Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3994

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
NL19.16736
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen advocaat en cliënt in strijd met artikel 7 lid 1 Verordening op de advocatuur en daarmee nietig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.16736

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

1 [geopposeerde sub 1] TEVENS H.O.D.N. [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geopposeerde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geopposeerden, hierna samen te noemen: [geopposeerde sub 1] c.s.,
advocaat mr. [geopposeerde sub 1] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[opposant] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
opposant, hierna te noemen: [opposant] ,
advocaat mr. N.M. Korstenbroek

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met producties

  • -

    het verstekvonnis van 29 augustus 2019

  • -

    het verzetexploot met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in het verzet (in deze procedure aangeduid als conclusie van repliek met producties)

  • -

    de conclusie van repliek in het verzet (in deze procedure aangeduid als conclusie van dupliek met producties)

  • -

    de akte van [geopposeerde sub 1] c.s.

1.2.

In deze zaak heeft vanwege de uitbraak van het coronavirus geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. In plaats daarvan hebben partijen de hiervoor genoemde conclusies en akte genomen. Daarna is besloten om vonnis te wijzen.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

[geopposeerde sub 1] c.s. vordert dat [opposant] wordt veroordeeld om aan zowel [geopposeerde sub 1] als [geopposeerde sub 2] een bedrag van € 211.750,- te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, en een bedrag van € 2.833,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vorderingen zijn in het hiervoor genoemde verstekvonnis toegewezen. [opposant] is tijdig in verzet gekomen. Zij vordert dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geopposeerde sub 1] c.s. alsnog worden afgewezen.

2.2.

[opposant] heeft een bedrijf dat werkzaam is in de grond-, weg- en waterbouw en houdt zich daarbinnen met name bezig met straat- en rioleringswerk. [opposant] heeft een conflict gehad met de gemeente Utrecht over (kort gezegd) een overeenkomst die zij na een aanbesteding met de gemeente had gesloten. Dit conflict is in 2014 ontstaan. [geopposeerde sub 2] (geopposeerde sub 2) heeft haar hierin als advocaat bijgestaan op basis van een uurtarief van € 175,- en heeft in april 2014 € 4.806,72 inclusief BTW gefactureerd. De desbetreffende rekening heeft [opposant] betaald. Op enig moment heeft [geopposeerde sub 2] [geopposeerde sub 1] betrokken bij de behandeling van de zaak.

2.3.

Op 10 juli 2015 heeft [geopposeerde sub 2] een e-mail aan [opposant] gestuurd, waarin hij het volgende schrijft:

“Gisteravond bespraken we nog de bonusregeling. Jij kwam met een heel sympathiek nader/vernieuwd voorstel.

[voornaam van geopposeerde sub 1] [ [geopposeerde sub 1] , rb] en ik waarderen dit uiteraard heel erg. We gaan te meer onze uiterste best doen!

Ik heb het ook even met [voornaam van geopposeerde sub 1] afgestemd.

Klopt het zoals het hieronder staat?

Bedragen in omzet (excl. Btw).

-als we er 2 mlo of meer uitslepen, krijgen we ieder € 75.000

ons totale bedrag is dan € 150.000. Dat is afgerond 7,5% van 2 mlo

-Als we er minder uit slepen dan 2 mlo, krijgen we een evenredig deel minder van de € 75.000 elk. Als we er bijvoorbeeld 1.850.000 uit halen, is dat 7,5% minder dan 2 mlo, en dan ontvangen we beiden € 75.000 minus 7,5% = € 62.250, en zo voorts

-dit geldt ook naar boven: als we er 2.26 mlo uithalen, is dat 7,5% meer, en krijgen we elk € 75000 + 7,5% = € 84.750, en zo voorts.

Vervolgens is ook ter sprake gekomen, hoe dit te regelen als we er werk in plaats van geld uit halen (wat eigenlijk beter zou zijn). Dan als volgt

  • -

    2 jaar werk: € 75.000 elk

  • -

    1 jaar werk: 60 % van € 75.000

  • -

    3 jaar werk: 140 % van € 75.000?

(zei je nu over bij 4 jaar werk: beiden een ton? Of 180 % van € 75.000?)

In dit alles verdisconteren we de pak m beet / voorlopig aan te houden € 540.000 (bedrag onder voorbehoud genoemd in concept KG dagvaarding) dat we mogelijk al hebben bespaard, voor de contractsperiode 1 juli-1 november 2015.

Na 1 november is de staat op te maken wat er precies is bespaard met de nieuwe afspraken met de gemeente.

Het kan ook dat ze blijven manipuleren en dat de omzet niet met € 540.000 toeneemt tot 1 november.

In principe gaat dan alles mee met de schadevergoedingsprocedure. Maakt voor de bonusafspraken niet uit.

De bedragen die we er uit slepen, zijn “baar”. Dus niet na aftrek van de investeringen die jullie al hebben gedaan, specifiek gericht op de klus Utrecht.

Nog niet besproken, maar volgens mij logisch: als de opbrengst gemengd is: 1 jaar werk + een bedrag aan schadevergoeding: naar evenredigheid

Ook besproken: als de kwestie nog voor het eind van dit jaar -2015- wordt afgerond, gaan [voornaam van geopposeerde sub 1] en ik dit jaar nog al wat declareren.

Dat lijkt mij geen probleem!

Maar laten we eerst de beer maar eens schieten…

Vragen of correcties hoor ik graag.”

2.4.

Op 15 juli 2015 heeft [opposant] per e-mail aan [geopposeerde sub 2] over de hiervoor weergegeven tekst geschreven:

“ja zo klopt het”

2.5.

[opposant] had (zo bleek hem op een gegeven moment) een rechtsbijstandsverzekering bij DAS. [geopposeerde sub 2] heeft DAS laten weten dat hij een uurtarief van

€ 220,- hanteerde. Op 8 maart 2016 heeft [geopposeerde sub 2] een bedrag van € 60.214,- bij DAS gedeclareerd (273,7 uur maal het genoemde tarief van € 220,-). Volgens [geopposeerde sub 1] c.s. heeft DAS hiervan maar € 43.703,84 betaald, omdat zij het tarief van € 220,- te hoog vond. [opposant] betwist dat.

2.6.

In 2016 ontstond er een nieuw conflict met de gemeente Utrecht, ook weer over een aanbesteding. De gemeente Utrecht had [opposant] voorlopig een opdracht gegund, maar liet later weten dat zij hiervan wilde terugkomen en heeft de aanbesteding uiteindelijk ingetrokken. [opposant] heeft in die periode contact opgenomen met een andere advocaat, mr. [A] , werkzaam bij [.] . In de kortgedingprocedure die [opposant] daarop tegen de gemeente is begonnen, is [opposant] in het gelijk gesteld. In deze procedure werd [opposant] bijgestaan door de hiervoor genoemde mr. [A] . Begin mei 2017 hebben [opposant] en de gemeente Utrecht een raamovereenkomst getekend met een duur van acht jaar.

2.7.

[geopposeerde sub 1] c.s. meent dat (ook) hij in grote mate heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de hiervoor genoemde raamovereenkomst. Daarnaast hebben zijn werkzaamheden er volgens hem toe geleid dat het conflict over de eerdere overeenkomst (dat zoals gezegd in 2014 begon) in het voordeel van [opposant] is beslecht. Volgens hem heeft hij daarom recht op de bonus die in de hiervoor in 2.3. weergegeven e-mail is genoemd en betekent dat dat [opposant] een bedrag van € 313.440,- aan zowel [geopposeerde sub 1] als [geopposeerde sub 2] moet betalen. [opposant] weigert dat te doen. In deze procedure hebben [geopposeerde sub 1] en [geopposeerde sub 2] hun vordering beperkt tot € 211.750,- elk.

2.8.

[opposant] heeft verweer tegen deze vordering gevoerd. Volgens haar is zij nooit een bonusregeling overeengekomen: de tekst van de in 2.3. weergegeven e-mail is daarvoor veel te vaag en bevat zelfs nog vragen waarop [opposant] nooit antwoord heeft gegeven. Maar als dat anders is en partijen dus wel een overeenkomst over een bonusregeling hebben gesloten, is deze overeenkomst volgens [opposant] nietig wegens strijd met de Advocatenwet, de daarop gebaseerde Verordening op de advocatuur en de Gedragsregels. [opposant] heeft er in dit verband op gewezen dat hij zich met een klacht over [geopposeerde sub 2] tot de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland heeft gewend, die de klacht heeft onderzocht en na een gesprek met [geopposeerde sub 2] heeft besloten de klacht ter kennis te brengen van de Raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, waarbij hij zichzelf als mede-klager heeft aangemerkt. Op 5 oktober 2020 zal de mondelinge behandeling plaatsvinden. De rechtbank ziet vanwege wat hierna zal worden overwogen geen aanleiding om de uitspraak van de Raad van discipline af te wachten.

2.9.

Of partijen een overeenkomst over een bonusregeling hebben gesloten, kan in het midden blijven. Als dat zo is, is deze overeenkomst namelijk (zoals [opposant] heeft aangevoerd) nietig en kan [geopposeerde sub 1] c.s. daarvan geen nakoming vorderen.

2.10.

Op grond van artikel 7 lid 1 sub b van de Verordening op de advocatuur (zoals deze op 1 januari 2015 in werking is getreden, hierna: de Verordening), is het een advocaat niet toegestaan om af te spreken dat zijn honorarium een evenredig deel bedraagt van de waarde van het door zijn bijstand te bereiken gevolg. Deze regel beoogt te voorkomen dat een advocaat een groot financieel eigen belang heeft bij de afloop van de zaak, waardoor zijn onafhankelijkheid in het gedrang komt. Wat blijkens tuchtrechtspraak wel is toegestaan, is een declaratieafspraak die ertoe leidt dat bij het uitblijven van een positief resultaat wordt gedeclareerd op basis van een laag (uur)tarief en dat bij een positief resultaat een hoger (uur)tarief zal gelden. Het Hof van Discipline heeft hierover in een uitspraak van 7 september 2018 overwogen:

De ondergrens wordt bepaald door de eis dat dit tarief in ieder geval kostendekkend moet zijn en voorziet in een bescheiden salaris voor de advocaat. De bovengrens wordt bepaald door de eis dat het honorarium in ieder geval (nog) redelijk moet zijn. In beginsel zal de advocaat vooraf een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding, het totaal aan te verwachten kosten en, voor zover in redelijkheid mogelijk, het te verwachten resultaat. Verder moet het (uiteindelijk) in rekening te brengen honorarium in redelijke verhouding staan tot de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en dient de advocaat daarover tegenover de cliënt verantwoording af te leggen. Tot slot moet tussen de hiervoor genoemde ondergrens en bovengrens een redelijke verhouding bestaan en wel zo dat de advocaat geen significant eigen belang heeft bij de wijze waarop het geschil tussen zijn cliënt(en) en zijn wederpartij tot een oplossing wordt gebracht. Wat als redelijke verhouding heeft te gelden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de inhoud van het te behalen resultaat en de mate waarin de advocaat specifieke (onderzoeks)kosten voor zijn rekening neemt.

2.11.

[opposant] heeft terecht aangevoerd dat [geopposeerde sub 1] c.s. in de e-mail van [geopposeerde sub 2] niet is uitgegaan van een laag uurtarief dat bij het behalen van een positief resultaat wordt verhoogd. Het honorarium bedraagt een percentage van het bereikte resultaat en het aantal door [geopposeerde sub 1] c.s. bestede uren is daarbij dus (kennelijk) niet van belang. Dat is niet toegestaan.

2.12.

Het is ook niet vast te stellen op welk verhoogd uurtarief zou worden uitgekomen als wordt uitgegaan van de vordering van in totaal € 423.500,-. Uit de stellingen van [geopposeerde sub 1] c.s. blijkt dat hij zijn uren voor de zaak van [opposant] niet, althans volstrekt onvoldoende, heeft geadministreerd. In de conclusie van repliek stelt hij dat in totaal 423,7 uur aan de zaak van [opposant] heeft besteed. Uit de paragrafen 57 tot en met 59 van deze conclusie kan worden afgeleid (duidelijk is het niet) dat [geopposeerde sub 1] c.s. bedoelt dat dit de uren zijn die hij in totaal in 2015 aan de zaak van [opposant] heeft gewerkt. Hij heeft daarbij gewezen op productie 21, maar dit betreft een urenoverzicht voor (alleen) de maanden april en mei 2015 en hieruit blijkt het door hem genoemde aantal uren niet. In de paragrafen 60 en 61 van dezelfde conclusie valt te lezen dat [geopposeerde sub 1] c.s. volgens hem in de jaren 2015, 2016 en 2017 “ten minste” 573 uur aan de zaak van [opposant] heeft besteed, waarvan 150 uur niet in rekening is gebracht. Ook hiervan onderbreekt weer een onderbouwing. Dit betekent dat niet valt vast te stellen hoeveel [opposant] (uitgaande van de vordering van [geopposeerde sub 1] c.s.) per uur aan [geopposeerde sub 1] c.s. verschuldigd is en dus ook niet of er een redelijke verhouding bestaat tussen het eerder gehanteerde lagere tarief (van € 175,- dan wel € 220,-) en het (uiteindelijk pas na een berekening vast te stellen) verhoogde tarief.

2.13.

Daarbij komt dat als wél had kunnen worden uitgegaan van de door [geopposeerde sub 1] c.s. genoemde 573 uur, het verhoogde uurtarief € 739,- (€ 423.500,- (totale vordering in deze procedure) /573 uur) zou bedragen. Uit de stellingen van [geopposeerde sub 1] c.s. kan worden afgeleid dat hij de eerder genoemde 423 uur (573-/-150) wél heeft gedeclareerd. Hiervoor heeft [geopposeerde sub 1] c.s. dus, zo neemt de rechtbank aan, een betaling ontvangen en de rechtbank gaat ervan uit dat hierbij het uurtarief heeft gegolden dat [geopposeerde sub 1] c.s. bij DAS heeft gehanteerd, te weten € 220,-. Dat DAS dit tarief niet accepteerde, heeft [opposant] namelijk betwist en [geopposeerde sub 1] c.s. niet onderbouwd. Voor die 423 uur zou het totale uurtarief dan, uitgaande van de vordering van € 423.500,-, neerkomen op € 959,- (€ 739,- + € 220,-). Waarom een dergelijk hoog tarief hier redelijk zou zijn, heeft [geopposeerde sub 1] c.s. niet duidelijk gemaakt en is ook niet in te zien.

2.14.

Niet alleen maakt [geopposeerde sub 1] c.s. dus geen onderscheid tussen een laag en een verhoogd uurtarief (hij gaat zelfs in het geheel niet van een uurtarief uit), als na een berekening een uurtarief wordt vastgesteld, is dit tarief ook nog eens niet redelijk. Deze twee omstandigheden (ook al wanneer deze op zichzelf worden beschouwd) maken dat de in de e-mail van [geopposeerde sub 2] vermelde regeling in strijd is met het in artikel 7 lid 1 sub b van de Verordening opgenomen verbod.

2.15.

De Verordening is vastgesteld door de Nederlandse Orde van Advocaten. Dat is, zo is vastgelegd in artikel 17 van de Advocatenwet, een openbaar lichaam met regelgevende bevoegdheden in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Bepalingen uit de Verordening moeten daarom worden aangemerkt als wetsbepalingen in de zin van artikel 3:40 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW. Een overeenkomst die in strijd is met een in de Verordening opgenomen verbod is op grond van dit wetsartikel nietig. Omdat het verbod van grote betekenis is voor een behoorlijke uitoefening van de advocatenpraktijk, acht de rechtbank een dergelijke overeenkomst ook in strijd met de openbare orde. Ook op die grond is de overeenkomst nietig (artikel 3:40 lid 1 BW).

2.16.

Van een nietige overeenkomst kan uiteraard geen nakoming worden gevorderd. Dit betekent dat het verstekvonnis zal worden vernietigd. [geopposeerde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de overeenkomst in geval van nietigheid zou moeten worden geconverteerd, maar op welke manier heeft hij niet duidelijk gemaakt en de rechtbank kan dit ook niet zelf vaststellen. De vordering van [geopposeerde sub 1] c.s. zal daarom in haar geheel worden afgewezen.

2.17.

[geopposeerde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [opposant] worden begroot op:

- explootkosten € 81,83

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2 punt × tarief € 3.099,00)

Totaal € 10.309,83

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

vernietigt het verstekvonnis dat deze rechtbank op 29 augustus 2019 tussen partijen heeft gewezen,

3.2.

wijst de vorderingen van [geopposeerde sub 1] c.s. alsnog af,

3.3.

veroordeelt [geopposeerde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [opposant] tot op heden begroot op € 10.309,83,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

Type: AFH/4105

Coll: JvdB/4223