Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3956

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/2847
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo en beroep - Kinderkermis Brusselplein - V heeft vergunning mogen verlenen - Belangen stad en omwonenden tegen elkaar afgewogen - Verschillende maatregelen genomen om geluidsoverlast te voorkomen. - Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/2905 en UTR 20/2847

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser/verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht , verweerder

(gemachtigde: mr. J. Dijkgraaf).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] ., te [Plaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: A. Lubach).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een evenementenvergunning verleend voor het evenement ‘ [evenement] ’ (het evenement) van woensdag 8 april 2020 tot en met woensdag 15 april 2020.

Bij besluit van 9 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna: eiser) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype for Business op 3 september 2020. Eiser is verschenen. Verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Het evenement

2. Verweerder heeft aan vergunninghouder een evenementenvergunning verleend voor het evenement van woensdag 8 april 2020 tot en met woensdag 15 april 2020. Het evenement is een kleinschalige kinder en familie kermis met als voornaamste doelgroep vaders en moeders met kinderen tot en met twaalf jaar. De voorschriften houden onder andere in dat het evenement in de vergunde periode dagelijks van 13.00 uur tot 22.00 uur mag plaatsvinden, waarbij is toegestaan om versterkt geluid ten gehore te brengen, mits het volume beperkt blijft tot maximaal 65 dB (A) en 80 dB (C), te meten op de eerst bewoonde gevel.

Ontvankelijkheid

2. Eiser woont aan de [Adres] te [plaats] . Dit is direct gevestigd aan het [Locatie] , waar het evenement zou plaatsvinden. Eiser is dus direct omwonende van het evenement en is daarom terecht aangemerkt als belanghebbende.

3. Het evenement zou plaatsvinden van 8 april 2020 tot en met woensdag 15 april 2020. Het evenement heeft geen doorgang kunnen vinden gelet op de maatregelen van het Rijk om het coronavirus te bestrijden. Aangezien het evenement herhaaldelijk plaatsvindt en dus sprake is van een terugkerend evenement, heeft eiser belang bij een inhoudelijk oordeel van de rechtmatigheid van de verleende vergunning. De rechtbank neemt daarom procesbelang voor deze procedure aan. Eiser is dus ontvankelijk in zijn beroep.

Geluidsoverlast

4. Eiser is het niet eens met het verlenen van de vergunning. Hij voert aan dat de locatie van het [Locatie] zich niet verhoudt tot het evenement. Dit blijkt uit het stuk Conceptlocatieprofielen Evenementen, waarin een concept locatieprofiel voor het [Locatie] is opgenomen (concept locatieprofiel [Locatie] ). Door het evenement zal sprake zijn van geluidsoverlast, waar eiser, als chronisch ziek persoon, veel last van heeft. Bij het evenement dat in 2019 heeft plaatsgevonden heeft eiser last gehad van geluidsoverlast, waardoor zijn gezondheidstoestand is verslechterd en zijn woongenot is aangetast. Door deze kermis zal sprake zijn van geluidsoverlast voor zes dagen, negen uur lang, tot 80 dB (C) op zijn gevel.

Toetsingskader

5. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van een evenementenvergunning een discretionaire bevoegdheid is, waarmee er een grote mate van beleidsruimte toekomt aan verweerder. Verweerder kan een vergunning weigeren op basis van de belangen die worden genoemd in artikel 1:8 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (APV). Uit artikel 1:8, aanhef onder b, respectievelijk e, van de APV volgt, voor zover hier relevant, dat verweerder de vergunning kan weigeren in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of in het belang van de gezondheid. Verweerder kan, voor zover hier van belang, een buitenevenement ook op grond van artikel 5:37, tweede lid onder c, van de APV weigeren als de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie.

6. Verder overweegt de rechtbank dat op objectieve gronden niet valt vast te stellen wanneer een omwonende ten gevolge van een evenement onduldbare geluidshinder ondervindt. Het oordeel of geluidshinder onaanvaardbaar is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. Dit volgt uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).1 Daarbij is van belang de vraag die de rechtbank moet beantwoorden of verweerder voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat een omwonende onaanvaardbare geluidshinder ondervindt.

Beoordeling maatregelen geluidsoverlast

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom, na weging van de belangen die zijn gediend met het evenement en de belangen van omwonenden om van hinder gevrijwaard te blijven, voor de activiteiten tijdens het evenement maximale geluidswaarden zijn vergund van 65 dB (A) en 80 dB (C), gemeten op de gevel van woningen. Verweerder heeft zijn belang van het aanbieden van een aantrekkelijk evenementenaanbod en het zijn een levendige en leefbare stad Utrecht , met een groot draagvlak voor evenementen in de stad -zoals ter zitting is verklaard- afgewogen tegen het belang van omwonenden.

8. De rechtbank stelt voorop dat voor de locatie waar het evenement zou plaatsvinden, het [Locatie] , de bestemming centrum geldt. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan Leidsche Rijn Centrum Kern en Zuid . Op grond van artikel 4.1, onder g, van de planregels zijn evenementen toegestaan op deze locatie. Van omwonenden bij het [Locatie] mag daarom worden gevraagd enig geluid dat met evenementen gepaard gaat, te dulden. Dit geldt ook voor eiser.

9. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de belangenafweging in redelijkheid heeft kunnen maken. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder verschillende maatregelen heeft getroffen om geluidsoverlast te voorkomen. Zo heeft verweerder bij het verlenen van de vergunning lagere geluidsnormen vergund dan de geluidsnormen die waren vermeld op de verleende vergunning voor de editie van het evenement in 2019. Toen waren de geluidsnormen vastgesteld op 70 dB (A) en 80 dB (C). Bij het verlenen van onderhavige vergunning heeft verweerder het volume van het geluid begrensd tot maximaal 65 dB (A) en 80 dB (C), te meten op de eerst bewoonde gevel. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat dit toegestane geluidsniveau ook onder de normen ligt die zijn gesteld in de Beleidsregel geluidsnormen bij buitenevenementen (Beleidsregel), waarin staat dat bij een buitenevenement binnen de bebouwde kom door versterkte muziek maximaal een geluidsniveau van 80 dB (A) en 95dB (C) geproduceerd mag worden. Verweerder heeft toegelicht dat hij het geluid naar beneden heeft begrensd omdat het ten gehore brengen van versterkt muziek niet de voornaamste doelstelling is van het evenement. In het verlengde hiervan heeft verweerder het tijdsblok waarin het geluid mag plaatsvinden begrensd van 13.00 uur tot 22.00 uur, wat ook ligt onder de normen die daarvoor zijn gesteld in de Beleidsregel. Verder is tijdens het evenement een toezichthouder aanwezig en voert verweerder tijdens het evenement zelf geluidsmetingen uit. Bij overschrijding van de toegestane geluidsnormen zal door verweerder direct contact worden gezocht met de organisator om overschrijding te beëindigen, zo heeft verweerder toegelicht. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het evenement, een kleinschalige kinderkermis, niet in strijd is met het concept locatieprofiel [Locatie] . Hoewel het concept locatieprofiel [Locatie] nog geen beleid is dat verweerder hanteert, is het evenement, anders dan eiser stelt, wel in lijn daarmee vergund. Het [Locatie] is namelijk geschikt bevonden voor kleinschalige familie-evenementen. Ook heeft verweerder op zitting toegelicht dat de duur van het evenement is bepaald door het aantal dagen waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. In het beleid zijn geen regels opgenomen over het aantal dagen dat een evenement kan duren, wel over het aantal evenementen dat kan plaatsvinden. Daarbij heeft verweerder voornoemde belangenafweging gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, met de getroffen maatregelen voornoemd en de daarbij gegeven motivering, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hinder niet onaanvaardbaar is. Verweerder heeft daarbij redelijkerwijs aan de belangen die zijn gediend met het evenement doorslaggevend gewicht kunnen toekennen. Gelet op het bovenstaande, heeft verweerder voldoende gemotiveerd hoe hij de duur van het evenement, de geluidsnormen en het tijdsblok heeft vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat het evenement, los van geluid in zijn algemeenheid, gezondheidsschade met zich brengt. De beroepsgrond slaagt niet.

De rechten van personen met een handicap

10. Eiser voert verder aan dat verweerder de rechten van de mens voor personen met een beperking schendt omdat hij zich door het verlenen van de vergunning voor het evenement niet volledig kan inzetten in de samenleving. Dat is in strijd met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het Verdrag) en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser niet voldoende heeft gespecificeerd welke bepalingen van het Verdrag volgens hem worden geschonden en op welke manier. Daarnaast geldt in het algemeen dat aan de bepalingen in dit Verdrag geen rechtstreekse werking toekomt. Eiser heeft voorts onvoldoende concreet gemaakt waarom de vergunningverlening voor het evenement in strijd zou zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ook heeft hij niet onderbouwd waarom zijn geval anders is dan andere omwonenden van het [Locatie] , waar het evenement plaatsvindt en of dat er sprake is van een ongelijke en ongerechtvaardigde behandeling van hem ten opzichte van anderen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder aan de belangen die zijn gediend met het evenement, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht kunnen toekennen bij het verlenen van de vergunning. Verweerder heeft daarom de vergunning kunnen verlenen. Het beroep van eiser is ongegrond.

13. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2020 door mr. L.A. Banga, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De (voorzieningen)rechter is verhinderd

te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie uitspraak van de ABRvS van 11 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1245) en 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1566). Te raadplegen op www.rechtspraak.nl.