Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3967

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
UTR 19/3831
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning horeca en terras, proeflokaal bierbrouwerij. Beroep omwonende: geluid, parkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3831


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2020 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. de Vet),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: M. Akkersdijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te Utrecht.

Inleiding

1. De derde-partij (hierna: vergunninghouder) is eigenaar van een [bedrijf A] op

bedrijvengebied [bedrijvengebied] in [woonplaats] . Eiser woont op ongeveer 50 meter afstand, bij zijn eigen bedrijf. Bij [bedrijf A] worden rondleidingen gegeven en bevindt zich ook ondergeschikte horeca. Vergunninghouder wil graag een terras vestigen bij [bedrijf A] en heeft daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd.

2. In het besluit van 12 april 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor een horecabedrijf categorie B inclusief terras. In de beslissing op bezwaar van 19 augustus 2019 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen die beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

3. Het beroep is behandeld op de Skypezitting van 6 augustus 2020. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van het college was ook aanwezig, samen met adviseur geluid [adviseur geluid] . Vergunninghouder is vertegenwoordigd door haar directeur/eigenaar: [eigenaar] .

De beoordeling door de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college de vergunning verlenen. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot die conclusie is gekomen.
Toetsingskader

5. Deze zaak gaat over de vraag of de omgevingsvergunning die het college aan vergunninghouder heeft verleend voor het gebruik van het terrein voor [bedrijf A] als terras in stand kan blijven. De omgevingsvergunning is nodig omdat het beoogde gebruik van het terrein afwijkt van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De vergunning is verleend met gebruik van de zogenoemde kruimelregeling.

6. Het wettelijk kader is als volgt. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan.

7. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval betreft. Deze gevallen staan omschreven in artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), ook wel de kruimelregeling genoemd.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend door gebruik te maken van de kruimelregeling. Bij een beslissing om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid, heeft verweerder beleidsruimte. De rechtbank kan de keuzes die verweerder heeft gemaakt bij het afwegen van de betrokken belangen daarom slechts terughoudend toetsen. De rechtbank moet wel vol toetsen of de belangenafweging op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en of deugdelijk is gemotiveerd waarom een bepaalde keuze is gemaakt.

9. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser toetsen of verweerder de omgevingsvergunning op basis van het wettelijk kader terecht heeft verleend. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het gebruik van de kruimelregeling, maar alleen tegen de opvatting van verweerder dat er geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening.


Geen voorwaarden in de vergunning

10. Eiser is ten eerste bang dat het terras geluidsoverlast en parkeeroverlast tot gevolg zal hebben. Hij voert aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, omdat de vergunning te weinig handvatten bevat om zo nodig te kunnen handhaven tegen overlast. Hij vindt dat er voorwaarden in de vergunning opgenomen hadden moeten worden over onder meer de plaatsing van het terras, de openingstijden en het maximale aantal bezoekers.

11. Het college stelt zich op het standpunt dat er beslist is op de aanvraag. Onderdeel van die aanvraag is een tekening van de beoogde situatie en een geluidsonderzoek, waarin uitgangspunten voor het gebruik zijn opgenomen. Alleen gebruik binnen die uitgangspunten is toegestaan. Als de uitgangspunten overschreden worden, kan er gehandhaafd worden.

12. In de onderbouwing van de aanvraag is een overzichtstekening opgenomen waarop het terras staat ingetekend. In het geluidsrapport, dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag, zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: op het terras is plaats voor maximaal 80 bezoekers aan tafels of banken; het terras kan geopend zijn van 15.00-23.00 uur.

13. Naar het oordeel van de rechtbank gelden de uitgangspunten die zijn opgenomen in de aanvraag, inclusief bijlagen, als kader van de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft beslist op de aanvraag zoals die is ingediend. Het was duidelijker geweest als het college de uitgangspunten uit de aanvraag expliciet als voorwaarden in de vergunning had opgenomen, maar dat was niet vereist. Ook zonder dat te doen kan er op overschrijding van de uitgangspunten gehandhaafd worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

14. Eiser voert aan dat het college het besluit om de vergunning te verlenen niet had mogen baseren op het geluidsrapport dat door vergunninghouder is ingediend. Volgens eiser moet het college niet de normen uit het Activiteitenbesluit als toetsingskader hanteren, maar de normen uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Het akoestisch klimaat in de omgeving is slecht, het geluid wordt weerkaatst en versterkt. Daar is volgens eiser in het geluidsrapport onvoldoende rekening mee gehouden. In het onderzoek is alleen naar de dag- en avondperiode gekeken en niet naar de nacht, en overdag is ten onrechte uitgegaan van een bezettingsgraad van 50%. Als er ook staanplaatsen worden gebruikt, kunnen er bovendien meer mensen op het terras plaatsnemen. Eiser vindt dat het college metingen had moeten uitvoeren.

15. Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit wel gebaseerd mocht worden op het geluidsrapport. De richtlijnen in de VNG-brochure zijn niet van toepassing op woningen op een bedrijventerrein, omdat daar een lager kwaliteitsniveau van het woon- en leefklimaat kan worden aanvaard. Daarom wordt aangesloten bij de normen van het Activiteitenbesluit: 55 dB overdag en 50 dB in de avond. Uit het onderzoek blijkt dat het geluidsniveau onder de 50 dB blijft, ook bij de maximale bezetting van 80 bezoekers. Dat geluidsniveau is acceptabel. ’s Nachts mag het terras niet open zijn. Het rapport bevat geen gebreken. Er was geen reden voor twijfel en daarom heeft het college geen verder onderzoek uitgevoerd.

16. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling of de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening enkel de VNG-brochure had mogen toepassen. Een bevoegd gezag komt hierin een zekere beoordelingsruimte toe. Het college is bij de toets aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening dus niet verplicht om de normen uit de VNG-brochure aan te houden. Het college heeft in dit geval op andere wijze gemotiveerd waarom het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor eiser. Daarbij heeft het college aansluiting gezocht bij de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Het college heeft er terecht op gewezen dat in de VNG-brochure is aangegeven dat de daarin opgenomen richtafstanden niet zonder meer kunnen worden toegepast op een bedrijventerrein, terwijl in het Activiteitenbesluit specifiek geluidsnormen zijn opgenomen voor gevoelige objecten (zoals woningen) op bedrijventerreinen. De rechtbank acht de keuze van het college om, gelet op de ligging van de woning van eiser op een bedrijventerrein, aansluiting te zoeken bij de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit daarom niet onredelijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3948.

17. Uit het rapport blijkt dat het geluidsniveau de geluidsnormen die gelden tijdens de toegestane openingstijden van het terras ook bij de maximaal toegestane bezetting van 80 bezoekers niet overschrijdt. Uit de inleiding van het rapport blijkt dat bij het opstellen van het rekenmodel rekening is gehouden met de ligging van de naburige panden, en uit de tabel op pagina 35 blijkt dat de reflectie van omliggende bebouwing is meegenomen in de berekening. Eiser stelt dat in het geluidsrapport onvoldoende rekening is gehouden met het akoestisch klimaat in de omgeving en dat de geluidwaarden op zijn gevel veel hoger zijn, maar hij heeft dat niet met metingen of een eigen geluidonderzoek onderbouwd. Hij heeft daarom onvoldoende aangevoerd om te twijfelen aan de geldigheid van het geluidsonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college zich daarom op het rapport baseren. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

18. Eiser voert aan dat er een parkeeronderzoek uitgevoerd had moeten worden. De parkeersituatie op het bedrijventerrein is nu al nijpend. Op de zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat het ook ’s avonds druk is op het bedrijventerrein. Er is volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met de komst van groepen en het ontbreken van openbaar vervoer. Hij vindt ook dat niet zomaar aangenomen kan worden dat de strook terrein voor het pand gebruikt kan worden voor extra parkeerplekken.

19. Het college stelt zich op het standpunt dat de toename van de parkeerdruk ambtelijk getoetst is op basis van de Beleidsregels Parkeernormen Fiets en Auto 2019 en akkoord is bevonden. Er zijn overdag 2 extra parkeerplaatsen nodig voor de horecafunctie. Die extra parkeervraag kan zonder overlast voor de omgeving worden opgevangen op een strook terrein voor het pand. Voor fietsen is ruimte onder de luifel van het gebouw. Voor het bestaande gebruik, inclusief de rondleidingen voor groepen, zijn de benodigde parkeervoorzieningen al eerder vergund.

20. Vergunninghouder heeft toegelicht dat de rondleidingen (maximaal 20 personen) op zaterdag zijn, en dan wordt er nauwelijks geparkeerd op het bedrijventerrein. Doordeweeks komt er op 100 meter afstand een bus, in het weekend op 600 meter.

21. In het ambtelijk parkeeradvies is berekend dat er in de bestaande situatie een parkeernorm van 18 parkeerplaatsen geldt. Omdat het om een bedrijventerrein gaat, is naar de parkeerbehoefte op werkdagen overdag gekeken. Er zijn dan 2 extra parkeerplaatsen nodig. Die extra parkeervraag kan worden opgevangen op de strook terrein voor het pand.

22. Naar het oordeel van de rechtbank is wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het ambtelijk advies. Het advies is gebaseerd op de parkeernormen van de gemeente en er is geen reden waarom de strook terrein voor het pand niet gebruikt zou kunnen worden om te parkeren. De rechtbank kan deze redenering van verweerder volgen. Dat de parkeerdruk ’s avonds te hoog zou zijn heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. In navolging van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2924) overweegt de rechtbank bovendien dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het beoogde nieuwe gebruik. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

23. Het college hoefde de kaders van de vergunning omdat die al in (de bijlagen bij) de aanvraag staan niet als voorwaarden in de vergunning op te nemen. Het college mocht het besluit daarnaast baseren op het geluidsrapport en het ambtelijk parkeeradvies. Op basis daarvan mocht het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verlenen.

24. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 17 september 2020 gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is niet in de gelegenheid deze

rechter

uitspraak mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.