Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4074

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3118
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening hangende bezwaar, geen spoedeisend belang, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3118

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.J. Hoogeveen),

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van verzoeker beƫindigd en ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Spoedeisend belang

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiƫle nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.

3. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij geen middelen meer heeft voor zijn levensonderhoud. Daarom heeft hij een spoedeisend belang. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker bankafschriften van zijn betaalrekening overgelegd over de periode van
15 juni 2020 tot en met 15 september 2020.

4. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van een (voldoende) spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Uit de bankafschriften blijkt weliswaar van een laag saldo, maar verzoeker ontvangt wel maandelijks zorgtoeslag. Ook zijn er grote stortingen op de rekening te zien van een derde. Verzoeker heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt van schulden of een huurachterstand. Concluderend komt de voorzieningenrechter dan ook tot het oordeel dat uit de door verzoeker overgelegde stukken niet blijkt dat er een onomkeerbare situatie dreigt die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.

Belangenafweging

6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie

7. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.