Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3928

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3885
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid, wet WIA, geen schending van "equality of arms"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3885

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: W.A. Postma).

Procesverloop

Met het besluit van 30 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 2019 wordt gewijzigd naar 62,27% en dat haar uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) daarom met ingang van 1 april 2019 wordt aangepast aan dit percentage.

Met de beslissing op bezwaar van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar bezwaar gegrond is en het primaire besluit zo wordt gewijzigd dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 19 december 2018 wordt vastgesteld op 70,63%. Eiseres heeft ingaande deze datum recht op een vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 21 augustus 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt sinds eind 2006 een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% (66%). Bij een herbeoordeling in januari 2019 is deze mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd. In bezwaar stelt bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld zwaardere medische beperkingen vast. De bezwaararbeidsdeskundige F.J. Bakker duidt ook nieuwe functies. De eerder geduide functies zijn niet langer passend voor eiseres.

2. Eiseres voert in beroep als grond aan dat haar medische beperkingen zijn onderschat en geeft daarbij in eerste instantie aan een verzekeringsarts als deskundige te willen inschakelen om dit standpunt te onderbouwen. Later stelt eiseres met een rapport te komen als haar financiën het toelaten.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan rapportages van verzekeringsartsen een bijzondere waarde toekomt, indien zij althans zorgvuldig tot stand zijn gekomen en de rapportages niet tegenstrijdig of onsamenhangend zijn en leiden tot een dwingende conclusie. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten van verweerder op deze punten tekort schieten en/of medisch onjuist zijn.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerders standpunt is gebaseerd op een correcte beschrijving van vaste rechtspraak in geschillen over de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat haar mogelijkheden om zich te verdedigen in deze procedure ten onrechte worden beperkt door haar kennelijk slechte financiële positie wijst de rechtbank op de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:1104, waaruit kort samengevat blijkt dat geen sprake is van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ indien eiseres informatie van behandelaars heeft kunnen inbrengen en deze informatie door verweerder ook inzichtelijk bij de beoordeling is betrokken. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

5. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiseres niet slaagt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 2 september 2020 gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.