Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3988

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1357
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand - handel op marktplaats en internet in kinderkleding en lampen - Vw mocht niet over alle jaren alles intrekken en terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1357

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , Portugal , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A. Versteegh),

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder

(gemachtigde: P. van der Voorn).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op algemene en bijzondere bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken over de periode van 8 oktober 2012 tot en met 28 februari 2018.

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder een bedrag van eiseres teruggevorderd van € 103.542,27.

Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een
verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 28 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft samen met de heer [A] (haar ex-partner) bijstand ontvangen over de periode van 8 oktober 2012 tot en met 1 maart 2018. Het recht op bijstand is in 2018 beëindigd, omdat zij niet meer reageerde op verzoeken om informatie van verweerder. Ook is gebleken van werkaanvaarding in november 2017 en 23 april 2018. Verweerder heeft een risicoanalyse gedaan en er is onderzoek verricht door team handhaving en de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een proces-verbaal van 23 mei 2019 van de Sociale Recherche en een rapport van team handhaving van 9 juli 2019.

2. Het bestreden besluit gaat over de intrekking en terugvordering van algemene bijstand over de periode 8 oktober 2012 tot en met 28 februari 2018 (periode in geding). Daarnaast heeft verweerder het recht op een individuele inkomenstoeslag, indirecte schoolkosten, bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage Menzis, de tegemoetkoming maatschappelijke, sociale en culturele participatie en koopkrachttegemoetkoming (hierna gezamenlijk te noemen: bijzondere bijstand) over de periode in geding ingetrokken en teruggevorderd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eiseres en haar ex-partner op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht, omdat zij spullen hebben verkocht op www.marktplaats.nl (Marktplaats). In de periode van 3 oktober 2012 tot en met 11 maart 2018 zijn in totaal 1997 advertenties op Marktplaats geplaatst met een waarde van in totaal € 63.095,95. Verder heeft de ex-partner van eiseres in ieder geval vanaf maart 2016 lampen van hout gemaakt en hebben zij die samen voor verkoop aangeboden op internet.

3. Eiseres heeft primair aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Eiseres wijst erop dat zij en haar ex-partner bij verweerder hebben gemeld dat zij kleding van hun dochters verkochten op Marktplaats. Verweerder heeft destijds een rechtmatigheids-onderzoek gedaan. In het rapport van 12 mei 2014 is geconcludeerd dat slechts sprake was van incidentele verkoop. Het is volstrekt onredelijk om nu achteraf alsnog het recht op bijstand in te trekken en terug te vorderen. Eiseres stelt dat zij, gelet op dit onderzoek van verweerder en de conclusie die toen is getrokken, er op mocht vertrouwen dat zij en haar ex-partner niet in strijd met hun inlichtingenplicht handelden. Eiseres beroept zich in dit verband ook op de zes maanden jurisprudentie.

4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel er in mei 2014 inderdaad gesproken is over verkoop van (kinder)kleding via Marktplaats, is de rechtbank van oordeel dat eiseres daaraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zij niet in strijd handelde met haar inlichtingenverplichting. Blijkens het rapport van 12 mei 2014 heeft verweerder op basis van het gesprek en de bankafschriften van eiseres destijds geconcludeerd dat sprake was van incidentele verkoop van kinderkleding. Echter, die conclusie van verweerder was gebaseerd op de informatie die verweerder destijds had, namelijk de verklaringen van eiseres en haar bankafschriften. Uit het latere onderzoek is op basis van gegevens van Marktplaats, verklaringen van de ouders van eiseres, computergegevens en bankafschriften van de vader van eiseres, gebleken dat de omvang van de verkoop van kleding veel groter was dan verweerder in 2014 kon weten.

De rechtbank is van oordeel dat het eiseres, gelet op de grote hoeveelheid advertenties die zij plaatste, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat geen sprake was van incidentele verkoop van kinderkleding. Zij had dit bij verweerder moeten melden. Door dat niet te doen heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op de zes maanden jurisprudentie niet slaagt. Deze jurisprudentie ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan de bevoegdheid heeft om terug te vorderen maar daartoe niet verplicht is. Doordat in dit geval eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden is verweerder op grond van de Pw verplicht om de bijstand in te trekken en de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen.

6. Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat verweerder ten onrechte over de gehele periode in geding het recht op bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. Over de jaren 2012 en 2013 heeft zij in dat verband aangevoerd dat de verkoop op Marktplaats gedaan is door haar ouders en dat ook de opbrengst naar hen is gegaan. Dit wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van de ouders van eiseres en blijkt ook uit de bankafschriften van de ouders.

Over 2014 heeft eiseres aangevoerd dat er in dat jaar geen advertenties zijn geplaatst, met uitzondering van een zestal advertenties voor gereedschappen. Het is volstrekt ongebruikelijk dat er een jaar na het plaatsen van een advertentie op Marktplaats nog goederen worden verkocht. Marktplaats verwijdert een advertentie zelf na zes weken. Verweerder stelt zich dus ten onrechte op het standpunt dat over 2014 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat er inkomen vanuit eerder geplaatste advertenties kan zijn verkregen. Het standpunt van verweerder dat hij kon overgaan tot intrekking van de bijstand omdat hij vermoedt dat eiseres en haar ex-partner contante betalingen ontvingen en dat er een onbekende bankrekening moet zijn nu er geen afschrijvingen zijn van de wegenbelasting voor de auto op naam van eiseres en/of haar ex-partner met kenteken [kenteken] is niet onderbouwd.

Over 2015 zijn er advertenties geplaatst met in totaal slechts een potentiële verkoopprijs van € 731,95. Dit zijn incidentele verkopen geweest via Marktplaats. Over 2016 tot en met februari 2018 heeft eiseres aangevoerd dat eiseres en haar ex-partner in 2016 hebben gemeld dat ze lampen wilden verkopen. Ze hebben een BBZ-uitkering aangevraagd, alle informatie opgestuurd en het ondernemingsplan is besproken. Doordat dit erg lang bij verweerder bleef liggen en er niets gebeurde, hebben zij de lampen zelf aangeboden op Marktplaats. De verkoop liep niet goed en het hele huis staat nog vol met lampen. Als verweerder een huisbezoek had afgelegd, was dat duidelijk geworden. Verweerder geeft volgens eiseres een volstrekt verkeerd beeld van de werkelijkheid.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij de intrekking en terugvordering van de voorzieningen die naast de algemene bijstand zijn verstrekt, niet heeft onderzocht of deze vergoedingen zijn besteed aan het daarvoor bestemde doel. Eiseres stelt dat zij wel degelijk bijstandsbehoeftig was en dat zij wel degelijk recht had op deze voorzieningen.

Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat het terugvorderingsbedrag veel hoger is dan wat zij ooit met de advertenties op Marktplaats heeft verdiend. Verweerder moet het inkomen schattenderwijs vaststellen en daarbij dient de terugvordering ook evenredig te zijn aan het verzwegen vermogen, in dit geval dus de mogelijke opbrengsten.

7. De rechtbank komt tot het volgende oordeel over de subsidiaire standpunten van eiseres.

8. De rechtbank overweegt dat intrekking en terugvordering van de bijstand een voor eiseres belastend besluit opleveren. Dat betekent dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan.

Over de jaren 2012 en 2013

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid. Niet in geschil is dat er tussen oktober 2012 en december 2013 elke maand advertenties op Marktplaats zijn geplaatst waarbij kleding is aangeboden. Evenmin is in geschil dat de advertenties zijn geplaatst vanaf het ip-adres op naam van eiseres en dat in de advertenties het bij eiseres in gebruik zijnde e-mailadres [e-mailadres] ) vermeld stond. Op basis daarvan heeft verweerder er van mogen uitgaan dat eiseres degene is die de advertenties via dat e-mailadres op Marktplaats heeft geplaatst. Gelet op de hoeveelheid advertenties en de daarin vermelde vraagprijzen heeft verweerder dit niet hoeven aanmerken als incidentele verkoop. Aan eiseres had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze handelsactiviteiten van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Door hierover aan verweerder geen mededeling te doen, heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

10. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.1

Eiseres is daarin niet geslaagd, nu enige administratie met betrekking tot de geplaatste advertenties, de reacties daarop en de opbrengst ervan ontbreekt. Gelet hierop slaagt ook de beroepsgrond dat verweerder de bijstand schattenderwijs had kunnen en moeten vaststellen niet. Daartoe ontbreken de benodigde gegevens.

Over de periode januari 2014 tot en met februari 2016

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte over deze gehele periode het recht op bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. Daarvoor is het volgende van belang.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat er in 2014 slechts zes advertenties op Marktplaats zijn gezet. Evenmin in geschil is dat een advertentie op Marktplaats zonder verlenging maximaal zes weken zichtbaar blijft. Gelet op deze advertentieduur en het feit dat de rechtbank niet uit de stukken kan afleiden dat de advertenties verlengd zijn, is het aannemelijk dat er langere perioden zijn geweest waarin eiseres niet heeft geadverteerd op Marktplaats. De rechtbank is van oordeel dat verweerder over 2014, op basis van de beschikbare informatie, ten onrechte tot intrekking en terugvordering van de bijstand is overgegaan. Bij de in 2014 geplaatste zes advertenties gaat het naar het oordeel van de rechtbank om incidentele verkopen. Het standpunt van verweerder dat de intrekking in 2014 gebaseerd kan worden op het vermoeden dat er een onbekende bankrekening bestond en dat eiseres een e-mailadres gebruikte dat werkzaamheden suggereerde, is daarvoor onvoldoende. Daarmee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van de bijstand is voldaan.

13. Uit de beschikbare informatie blijkt verder dat er in het jaar 2015 alleen in de maanden januari, februari, april en mei 2015 advertenties zijn geplaatst op Marktplaats. Gelet op de advertentieduur acht de rechtbank het aannemelijk dat ook in maart 2015 en juni 2015 nog advertenties op Marktplaats hebben gestaan. Vanaf juli 2015 tot en met februari 2016 is dat op basis van de beschikbare gegevens niet aannemelijk gemaakt door verweerder.


Over de periode maart 2016 tot en met maart 2018

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in deze periode sprake is geweest van op geld waardeerbare arbeid. Uit het onderzoek van de Sociale Recherche blijkt dat eiseres en haar ex-partner vanaf maart 2016 houten lampen hebben gemaakt en deze te koop hebben aangeboden op internet. Uit het onderzoek van verweerder blijkt dat de lampen onder de naam [naam] te koop zijn aangeboden op Marktplaats, Facebook en op een speciaal daarvoor gemaakte website [website] . Op die website staan het adres, telefoonnummer en bankrekeningnummer van eiseres en/of haar ex-partner vermeld. Eiseres ontkent dit ook niet. Gelet op de aard van de advertenties, de verkoopprijzen en de wijze waarop deze te koop zijn aangeboden, heeft verweerder dit terecht aangemerkt als handel.

15. Het betoog van eiseres dat de werkmatcher, gelet op de BBZ-aanvraag, op de hoogte was van de handel in lampen en van het feit dat er uiteindelijk geen lampen zijn verkocht, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Uit het dossier blijkt niet dat de werkmatcher op de hoogte was van de handel in lampen en dat hiervoor in afwachting van de uitkomst van een BBZ-aanvraag toestemming is verleend. Verder is de vraag of er daadwerkelijk inkomsten zijn genoten uit op geld waardeerbare arbeid niet van belang. Verweerder heeft de verrichte werkzaamheden, gelet op hun aard en hoeveelheid, terecht aangemerkt als werkzaamheden waar normaliter een beloning tegenover staat of waarvoor redelijkerwijs een beloning kan worden bedongen.2

16. Eiseres had deze activiteiten bij verweerder moeten melden. Nu eiseres dat niet heeft gedaan, heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden. Nu eiseres ook van de handel in lampen geen administratie heeft bijgehouden, is het recht op bijstand niet vast te stellen en heeft verweerder om die reden terecht het recht op bijstand ingetrokken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres heeft gesteld, niet onzorgvuldig gehandeld door geen huisbezoek af te leggen. Met een huisbezoek zou immers geen volledig beeld zijn verkregen van de handel in lampen omdat, zoals eerder overwogen, eiseres daarvan geen administratie heeft bijgehouden.

17. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw is verweerder vervolgens verplicht om de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. De beroepsgrond dat de terugvordering niet evenredig is gezien de omvang van de inkomsten, slaagt om die reden niet.

Eindconclusie

18. Gelet op rechtsoverwegingen 11 tot en met 13 berusten de intrekking en terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand over het jaar 2014 en over de periode juli 2015 tot en met februari 2016 op onvoldoende feitelijke grondslag. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de intrekking van algemene en bijzondere bijstand over het jaar 2014 en over de periode juli 2015 tot en met februari 2016 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de intrekking van de algemene en bijzondere bijstand over voormelde periodes. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over de hiervoor genoemde periodes en een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal de rechtbank het bestreden besluit geheel vernietigen, voor zover het de terugvordering betreft.

19. Omdat de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt om dat zelf te doen zal verweerder een nieuwe berekening moeten maken van het terug te vorderen bedrag, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Nu het nog gaat om een financiële uitwerking, waaruit naar verwachting geen nieuwe geschil tussen partijen zal voortkomen, ziet de rechtbank af van het toepassen van een bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

21.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de intrekking van algemene en
bijzondere bijstand over het jaar 2014 en de periode van juli 2015 tot en met februari 2016

en de terugvordering;

- herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de intrekking van algemene en

bijzondere bijstand over het jaar 2014 en de periode van juli 2015 tot en met februari 2016;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak over

de terugvordering een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze

uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2020 door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. R.J.A. Schaaf en mr. M.N. Noorman, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1282.

2 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1282.