Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:4010

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
UTR 20/2857
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontzegging toegang tot gemeenteraadsvergaderingen

De burgemeester van [plaatsnaam] heeft een inwoner van [plaatsnaam] voor drie maanden de toegang ontzegd tot vergaderingen van de gemeenteraad, omdat hij notoir de orde verstoort. De burgemeester heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet. De voorzieningenrechter overweegt dat dit een ingrijpende maatregel is, waarmee het spoedeisend belang bij een uitspraak van de voorzieningenrechter is gegeven.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat deze bevoegdheid de burgemeester niet alleen toekomt als sprake is van geweld of vernielingen zoals verzoeker stelt. In het Reglement van orde worden ook het uiten van beledigende of onbetamelijke taal en het afwijken van het in behandeling zijnde agendapunt aangemerkt als ordeverstoring en de voorzieningenrechter onderschrijft dit. Dit geldt voor mondelinge inspraakreacties tijdens de vergadering zelf, maar ook voor schriftelijke inspraakreacties.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zich hier inderdaad schuldig aan heeft gemaakt. Verzoeker bedient zich herhaaldelijk van onaangenaam getoonzette teksten in relatie tot personen en houdt zich niet bij de ter bespreking voorliggende agendapunten. Verweerder heeft daar enkele voorbeelden van genoemd. Ook heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat raadsleden zich belemmerd voelen in de uitvoering van hun werkzaamheden door de verstoringen door verzoeker. Raadsleden ondervinden hinder van zijn gedrag en zijn onbetamelijke teksten. De burgemeester heeft zijn bevoegdheid daarom aan kunnen wenden. En het is niet zo dat hij daarover eerst een gesprek had moeten voeren met verzoeker. De burgemeester is hiertoe niet verplicht en bovendien was verzoeker bij brief van 20 februari 2020 al gewaarschuwd dat hij zich aan de regels voor inspraak diende te houden, omdat anders andere maatregelen zouden moeten volgen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Ten overvloede geeft de voorzieningenrechter partijen mee dat het geen kwaad kan om met elkaar in gesprek te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2857


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente [plaatsnaam] , verweerder(gemachtigden: mr. drs. H. Doornhof en mr. R. Janssen).

Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker met ingang van 1 september 2020 de toegang ontzegd tot de vergaderingen van de gemeenteraad van [plaatsnaam] voor de duur van drie maanden.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter met name van belang of de bezwaren van verzoeker tegen het primaire besluit een redelijke kans van slagen hebben.

  2. Verweerder heeft verzoeker de toegang tot de vergaderingen van de gemeenteraad ontzegd op grond van artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker in het verleden herhaaldelijk de orde heeft verstoord tijdens de vergaderingen. In een brief van 12 februari 2020 heeft verweerder verzoeker gewezen op de regels omtrent het ordentelijk verloop van vergaderingen en bijeenkomsten van de raad en verzoeker verzocht zich aan deze regels te houden. Omdat dit niet tot het voor verweerder gewenste resultaat heeft geleid, heeft verweerder zich genoodzaakt gezien het primaire besluit te nemen.

  3. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat aan verzoeker een ingrijpende maatregel is opgelegd. Aan hem wordt het democratische recht ontzegd om met ingang van 1 september 2020 de vergaderingen van de raad bij te wonen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee het spoedeisend belang bij een uitspraak van de voorzieningenrechter gegeven.

  4. Artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de voorzitter van de raad bevoegd is toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

  5. Verzoeker voert aan dat er geen sprake is van ordeverstoringen. Artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet is bedoeld voor ernstige misstandige gedragingen, zoals geweld of het kapot maken van dingen en daarvan is absoluut geen sprake.

  6. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn uitleg van dit wetsartikel. Verzoeker heeft niet aangegeven waarop zijn uitleg is gebaseerd of een andere onderbouwing gegeven. Het is veeleer zijn eigen interpretatie van dit artikel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorzitter de bevoegdheid om toehoorders de toegang te ontzeggen niet alleen toekomt wanneer sprake is van geweld of vernieling. Een ordeverstoring kan er ook uit bestaan dat een toehoorder zich niet houdt aan het Reglement van orde, zoals dat is vastgesteld voor de vergaderingen van de gemeenteraad1. Dit Reglement van orde is opgesteld om een ordentelijk verloop van de vergaderingen te waarborgen en geldt ook voor verzoeker als hij de vergaderingen bezoekt en daar wil inspreken. In het Reglement van orde worden ook het uiten van beledigende of onbetamelijke taal en het afwijken van het in behandeling zijnde agendapunt aangemerkt als ordeverstoring en de voorzieningenrechter onderschrijft dit. Dit geldt voor mondelinge inspraakreacties tijdens de vergadering zelf, maar ook voor schriftelijke inspraakreacties. De vraag is dus of verzoeker zich daaraan bij herhaling schuldig heeft gemaakt.

7. Het antwoord van de voorzieningenrechter op deze vraag is bevestigend. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zich herhaaldelijk van onaangenaam getoonzette teksten bedient in relatie tot personen. Zijn teksten zijn vaak onbetamelijk en onnodig grievend. Zo heeft verzoeker zich voor de vergadering van 18 mei 2020 aangemeld om mondeling in te spreken. Tijdens de vergadering heeft hij zijn inspraak omgezet in een schriftelijke inspraakreactie. Daarin wordt naar de kinderburgemeester van [plaatsnaam] verwezen als ‘Kindslaaf [naam] van [A] ’. Waarna de voorzitter de schriftelijke inspraakreactie buiten de vergaderstukken heeft gelaten. Tijdens de vergaderingen van 16 juni 2020 en 6 juli 2020 heeft verzoeker teksten ingesproken die geen verband hielden met het ter bespreking voorliggende agendapunt en daarnaast onbetamelijkheden bevatten aan het adres van enkele gemeenteraadsleden. Verder heeft verweerder als voorbeeld genoemd een ordeverstoring door verzoeker van de vergadering van 14 januari 2020. Verzoeker heeft niet weersproken dat dit heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat raadsleden zich belemmerd voelen in de uitvoering van hun werkzaamheden door de verstoringen door verzoeker. Raadsleden ondervinden hinder van zijn gedrag en zijn onbetamelijke teksten. Verweerder heeft hieraan terecht een einde willen maken en daartoe de bevoegdheid die hij op grond van artikel 26 van de Gemeentewet heeft aan kunnen wenden. Dat verzoeker zich wel aan zijn spreektijd heeft gehouden, zoals ter zitting is bepleit, kan aan het voorgaande niet afdoen.
Verzoeker vindt het vervelend dat hij tot de orde wordt geroepen en beroept zich op zijn vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter wijst verzoeker er echter op dat ook aan de vrijheid van meningsuiting grenzen zitten, die ook hij zal moeten respecteren, ook al strijdt hij in zijn ogen voor de goede zaak.

8. Verzoeker voert verder aan dat verweerder met hem in gesprek had moeten gaan alvorens het primaire besluit te nemen. De voorzieningenrechter denkt daar anders over. Artikel 26, tweede lid, van de Gemeentewet bevat deze verplichting niet. Verzoeker heeft verwezen naar bepalingen in de Burgemeesterswet, die hiertoe zouden verplichten, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat deze wet niet bestaat. Ook een andere grondslag voor deze verplichting heeft de voorzieningenrechter niet gevonden. Bovendien heeft verweerder verzoeker er bij brief van 20 februari 2020 op gewezen dat hij de grenzen van het betamelijke de afgelopen maanden meermaals heeft overschreden en hem verzocht zich in het vervolg aan de regels voor inspraak te houden. Daarbij heeft de burgemeester erop gewezen dat andere maatregelen zullen volgen als de brief niet tot zichtbaar resultaat leidt. Verzoeker was dus een gewaarschuwd man, ook zonder dat een gesprek tussen hem en de burgemeester had plaatsgevonden.

9. Verzoeker heeft ook nog aangevoerd dat verweerder het besluit niet kon nemen zonder overleg met de leden van de gemeenteraad en/of de voorzitters van de verschillende commissies. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de bevoegdheid is toegekend aan de burgemeester. Hij alleen draagt de verantwoordelijkheid voor het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen en hoe hij deze verantwoordelijkheid invult is aan hem. Er bestaat geen verplichting om daarover van gedachten te wisselen met anderen. De voorzieningenrechter heeft dus geen aanknopingspunt voor de juistheid van verzoekers standpunt.

10. Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen hebben. Gelet hierop bestaat er dan ook geen aanleiding om gelet op de betrokken belangen een voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Verzoeker heeft ter zitting de wens geuit om op goede voet te komen met verweerder. De voorzieningenrechter juicht dat toe, een betere verstandhouding is voor alle partijen wenselijk en te verkiezen boven de huidige gang van zaken. De voorzieningenrechter wil partijen dan ook meegeven dat een gesprek in ieder geval nooit kwaad kan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van [plaatsnaam] 2016.