Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3954

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/765
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Naturalisatie. Ernstige bedenkingen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/765

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Nauta).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om naturalisatie afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

  1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

  2. Verweerder heeft het verzoek om naturalisatie van eiseres afgewezen, omdat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf van eiseres voor onbepaalde tijd in Nederland. In de wet1 staat dat iemand in dat geval niet in aanmerking komt voor verlening van het Nederlanderschap. Verweerder ziet deze bedenkingen in het feit dat het voornemen bestaat om de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te trekken. Verweerder baseert zich hierbij onder meer op beleid, dat rechtens is aanvaard.

3. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het beleid niet onredelijk is en is het met verweerder eens dat in dit geval sprake is van een bedenking als bedoeld in de wet. De vraag of de verblijfsvergunning ook daadwerkelijk zal worden ingetrokken, is op dit moment onzeker zoals eiseres terecht stelt, maar dat maakt het niet anders. Alleen al de omstandigheid dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit een aanwijzing bestond voor de mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning is voldoende om van een bedenking te kunnen spreken. Ook de vraag of er wel goede redenen zijn om de verblijfsvergunning in te trekken maakt het niet anders. Die vraag hoeft de rechtbank in deze procedure niet te beantwoorden. Het uiteindelijke antwoord op die vraag is aan de vreemdelingenrechter en doet nu niet ter zake.

4. Dit betekent dat verweerder de aanvraag om naturalisatie terecht heeft afgewezen. Het staat eiseres vrij om later nogmaals een aanvraag in te dienen als de procedure over de intrekking van de verblijfsvergunning voor haar gunstig afloopt en zij in het bezit blijft van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door in deze procedure niet de uitkomst van de intrekkingsprocedure af te wachten.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.

De rechter is verhinderd het proces-verbaal te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 8, eerste lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap