Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4034

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 814
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek smartengeld gehoorbeschadiging politie - bevrijdende verjaring - oorzaak gelegen in schietoefeningen 1985 - beroep ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. Arts-Mulder).

Procesverloop

In het besluit van 3 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een vergoeding van smartengeld op grond van artikel 54a van het Besluit rechtspositie ambtenaren (Barp) afgewezen.

In het besluit van 5 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020 via Skype for Business. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser werkt sinds 1972 bij de politie en gedurende de periode van 1982 tot en met 1985 in de functie van [.] . In 1985 is eiser gestopt als [.] en overgeplaatst naar een functie op het politiebureau. Op 27 november 2014 is er door de KNO-arts van het [naam ziekenhuis] vastgesteld dat eiser gehoorschade heeft. Op 22 mei 2018 is de gehoorschade erkend als beroepsziekte. Eiser heeft vervolgens verzocht om vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

In het kader van het onderzoek van verweerder is eiser op 16 juni 2018 en 3 januari 2019 onderzocht en heeft de verzekeringsarts [A] ( [A] ) eiser gediagnosticeerd met tinnitus niveau 3.

2. Verweerder heeft het verzoek om immateriële schade afgewezen omdat volgens verweerder sprake is van zowel absolute als relatieve verjaring van de vordering tot vergoeding van de schade. Verweerder stelt dat eiser in 1985 al op de hoogte was van de gehoorbeschadiging. In 1985 is eiser onderzocht door de GG en GD in Amsterdam en is er een gehoorbeschadiging vastgesteld. Eiser moest ook stoppen met zijn functie en is overgeplaatst. De relatie tussen de werkzaamheden en de schade was dus al in 1985 bij eiser bekend. De absolute verjaringstermijn is daarom gaan lopen in 1985 en geëindigd in 2005. Daar komt bij dat eiser in 1985 al bekend was met de schade en de veroorzaker en dus actie had kunnen ondernemen. De relatieve verjaringstermijn is dus ook gaan lopen in 1985 en daarom geëindigd in 1990, volgens verweerder.

3. Eiser stelt eerst dat verweerder uitgaat van een onjuiste feitelijke grondslag. Eiser had in 1985 geen gehoorklachten. Hij heeft ook niet verzocht om een audiologisch onderzoek. Op de nadrukkelijke wens van de werkgever heeft het onderzoek plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek is ook geen diagnose vastgesteld door een ter zake deskundige arts die aantoonde dat er op dat moment sprake was van een blijvende medische schade. Er is wel geconstateerd dat er gehoorschade was, maar niet dat die blijvend was. Eiser had zelf ook geen klachten. Eiser is pas daadwerkelijk bekend geworden met het hebben van een medisch erkende aandoening door de diagnose door de KNO arts op 27 november 2014. Pas op die dag werd voor het eerst na audiologisch onderzoek geconstateerd dat zijn gehoor ernstig is beschadigd en dat zijn gehoorniveau ver ligt onder dat van het gemiddelde geldende voor zijn leeftijdsgroep. Het beroep op verjaring van verweerder slaagt niet omdat eiser binnen vijf jaar na 27 november 2014 zijn verzoek om toekenning smartengeld heeft ingediend. Subsidiair stelt eiser dat verweerder geen beroep mag doen op de verjaringsbepalingen op grond van de redelijkheid en billijkheid.

4. De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen gaat over de vraag of verweerder zich naar aanleiding van de aansprakelijkstelling voor immateriële schade op verjaring heeft kunnen beroepen.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1wordt aansluiting gezocht bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat gaat over rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.

Op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde bekend is geworden met de schade én de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie (de vijfjaarstermijn) en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan (de absolute verjaringstermijn).

6. In dit geval heeft verweerder zich primair beroepen op de absolute verjaringstermijn van twintig jaar. Voor het aanvangstijdstip van de absolute verjaringstermijn is beslissend het objectief gegeven tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de schade is veroorzaakt.2 In uitzonderlijke gevallen kan op grond van artikel 6:2, tweede lid, van het BW een uitzondering worden gemaakt op de absolute verjaringstermijn. Een dergelijk geval kan zich voordoen als onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn al was verstreken.3

7. De rechtbank oordeelt dat de verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schade is veroorzaakt in de periode dat eiser werkte als [.] , dus in de periode van 1982 tot 1985. Verweerder heeft zich daarvoor onder meer mogen baseren op het rapport van [A] van 31 juli 2019. Op p. 2 van dat rapport overweegt [A] over de blootstelling aan lawaai in werkzaamheden dat betrokkene van 1981 tot 1985 is blootgesteld aan lawaai als [.] en dat betrokkene in 1985 zijn functie heeft moeten neerleggen vanwege de gehoorbeschadiging. [A] heeft zich gebaseerd op een rapport van [organisatie 1] en op de verklaringen van eiser. In het rapport van [organisatie 1] wordt gesproken over de blootstellingsperiode 1981-1985.

Verweerder heeft [organisatie 2] (hierna: [organisatie 2] ) verzocht om te adviseren omtrent eisers letsel. [organisatie 2] heeft in zijn brief van 13 augustus 2018 eiser verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Eiser heeft deze vragen schriftelijk beantwoord. Eiser schrijft daarin onder meer het volgende:

“(…). In 1985 volgt een audiologisch onderzoek door de GG en GD in Amsterdam en het resultaat is dat er dermate ernstige gehoorbeschadiging wordt geconstateerd dat ik moet stoppen met de werkzaamheden als [.] . (…) Daarnaast is er sprake van mogelijke gehoorbeschadiging ten gevolge van inzet als motorrijder gedurende de afgelopen 45 jaar. (mobilofoon – en portofoonverkeer via een luidspreker in de helm) Echter de KNO arts en de bedrijfsarts zijn van mening dat het aannemelijk is dat de gehoorbeschadiging in overwegende mate te wijten is aan de intensieve belasting in de beginjaren 80.(…)”

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de schade is veroorzaakt in de periode van 1981tot 1985, de periode dat eiser werkte als [.] . Uitgaande van 1985, is de absolute verjaringstermijn daarmee in 2005 verstreken.

9. De rechtbank volgt voorts niet het standpunt van eiser dat in zijn geval sprake is van een situatie waarin op grond van artikel 6:2, tweede lid, van het BW (de redelijkheid en billijkheid) een uitzondering moet worden gemaakt op de absolute verjaringstermijn. Blijkens eisers eigen verklaringen is geen sprake van een situatie waarin de schade en de oorzaak daarvan naar zijn aard verborgen is gebleven. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen. Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat verweerder zich in dit geval op verjaring heeft kunnen en mogen beroepen. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Nu verweerder zich heeft mogen beroepen op de absolute verjaringstermijn van 20 jaar komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van de relatieve verjaringstermijn van 5 jaar.

11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2020 door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:509.

2 Hoge Raad van 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2934.

3 Uitspraken van de HR van 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 en van 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494.