Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3929

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4539
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziektewet. Beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig heeft gehandeld en dat de verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de gezondheidssituatie van de eiseres. Er is geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functie. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: E. Witte).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 augustus 2019 hersteld gemeld en haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd.

Bij besluit van 10 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype for Business op 20 juli 2020. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was parttime werkzaam als pedagogisch medewerker gedurende 23,22 uur per week. Eiseres heeft zich

op 9 oktober 2015 ziekgemeld wegens medische klachten. Na een eerdere WIA-beoordeling op 22 augustus 2017 is zij met ingang van 6 oktober 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Op 27 april 2018 heeft eiseres zich wederom ziekgemeld, op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanaf 27 juli 2018 ontving eiseres een ZW-uitkering. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Grondslag van het bestreden besluit

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres onveranderd geschikt is voor ten minste één van de eerder in het kader van de WIA-beoordeling op 22 augustus 2017 geselecteerde functies, namelijk voor de functie van machinaal metaalbewerker. Omdat er wel sprake was van een toename van beperkingen heeft de primaire verzekeringsarts een nieuwe Functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 18 juni 2019 opgesteld. Op grond van de geldende regels in de Ziektewet is eiseres met ingang van 1 augustus 2019 hersteld gemeld. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.

Beoordelingskader

3. De rechtbank overweegt dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapportages niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk.

Zorgvuldigheid

4. Ten aanzien van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek heeft eiseres ter zitting toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar ten onrechte niet lichamelijk heeft onderzocht.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig uitgevoerd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 18 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4633), kan de enkele omstandigheid dat een lichamelijk medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep achterwege is gebleven niet leiden tot de conclusie dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. In dit geval is er geen reden om tot onzorgvuldigheid te concluderen, nu de verzekeringsarts bewaar en beroep aanwezig was bij de hoorzitting, is afgegaan op zijn eigen waarnemingen en eiseres psychisch heeft onderzocht. Ook heeft hij dossieronderzoek verricht en alle beschikbare medische informatie meegewogen bij zijn oordeel, waaronder informatie van de behandelend sector. Eiseres was bovendien al door de primaire verzekeringsarts lichamelijk en psychisch onderzocht. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende informatie had om zich een goed beeld te vormen van de gezondheidstoestand van eiseres. Het is aan een verzekeringsarts zelf om af te wegen of, en in welke mate, een lichamelijk onderzoek van toegevoegde waarde is voor de beoordeling.

6. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 9 september 2019 eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden heeft uitgelegd hoe hij tot zijn oordeel is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Medische beoordeling

7. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat er te weinig beperkingen zijn aangenomen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van eiseres. Eiseres voert verder aan dat zij 2 keer per maand naar de psychiater gaat. Als dit niet genoeg is, zal zij 3 keer per week worden behandeld bij de GGZ. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres onder andere een rapport van GZ-psycholoog C.J. van Rijn overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is voorbij gegaan aan de inhoud hiervan en heeft onterecht geen beperking aangenomen ten aanzien van herinneren, het vasthouden en verdelen van de aandacht. Verweerder had daarnaast ook beperkingen moeten aannemen ten aanzien van grove trillingen, het hand- en vingergebruik, lopen en zitten.

8. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is vastgesteld. Eiseres is beperkt geacht ten aanzien van het persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Anders dan eiseres stelt, valt niet in te zien dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van eiseres.

9. De primaire verzekeringsarts heeft een FML van 18 juni 2019 opgesteld en heeft ten opzichte van de WIA-beoordeling van 22 augustus 2017 beperkingen gewijzigd, laten vervallen en toegevoegd. Hij concludeert in het rapport van 23 juli 2019 dat eiseres gelet op de totale problematiek is aangewezen op zowel mentaal als fysiek licht werk. Op het mentale vlak dienen stressoren in het werkproces te worden beperkt en vanwege de algehele pijnbeleving op vrijwel alle gebieden in het lichaam, is fysiek lichte arbeid aan de orde. Daarbij dienen alle lang aaneengesloten inspanningen en alle fysiek zware inspanningen te worden beperkt. De beperking dat eiseres niet ’s nachts en ’s avonds kan werken is komen te vervallen. Eiseres wordt verder niet in staat geacht tijdens elk uur van de werkdag meer dan 150 keer te buigen. Ook zijn er beperkingen aangenomen ten aanzien van het zitten. Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts beperkingen aangenomen vanwege het medicijngebruik, waardoor geen werkzaamheden verricht mogen worden waarin een verhoogd persoonlijk risico aanwezig is. Ook mag eiseres niet langdurig aaneengesloten worden blootgesteld aan grove lichaamstrillingen en mag er geen sprake zijn van sterk wisselende werktijden. De primaire verzekeringsarts heeft vanwege de noodzakelijke behandelingen in combinatie met de geclaimde energetische beperkingen een urenbeperking aangenomen van maximaal 6 uur per dag en maximaal 30 uur per week.

10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijkt niet af van de medische beoordeling van de primaire verzekeringsarts en heeft de inhoud van de behandelingen bij de GGZ wel degelijk meegewogen in zijn beoordeling. Hij verklaart in de rapporten van 9 september 2019 en 17 december 2019 dat eiseres zichzelf sterk beperkt acht door een combinatie van psychische en lichamelijke klachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is zij daarmee terecht gekomen in een situatie van passiviteit en afhankelijkheid. Tijdens de behandeling wordt aangedrongen op actief worden, maar eiseres komt daar niet toe. De beschrijving van de klachten toont meer een psychisch aspect dan een somatisch aspect, maar met beide is in de primaire beoordeling rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat de klachten van eiseres serieus genomen worden, maar dat de ernst van de klachten en de behandelingsfase waarin eiseres verkeert juist maken dat activiteiten gewenst zijn en mogelijk zijn. De conclusie van psychiater S.M. Hendriks van 17 april 2019 is in lijn met hetgeen de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische toestand van eiseres en de behandelingen concludeert.

11. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen en neemt daarbij in overweging dat eiseres in beroep geen objectiveerbare medische informatie heeft overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de FML van 18 juni 2019. Eiseres heeft aangevoerd dat beperkingen aangenomen hadden moeten worden ten aanzien van grove trillingen, het hand- en vingergebruik, lopen en zitten. De verzekeringsartsen hebben echter al beperkingen aangenomen voor grove trillingen, zitten en het duwen/trekken, tillen/dragen en hanteren van zware lasten. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat deze beperkingen niet voldoende zouden zijn. Eiseres is niet beperkt ten aanzien van lopen, maar heeft ook op dit punt geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de beoordeling van de verzekeringsartsen onjuist is. De rechtbank is het daarnaast eens met verzekeringsarts bezwaar en beroep dat aan het rapport van GZ-psycholoog C.J. van Rijn niet de waarde kan worden toegekend die eiseres daaraan toekent. Van Rijn is psycholoog, maar beperkt zich niet tot dat vakgebied. Het rapport is daarnaast van 4 januari 2018, terwijl de datum in geding 1 augustus 2019 is en er recentere informatie is van de huisarts, neuroloog, reumatoloog en psychiater van eiseres. Met het rapport van Van Rijn kan daarom niet worden onderbouwd waarom er meer beperkingen aangenomen moeten worden, die een rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis kan toekomen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de gezondheidssituatie van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Arbeidskundige beoordeling

12. Eiseres is met ingang van 1 augustus 2019 hersteld gemeld voor de functie van machinaal metaalbewerker. De beroepsgronden ten aanzien van de andere functies zullen daarom niet besproken worden.

13. Eiseres voert ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling aan dat zij de geselecteerde functie van machinaal metaalbewerker om medische redenen niet kan verrichten. Daarnaast voert eiseres aan dat zij nooit eerder een soortgelijke functie heeft uitgevoerd, dus ze zou behoorlijk ingewerkt moeten worden. Daardoor wordt er een enorme druk op eiseres uitgeoefend en dit zal haar psychische klachten doen verergeren.

14. De rechtbank volgt dit niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 augustus 2018 uitgelegd dat het inwerken en opleiden uit één dag instructie/toekijken bestaat en één dag om zich het werk eigen te maken. Daarnaast betreft het een functie op basisonderwijsniveau terwijl eiseres een opleiding heeft op MBO-3 niveau. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de functie een stressvolle inwerkperiode met zich meebrengt en dat eiseres dit niet aan zou kunnen. Dat eiseres niet eerder soortgelijk werk heeft gedaan, betekent ook niet dat deze functie niet passend is.

15. Nu de rechtbank de medische beoordeling niet onjuist acht, bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functie. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

16. Nu uit het voorgaande blijkt dat eiseres met ingang van 1 augustus 2019 terecht hersteld is gemeld voor de functie machinaal metaalbewerker, is haar ZW-uitkering op goede gronden beëindigd met ingang van 19 december 2019.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 augustus 2020 door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.