ontstaat er een vordering op die student.1 De bijverdiengrens in 2015 was € 13.856,11. Eisers inkomsten in dat jaar waren € 18.295,- en lagen daar boven.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een vordering voor eiser heeft vastgesteld, omdat hij de bijverdiengrens heeft overschreden. Het is niet in geschil dat eiser meer heeft verdiend dan de bijverdiengrens. De beoordeling of sprake is van meerinkomen vindt plaats over het gehele kalenderjaar. In dit geval dus 2015. Niet is gebleken dat een bepaald deel van eisers inkomen niet als meerinkomen kan worden gerekend of buiten beschouwing moet worden gelaten.2 De vordering is dan ook vastgesteld in overeenstemming met de Wsf 2000. De vordering wegens meerinkomen is een zogenoemde compensatoire vordering. Bij een dergelijke vordering gaat het niet om bestraffing, zoals bij een boete, maar om herstel van een bepaalde toestand. Bij een boete is toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wel aan de orde, maar bij een compensatoire vordering niet. Eiser moet immers terugbetalen wat hij teveel heeft ontvangen. Dat volgens eiser de boete voor het twee maanden onterecht gebruiken van een ov-reisproduct niet in verhouding staat tot zijn terugvordering, kan daarom niet slagen. Weliswaar is het achterwege laten van een vordering wegens meerinkomen met toepassing van de hardheidsclausule mogelijk, maar slechts als het de studerende onmogelijk is geweest om de bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten. Om het studiefinancieringstijdvak in te korten had eiser zijn studiefinanciering stop moeten zetten. Niet is gebleken dat eiser zijn bijverdiensten niet kon staken of zijn studiefinanciering niet kon stop zetten. Eiser kan dan ook geen succesvol beroep doen op de hardheidsclausule.

4. Verder doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat hij in 2015 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en dat hem werd geadviseerd om per oktober 2015 zijn lening op € 0,- te zetten. Hiermee zou zijn studiefinanciering volledig worden stopgezet. Eiser heeft dit gedaan en was in de veronderstelling dat zijn studiefinancieringstijdvak tot september 2015 liep en hij hierdoor de bijverdiengrens niet zou overschrijden. Eiser stelt dat hij niet kan onderbouwen dat hij destijds telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de DUO vanwege het tijdsverloop.

5. De rechtbank overweegt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen dan kan slagen als er geen onduidelijkheid bestaat over de inlichting of de toezegging waaraan het vertrouwen is ontleend. Op eiser rust de bewijslast de inhoud van het telefoongesprek aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Aannemelijk is dat er een telefoongesprek heeft plaatsgevonden, maar over de inhoud van dat telefoongesprek is onvoldoende duidelijk geworden. Zo is onduidelijk hoe eiser zijn situatie uiteen heeft gezet, welke vragen door de medewerker van de DUO zijn gesteld en welke antwoorden zijn gegeven. Dat eiser stelt dat hij vanwege het tijdverloop zijn stelling niet kan bewijzen, maakt het voorgaande niet anders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel houdt in dit specifieke geval namelijk in dat een medewerker van de DUO toezeggingen aan eiser heeft gedaan die de wettelijke bepalingen opzij zouden zetten. Om die reden worden hoge eisen gesteld aan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel. Ook al zou een verkeerd advies aan eiser zijn gegeven, dan heeft hij hier niet zomaar op mogen vertrouwen. De wet is duidelijk en eiser had hiervan op de hoogte kunnen zijn, bijvoorbeeld door middel van het raadplegen van de informatie en brochure op de website van de DUO. Op zitting heeft verweerders gemachtigde op dat punt onweersproken gesteld dat in de brochure ‘Bijverdienen 2015’ staat dat een geactiveerd studentenreisproduct geldt als studiefinanciering. Eiser verkeert weliswaar in bewijsnood om zijn beroep op het vertrouwensbeginsel te onderbouwen, maar gelet op de aard van het vertrouwensbeginsel en de informatie die destijds beschikbaar was, verbindt de rechtbank hier geen consequenties aan.

6. Dat verweerder buiten de beslistermijn op het bezwaar van eiser heeft beslist, heeft geen gevolgen. De beslistermijn is namelijk geen fatale termijn. Daarnaast had eiser juridische mogelijkheden om een snellere beslissing af te dwingen. Zo had hij verweerder in gebreke kunnen stellen vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Dat heeft hij niet gedaan.

7. Verder staat er in de beslissing op bezwaar een verkeerd bedrag genoemd. Dit is slordig, maar is een kennelijke misslag zonder enige consequenties. De rechtbank verbindt hier dan ook geen consequenties aan.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geldend op 31 december 2015.

2 Op grond van artikel 3.17, derde tot en met het zesde lid, van de Wsf 2000 (geldend op 31 december 2015).